maandag 26 juni 2017

Column Trouw, 24 juni

Jarig

Op de ochtend van mijn verjaardag was iedereen er even. Zelfs onze kater Ronnie, die vaak wekenlang van huis is, was voor de gelegenheid teruggekomen.
Ik droeg mijn nieuwe – atypische – knalblauwe broek, die ik had gekocht omdat die me zo deed denken aan een broek die ik 24 jaar geleden op een vlooienmarkt in Bologna kocht. De leeftijd dat broeken van vlooienmarkten prachtig staan, is inmiddels voorbij. Het gelukkige gevoel dat erbij hoort, bestaat nog gewoon.
Ex was er al heel vroeg om het ontbijt te maken met de kinderen. Maar de meisjes sliepen nog en zo maakten we mijn verrassingsontbijt samen. Eindelijk was de tijd daar voor mijn vier kitscherige eierdopjes, maar nu stonden er nog maar drie in de kast. Waar ik ook keek; één kitscherige eierdop was verdwenen.
“Wat gek,” zei ik.
“Dat geeft niet,” zei hij, “ik heb ook maar drie eieren in de pan gedaan.”
“Waarom drie?”
“Verstrooid denk ik.”
Drie is dus inmiddels meer een automatisme geworden dan vier. Drie eierdopjes, drie eieren, een gezin van drie mensen. Dat is normaal.
Even later zaten we met z’n vieren in onze – enorm overwoekerde maar zonnige – tuin aan het ontbijt en deed ex mij een hoed met een knalblauwe rand cadeau.
“Alsof je het wist,” zei ik.
“Het is wel exact dezelfde kleur blauw, hè?”
Voor hij ging, pakte hij de afwasmachine uit en weer in. Vroeger zou zoiets me niet opvallen, maar nu was ik blij dat de vaat verdwenen was en het servies weer vanzelf in de kast stond.
Mijn broer en zijn vriendin reden claxonnerend voor, in een auto met vlaggetjes en ballonnen. De meisjes en ik werden naar een speeltuin in Dieren gereden. Een doe-park. Je moest daar de attracties zelf in beweging zien te krijgen.
Mijn ouders en wij waren er de enige bezoekers. Alle speeltoestellen stonden stil. Het was alsof we na sluitingstijd door een pretpark liepen. Of na de nucleaire ramp.
Op een zonovergoten, leeg terras dronken we koffie.
“Mooi beeld,” zei ik. “Een uitgestorven pretpark met prachtig weer.”
“Heel eenzaam,” zei mijn vader.
“Een goed decor voor mijn column.”
En dat zou het ook zijn geweest. Ware het niet dat ik toen helemaal niet eenzaam wás.
“Doe die hoed af,” zei mijn vader, die zelf ook een hoed op had.
En daarna: “Het valt je moeder en mij op dat er veel mannen zijn die jou feliciteren op facebook.”

 

Geen reacties


maandag 19 juni 2017

Column Trouw, 17 juni

Juiste oplossing

Zeker, het is fijn dat er niemand is die mij aan m’n kop zeurt over iets dat mij niet interesseert. En het huis blijft ook veel opgeruimder. Ook is het fijn dat ik elke dag zelf mag bedenken wat we eten en hoe laat. Minstens zo heerlijk is het dat ik, als de meisjes er niet zijn, helemaal niet hoef te koken.

Een echt grote opluchting is het pas dat ik niet meer steeds op hoef te letten hoe de man in huis zich vandaag voelt, en hoe ik daar het beste op kan anticiperen, of juist niet-anticiperen. Er is ruimte voor mij. Ik blijk hier nu gewoon vrij te mogen rondlopen in om-het-even-wat-voor humeur. Want er is niemand meer waarbij ik – als ik niet mijn aller koddigste zelf ben – bang ben nóg meer uit de gratie te raken.
Er is ook niemand meer waarachter ik schuil kan gaan. Maar ik moet toegeven; mijn eigen gezelschap valt me reuze mee. Ik blijk best een aangename huisgenote. Kalmer dan ik dacht. Ordelijker. Levendiger ook. Zelfs als ik heel verdrietig ben of kwaad, verdwijn ik niet meer in dat zwarte gat. En ook al die debiele sociale angsten zijn ineens verdwenen. Zo ben ik nooit meer bang om met andere mensen een praatje te maken. Of om iemand aan te kijken.
En een leuke muziek dat ik draai. Soms wel tien keer hetzelfde liedje achter elkaar. Ik heb daar geen moeite mee.
Mijn band met de meisjes is er tot nog toe alleen maar beter op geworden. Hechter. Fysieker. Dichterbij. We knuffelen en praten wat af.
Eind goed al goed, zou u denken, hè?
Toch blijf ik er maar geen goed gevoel over hebben, een scheiding. Mijn geest zoekt de hele tijd naarstig en non-stop naar uitwegen, andere oplossingen, iets waar ieder van ons gelukkig en tevreden mee kan zijn, alsof het een ingewikkeld wiskundig vraagstuk betreft. Ik weet gewoon zeker dat er ergens een goede oplossing is. Of dan tenminste: een betere.
“Kunnen jullie weer getrouwd raken?” vraagt de zevenjarige.
We moeten eerst nog maar eens gescheiden zien te raken, denk ik.
Ik herhaal dat riedeltje over gescheiden ouders die niet verliefd meer zijn, de zevenjarige stopt haar vingers weer in haar oren en neuriet keihard.
“Ik vraag alleen maar of het KAN,” roept ze als ik uitgekletst ben. “Kán het?”
“Ja, het is mogelijk, maar…”
“Oké, dan ben ik het bruidsmeisje! Goed?”

2 reacties


maandag 12 juni 2017

Column Trouw, 10 juni

Gevangene

Er gebeuren ook leuke dingen door de ellende. Zo ging ik laatst een dagje uit. Naar de gevangenis. Ik had er afgesproken met een vrouw met wie ik – door deze columns – correspondeer, maar die ik nog nooit had ontmoet. Ze was geen gevangene, zei ze. Ze was er de boeddhistisch geestelijk verzorger.
“Kom jij maar eens mee mediteren,” had ze geschreven.
Misschien wilde ze me vermoorden. Maar ik vond zo’n mailwisseling toch een omslachtige voorbereiding op een moord.
Eenmaal binnen, kon ik niet meer terug. Mijn penvriendin had een grote sleutelbos in haar hand en zei: “Welkom.”
Ik vergezelde haar op haar ronde langs de cellen. We liepen door lange lege gangen waaraan: gesloten deuren, waarachter: een mens. Een mens. Een mens. Enz. De atmosfeer was er benauwend. Er was overal net te weinig lucht. Van sommige celdeuren opende ze het luikje met een sleutel. “Mijn dienst begint zo,” zei ze.
Een half uur later zat ik in de bezinningsruimte tussen twaalf gedetineerden op pittenkussentjes en twee bewaarders. Mijn penvriendin in kleermakerszit voor de groep. Ze vroeg of we onze schoenen uit wilden trekken. Ik had Nike-Airs aan, net als de rest. Er kwam een goor luchtje vrij. Ja, zíj hadden allemaal brandschone sokken zag ik. Zij waren vandaag natuurlijk niet met trein en boot gegaan, hadden niet door een dorp gesnelwandeld, waren niet natgeregend en weer droog geworden.
De kleerkast op het pittenkussentje naast me, duwde zijn vingers één voor één in zijn voetkussentje. Liefdevol. Met aandacht. Ik deed hem na. Na de voetmassage sloten we onze ogen. Ik probeerde maar helemaal niet te denken aan frisse lucht. Of lucht in het algemeen.
Mijn penvriendin sprak over de schoonheid van een gebroken vaas die gelijmd was. Ik dacht aan ex die, als er iets kapotging, zei: “dat is juist mooi, nu gaat het léven.”
Nu gaan we leven, dacht ik. En viel in slaap. Tussen de boeven. Kennelijk heb ik duidelijke grenzen nodig om me op m’n gemak te voelen. Een gevangenis. Daarom hang ik zo aan het huwelijk.  Vrijheid die in de beperking zit, zoiets.
Na de dienst sprak ik met een intelligente, aardige man die al elf jaar zat en – naar later bleek – zijn vrouw had vermoord. Ook een manier.  “In mijn geest ben ik vrij,” zei hij, “maar mijn lichaam is niet vrij.”  Bij de meesten van ons is het andersom.

1 reactie


maandag 05 juni 2017

Column Trouw, 3 juni

Bovenkamer

Ik ben alleen thuis, bezig oververhit te raken in mijn bovenkamer. De kinderen hebben vakantie. Het is een van die warme dagen waarop we normaal gesproken met z’n vieren naar het strand zouden gaan, –  waren we heel goed in – maar nu doen we dat even niet.
Begint ze daar alwéér over, hoor ik u denken. Ja.  Alweer.
Ik zou er ook helemaal geen tijd voor hebben, het strand, daar niet van, ik moet nodig aan mijn boek werken, en ook dit stukje nog schrijven.
Ex ligt met de meisjes op het strandje, een halve kilometer hiervandaan, lees ik nu. Vanaf deze bovenverdieping zou ik zowat naar ze kunnen zwaaien. Ik moet moeite doen om, u weet waar ik moeite voor moet doen. Ik wil mijn kleine ook graag zien namelijk. Dat lijfje voelen. Zíj komt in de tijd dat ze bij haar vader is niet dagelijks even langsgefietst. En vannacht schrok ik wakker omdat zij wakker lag. Alleen in dat stapelbed. In dat andere huis. En ik wist dat ze bang was. Ze heeft haar vader, zegt u. Dat is zo. Daar is ze uiteindelijk ook naartoe gegaan. Want ja, beste mensen, ze bleek ook écht wakker te zijn geweest om 03.15 u.
Allemaal prima. Maar ze is veel te jong om zo lang niet bij haar moeder in de buurt te zijn. Ze komt uit mijn buik. Ze hoort bij mij. Ik hou er heel wat traditionelere denkbeelden op na, dan ik tevoren ooit zou hebben gedacht.
Er is nóg iets waar ik me op dit moment, al wegsmeltend, mee bezighoud. Waar we moeten gaan wonen straks, als we die scheiding officieel gaan beginnen. En hoe godsgruwelijk dúúr het zal worden om alleen die walgelijke papieren maar te kunnen tekenen. Dít blijkt die gezamenlijke wereldreis te zijn waarvan ik altijd heb gedroomd. Nee, het is niet enkel kommer en kwel. Er gebeuren ook goeie dingen. Ik leef bijvoorbeeld. Dat was voor het gedonder begon wel anders. Waar ik vroeger vooral schreef om dichterbij het leven te komen, schrijf ik nu eerder om het even vanaf een afstandje te bezien. Het is dus vast goed dat dit gebeurt. Zeker. Al werd ik vanmorgen in de sportschool, tijdens de ontspanningsoefening, ineens bevangen door het ondraaglijke idee dat ik nooit meer naast hem in bed zal liggen.
U mag raden wat ik uiteindelijk heb gedaan, betreft dat strandje.

4 reacties


maandag 29 mei 2017

Column Trouw, 26 mei

Gemoedstoestand

Aan de vooravond van de twaalfde verjaardag van onze oudste hang ik de slingers  op. Ik app dat ik de slingers zojuist in mijn eentje opgehangen heb.Ex schrijft: ‘Hoe was de opera vandaag?’ Ik bel hem en ontsteek – ook tot mijn verbazing – in woede over de andere vrouw. Daarna vertel ik over mijn bezoek met de meisjes aan de Nationale Opera. Ik vertel hem niet dat we zó’n fijne en ontspannen zondag hadden gehad, dat ik er bang van was geworden. “Het lijkt wel vakantie!” zeiden de meisjes. Dat is dus ook weer niet de bedoeling. Het moet leuker blijven met ons vieren dan met ons drieën. Maar dat is het niet.
Een vriendin, die al dertig jaar lang met dezelfde man is, zegt dat ik ex niet loslaat, dat ik mijn eigen weg niet ga, dat deze columns niets minder zijn dan pogingen hem te versieren.
Een andere vriendin schrijft: ‘Het wordt beter en intussen is het goed. It takes what it needs.’
In de debuutroman ‘Voor altijd voor het laatst’ van Tjitske Jansen lees ik: ‘Ik snapte niet dat mensen konden denken dat ik het vooruitzicht hier overheen te zullen komen een troostrijk vooruitzicht vond. Iemand missen is een manier om hem te bezitten. Zolang je iemand mist, is hij nog bij je. Hier overheen komen zou betekenen dat ik mijn liefde kwijt was.’
Mijn emotionele lijn kan ik de laatste weken niet bijbenen.
Ik heb onze gemoedstoestand in drie geologische aardlagen verdeeld waartussen we  – ik het meest – steeds heen en weer schieten. De onderste laag, onze basis, is nog steeds intact. Zodra wij daarin terechtkomen, is er rust en vertrouwen. De tweede laag is het emotionele vlak waarop we elkaar nu kwijtgeraakt zijn en elkaar niet (willen) begrijpen. Eenmaal daar aanbeland, zijn wij twee volkomen vreemden. Deze laag is grillig en in staat al het andere te vernietigen.
De derde laag is pragmatisch, praktisch, met daarin o.a. het ouderschap. We kunnen samen nog erg goeie kinderfeesten geven.
In het boek ‘Hotel Hartzeer’ staat dat ik – de verlatene – de belichaming ben van één van de grootste angsten van de mens. De mensen willen liever niet te lang worden geconfronteerd met pijn, verdriet, ontreddering. Wel willen ze het verhaal horen over de feniks die uit de as verrijst, over persoonlijke groei.
Ik zeg: ook uit de as verrijzen kan een twijfelachtig genoegen zijn.

3 reacties


maandag 22 mei 2017

Column Trouw, 20 mei

Verbond

“Ik ga met jou een gesprekje voeren en we zetten je ouders aan het werk!,” lacht de onderbouw coördinatrice van het gymnasium. “Zo willen wij dat zien, toch?”
Onze dochter zeg ja. We zitten in een klaslokaal aan een eivormige tafel. De coördinatrice knipoogt naar ex en mij en schuift ons een formulier toe dat we samen in moeten vullen. Ik schuifel op mijn stoel. Ik ben bang voor de vragen die erin staan. Ik ben bang dat we een adres – twee adressen dus – op moeten schrijven. Ik ben bang dat we zo dadelijk ontmaskerd zullen worden als slechte ouders.
Ik kijk naar de bijna twaalfjarige tegenover ons, de bijna volwassene, – “Wat zijn alle kinderen hier groot,” fluisterde ze toen we daarnet de school binnenstapten – de choker om haar nek, het knotje, de mascara die ze speciaal hiervoor heeft opgedaan, haar oogopslag, schuchter, maar vol levenslust, een nieuwe school, een eigen telefoon, de wereld wacht op haar.
“Wat is je nu lievelingsvak?”
De coördinatrice is net terug van zwangerschapsverlof. Dat zag ik meteen al aan haar buikje. Zij staat nog aan het begin van een gezin.
En hier zitten wij, aan de andere kant, de ouders die bijna uit elkaar zijn. De losers.
Ik denk terug aan hoe wij twaalf jaar geleden een gezin werden. Hoe de pasgeboren baby op mijn buik lag, zachtjes kermde en we haar J besloten te noemen. Het verbond tussen ons. Alsof we terplekke ‘heel’ werden. Ik weet nog hoe de liefde die we voelden bijna tastbaar in die verloskamer hing. Het woord: allesomvattend.
Ik denk aan het kinderdagverblijf waar we haar, op de dag dat we haar brachten, ook meteen weer mee terugnamen, omdat de man die ons een hand gaf niet ‘goed’ voelde. Hoe we uitgelachen werden om onze overgevoeligheid. Hoe we J toen uit de handen van Robert M. hebben gered.
‘Is er verder nog iets wat belangrijk is voor mij om te weten?” vraagt de coördinatrice.
Ik krijg het afwisselend warm en koud. Maar J vertelt het verhaal van het meisje dat naar de middelbare school gaat, nog een zusje heeft, met haar ouders op IJburg woont. En wij zitten er glimlachend bij.
Wij willen het verbond ook niet verbreken. Nu niet. Nu nog heel even niet.
Ooit komt deze mevrouw het wel te weten.
Er hoefde gelukkig ook geen adres ingevuld te worden op dat formulier.

3 reacties


dinsdag 16 mei 2017

Column Trouw, 13 mei

Imaginaire man.

Als kind had ik een imaginair vriendje, nu een imaginaire man.
Ik was al zeker twaalf toen ik mijn imaginaire vriend influisterde dat ik te oud voor hem werd. Ik tekende een ander vriendinnetje voor hem, gaf haar een naam. En weg was-ie ook echt. Helemaal verdwenen.
Had ik tot dan toe altijd iemand aan mijn zijde gehad met wie ik alles deelde, nu stond ik er voor het eerst van mijn leven alleen voor.
Nou, dat was wat.
Bij dezen zal ik ook afscheid nemen van de imaginaire man.
Mijn imaginaire man vraagt zich nu af of ik deze column niet beter een andere keer kan gaan schrijven omdat het al tegen zessen loopt en de meisjes zo honger zullen krijgen.
En als ik ‘s morgens voor mijn kledingkast sta, zegt hij kalmpjes dat de tijd tikt.
“Dit staat je prima,” zegt hij.
“Dus jij denkt dat dit zo kan?”
“Het is beter om in alle rust thuis te vertrekken, dan je eerst nog tien keer te verkleden.”
Mijn imaginaire man glimlacht me trouwens almaar ontzettend vriendelijk toe.
Hij zegt: “Laat je niet opjagen door wat de mensen zeggen.” En: “Het is goed.”
Nee, dit laatste is niet waar. Dit verzin ik nu omdat ik graag zou willen dat hij een beetje liever was. De imaginaire man is puur praktisch en nogal nors.
Als het tegen elven loopt op zondagochtend en we met z’n drieën nog gezellig in onze pyjama’s zitten, zegt hij dat we nu echt onze kleren aan moeten gaan trekken en iets gaan dóén. Het is mooi weer!
“Papa zou nu denk ik gezegd hebben dat het tijd is om naar buiten te gaan,” zeg ik tegen de meisjes.
We negeren papa. We keuvelen lekker verder. Ik laat me natuurlijk niet opjagen door zijn stem in mijn hoofd. Dit is míjn manier van een zondagochtend doorbrengen.
“Opschieten. Dadelijk ben je te laat.”
Dan sta ik op, begin in mijn handen te klappen en te roepen dat we nu eindelijk op moeten schieten, omdat we – als we zo doorgaan – te laat buiten zullen komen voor het mooie weer!  TE LAAT.  De meisjes schrikken, beginnen te gillen, vliegen elkaar in de haren, de poezen vluchten door het kattenluik, en ik ren schreeuwend heen en weer door de kamer. “Zie je wel! We hadden ook béter naar papa moeten luisteren!”
Nou, dat moet nu maar eens voorbij zijn.

2 reacties


maandag 08 mei 2017

Column Trouw, 6 mei

Balans

Het is nu een half jaar geleden dat man ‘een paar daagjes’ uit logeren ging. Inmiddels verwacht ik niet meer dat hij ’s nachts nog naast me komt liggen. Die lege plek is bij mij gaan horen. En als ik mijn dochters naar bed heb gebracht, weet ik dat er – als ik beneden kom  – niemand op de pastoor stoel in de huiskamer zit. Niemand met een rechte rug, een boek op zijn schoot, een leesbril op zijn neus en grijze, kapotte sloffen aan zijn voeten. Ook niemand die steeds zachtjes ‘ik wil jou niet, ik wil jou niet, ik wil jou niet’ fluistert.  Op de plaats waar eerst die stoel stond, liggen nu een paar zachte kussens.
Inmiddels ben ik degene die voor het slapengaan de lichten uitmaakt, die controleert of de deur wel goed op slot zit, of de fiets binnen staat, ik maal ’s ochtends zonder nadenken de bonen.
En toen de meisjes en ik gisteren tegen etenstijd thuiskwamen van de bioscoop, was het huis gewoon ons huis, en ik degene die de houtkachel aanmaakte, nog even moest koken, een glaasje wijn voor mezelf erbij. Het is al heel lang niet meer voorgekomen dat ik de tafel per ongeluk dek voor vier. Ik ben nu eerder bevreesd dat het met ons vieren nooit meer leuk zal worden, dan dat we er met z’n drieën niets van zullen kunnen maken.
En ik vat het maar op als een goed teken, dat de zachte, wollen deken die man me gaf met sinterklaas – de dag waarop hij zijn twijfel definitief liet varen – daarnet ineens in de fik vloog (en daarmee bijna het hele huis).
“Om je warm te houden,” had hij erbij gezegd, “je kunt de deken omslaan als je schrijft.”
Welnu: in dit halve jaar is gebleken dat ik hem – noch zijn deken – nodig heb om warm te worden, om het gezellig te hebben, om in leven te blijven. Al weet ik nog altijd vrij zeker dat we deze identiteitsstorm ook heel goed sámen hadden kunnen doorstaan.
“Zou je deze man echt terug willen?” vroeg iemand me laatst, “ik bedoel: degene die hij nu geworden is?”
Wat misschien wel veel enger is dan al het andere: het idee dat dit precies goed zou zijn. Dat dit de juiste weg is. In een juist leven. Op een juist moment. Dat de wereld daadwerkelijk voor mij open zou liggen.

5 reacties


maandag 01 mei 2017

Column Trouw, 29 april

Stilletjes

De verjaardag van ex komt eraan. De zesjarige schildert een bruidspaar in felle kleuren met boven het hoofd van bruid en bruidegom een half hartje.
“Dit zijn papa en mama,” zegt ze. “Toen jullie gingen trouwen.”
Voor aan de muur in het scheidingshuis.
De elfjarige maakt een schilderij in pasteltinten, waarop alleen een vaas te zien is, met één geknakte witte bloem erin, een kaartje aan de stengel met in sierletters ‘papa’ erop. Eraan vast een schaduwvaas. Zonder bloem erin.
“Moet hier nog iets bij, mam?”
Ik herinner me mijn schoonzus die ooit zei dat ik vroeger altijd in de schaduw van haar broer stond. Wel: daar ben ik nu dus uit verdwenen.
“Het is precies goed zo,” zeg ik.
De zesjarige houdt haar schilderij omhoog.
“Prachtig!” Daar staan we hoor, hand in hand, vereeuwigd door onze jongste dochter, met op de achtergrond knalgroene bergen. Blauwe lucht. Zon.
Ik stel me voor hoe de tweeënvijftigjarige deze schilderijen uitpakt, te midden van zijn familie – moeder, broer, zus, aanhang – in het vakantiepark in Drenthe. Ze zullen uitroepen dat de meisjes het tekentalent van hun vader hebben geërfd. Ik zal ‘gefeliciteerd!’ appen.
“Kom jij ook al niet op papa’s verjáárdag?” vraagt de zesjarige.
“Nee.”
“NEE?”
“Jullie zitten dan met papa’s familie in een vakantiehuisje, weet je nog?”
“Maar dat is toch ook jouw familie!”
“Ik hoor daar niet meer bij. Zoals papa nu ook niet meer meegaat naar opa en oma.”
“Nóóit meer?”
De zesjarige kijkt alsof ze nog nooit zoiets belachelijks heeft gehoord. Ik geef haar gelijk.
Het vertrek uit zo’n familie gaat net zo terloops als dat je erbij komt. Ik heb niemand gedag gezegd. Ik ben stilletjes uit het plaatje verdwenen, zoals ik er ooit stilletjes bij kwam zitten. En daar neemt iedereen genoegen mee.
Dat is logisch. Ik nam er ook gewoon genoegen mee toen de man van mijn schoonzus op een dag van het toneel verdwenen was. Niet veel later verscheen er een nieuwe man in ons midden. Die man zit daar nu nog. En ik niet meer.
Ja, zo gaan die dingen. Maar dan kan het nog wel belachelijk zijn.
Mijn verdwijning uit zijn familie – uit zijn hele leven – gaat trouwens ook weer niet zó stilletjes. Je zou kunnen stellen dat ik, sinds man niet meer aan mijn zijde staat, aanweziger ben dan ooit. Op het dominante af.

 

4 reacties


maandag 24 april 2017

Column Trouw, 22 april

Over mij

“Hoe vind jij het gaan?” vraagt de mevrouw die ons helpt bij het proces.
Na drie maanden zitten we hier weer. In die tijd is er veel gebeurd, maar we zijn nu tenminste weer op een punt dat we af en toe met het gezin eten en samen een wijntje drinken. Een voorzichtig contact. Méér dan alleen die autocue voor gescheiden ouders.
“Ik weet het niet,” zeg ik. “Vraag eerst maar aan hem.”
Ex vindt het best oké gaan zo, het is kalmer, hij heeft een plek om te wonen die voorlopig best oké is. Het schema waaraan we ons houden is prettig.
“En jij?” vraagt ze.
Ik wil geen spelbreker zijn. Ik wil dat het ook oké gaat. Het gáát ook best oké. Ik vind het fijn dat we weer samen kunnen zijn. Het is beter dan niks. Al slaap ik daarna een paar nachten nauwelijks. Al vraag ik me om 10 uur ’s ochtends af:  ‘Is het al tijd voor wijn?’
Ik begin over onze andere tijdsbeleving. Of: een verschillende manier van denken. Dat dát het misschien is. Ex denkt lineair. Eerst was er dit, toen dat, nu zijn we uit elkaar. En mijn denken is lemniscatisch. Het één sluit voor mij het ander nooit uit. Bij ‘ik wil je niet’ hoort ook ‘ik wil je wel.’ Een ex is tegelijkertijd een geliefde. Verleden, heden toekomst. Het bestaat voor mij állemaal. Altijd.  Dwars door elkaar heen.
Die ex die hier naast me zit, – meteen is er het moment waarop we deze ruitjesblouse kochten – is ook gewoon de man waarop ik ooit verliefd werd en de man die niet-, maar ook wél mij houdt, met wie ik alles deel en tezelfdertijd niets. En hoe langer we dan thuis aan onze eettafel zitten, met onze meisjes, hoe meer ex naar de achtergrond verdwijnt en man naar voren komt. Mijn man. Ons gezin. Daar ís het allemaal weer! Hoera!
Terwijl ex zo dus helemaal niet denkt. Nee. Na een tijdje vertrekt hij toch echt. Lineair, zeg maar. Van hier naar daar. We houden elkaar even vast in het halletje en foetsie is-ie.
De mevrouw zegt dat het misschien ook té veel door elkaar heen kan lopen. De tijden, de rollen. Ze denkt dat meer afstand voor ons beiden belangrijk is.
“Wat heb jíj nu nodig?” vraagt ze. “Nee, dit gaat niet over je gezin, niet over je ex,  maar over jou.”

4 reacties


dinsdag 18 april 2017

Column Trouw, 15 april

Eindpunt IJburg

Dit wordt een stukje over mijn bezoek aan het scheidingshuis. Want ik ben daar geweest.
Ik wilde iets schrijven over communicatie. Dat het droevig is dat die plotseling beperkt wordt tot informatie over ‘de kinderen’. Een paar frases over ‘het werk’ en een gereserveerde glimlach over en weer.
HOE LANG WAS JE AL VERLIEFD OP DIE ANDER?
We houden ons aan het kader waarbinnen wij nu dienen te praten. We doen het prima als gescheiden mensen. We hebben zo ons eigen leven waarin we onze eigen dingetjes doen. Daar weiden we niet over uit.
IK HEB MET IEMAND GEZOEND. DAT WAS LEUK!
We eten een hapje met het oude gezin. We kijken naar de modeshow die de meisjes voor ons houden. Bij het weggaan, kussen we éérst de kinderen, daarna pas krijgt de ander een zoen. Geen omhelzing meer bij de voordeur. We streven duidelijkheid na.
HOU ME VAST! IK WIL JE VOELEN. GEWOON. EVEN. VOELEN.
Ik wilde iets schrijven over mijn terugkerende gevoel dat wij een gescheiden stel spélen. Het idee dat we de spelregels steeds beter begrijpen.
Maar ik ben uiteindelijk toch naar het scheidingshuis gegaan. Ik wist dat het voor mijzelf niet al te best zou zijn, maar wél goed om over te schrijven.
Bij ‘eindpunt IJburg’ stapte ik uit de tram. De elfjarige was aangenomen op de middelbare school van haar eerste keuze. Dat is in Amsterdam reden voor een feestje.
In de woonkamer van het scheidingshuis voelde ik me onmiddellijk thuis. Een oude bank en wat luie stoelen. Een sfeer van vrijheid. We klonken op de toekomst van onze dochter. Het was gezellig.
Als hij hier nou zo graag wil wonen, nou dan gaan we toch hier wonen, begon ik te denken. En: dit is ons vakantiehuis!
Het stapelbed in de slaapkamer van de meisjes voldeed aan het vakantiebeeld, behalve de bekende dekbedhoezen.
“En hier is de jongenskamer!” zei ex. Op de drempel bleef ik staan. Het eenpersoonsbed. De snoeren en opladers op de vloer. Toen zag ik het enkele gordijntje pas. Exact hetzelfde patchwork als onze gordijnen thuis.
“Heb ik laten maken,” zei hij trots.
De aanblik van dat ene gordijntje – die aan elkaar genaaide zijden zakdoeken – vond ik zo lief, zo eenzaam, zo pijnlijk en mooi tegelijk.
Dit was helemaal geen spel. Dit was de realiteit.
HET ECHTE LEVEN, GODBETERT.
Ik kon er heel even naar kijken. Ik schreef snel een stukje óver het echte leven.

2 reacties


maandag 10 april 2017

Column Trouw, 8 april

Picknicktafel

De witte picknicktafel die voor mijn huis staat, is weer schoon en leeg. Voor het eerst dit jaar zit ik er, met mijn zonnebril op, krant erbij, en alle kinderen uit de straat – jong en oud – spelen ‘stand in de bal’. Het loopt tegen vijven. De buurvrouw schuift ook aan, haar ex loopt net een blokje om.  “Ja, hij blijft eten,” fluistert ze. Ik pak er een fles wijn bij.
Het duurt niet lang voordat de overbuurvrouw de straat oversteekt, met haar eigen glaasje. Een stiekem pakje sigaretten. “We zouden hier eigenlijk een scherm omheen moeten zetten,” zegt zij.
Was ik vroeger degene die erg kon zeuren over de sociale types op dit nieuwbouweiland, die dag in dag uit bij elkaar op de stoep hangen, tegenwoordig ben ik de eerste die buiten zit.
De witte picknicktafel kregen we precies een jaar geleden cadeau van mijn schoonmoeder. Ze zei het al jaren met klem: “Jullie moeten echt een fatsoenlijk bankje.”
Alsof ze voorvoelde dat het groen uitgeslagen grofvuilbankje, – en dan vooral het constante instortingsgevaar ervan – symbool stond voor ons huwelijk.
Ik weet de dag nog dat ik thuiskwam en man op de stoep het glimmende meubelstuk in elkaar aan het schroeven was, zo spierwit dat het pijn deed aan mijn ogen. Welke man die écht gaat vertrekken, zet eerst een picknicktafel in elkaar? dacht ik. In die kleur nog wel.
Met mij kregen ook alle buren hoop op een goede afloop. Alsof bij ons de vlag uithing.
De witte picknicktafel als het symbool van vrede en overgave. Precies goed geplaatst op de avondzon. De tafel had inderdaad een verbroederende werking. Zelfs als wij er even niet waren, zaten er mensen voor onze deur te kletsen.
Maar in de herfst werd het doodstil, en de tafel grijs en groezelig. Regen kletterde erop neer. Fietsen werden er tegenaan gezet. Vuilniszakken erbovenop. Man verdween.
De tafel mag haar smetteloze uitstraling dan wel definitief zijn kwijtgeraakt, – met krassen en zwarte brandplekken door een aansteeklont met Oud en Nieuw – maar ik zit er nog!
Waar ik volgend jaar zit, weet ik niet. Niet hier in elk geval. Niet met deze buurvrouwen.
Er kwamen net twee makelaars langs om ons huis te taxeren. “Een héél gewild pandje”, zeiden ze, “voor een gezin met kinderen en iemand met kantoor aan huis.”
“En op de stoep kunnen ze ook leuk zitten,” zei ik.

3 reacties


maandag 03 april 2017

Column Trouw, 1 april

Beste ex,

Je hoeft je niet te schamen als je over het schoolplein loopt en denkt aan de mensen die mijn column misschien hebben gelezen. Want alles wat ik hier schrijf is de waarheid zoals ik die ervaren heb. En als er mensen zijn die slecht over je denken: ze kennen jou niet.
Beste ex, jij gaat door met je nieuwe leven en ik ben achtergebleven in het oude. Dat is nu het grote verschil tussen ons. Als de meisjes niet bij jou zijn, drink je ’s avonds een wijntje met je leuke nieuwe huisgenoot, of je stuurt een mailtje naar je leuke nieuwe vlam.
Ik woon in een rouwadvertentie. Alles hier ademt jou, ons, en het mislukte gezin. Dat wat stuk is en ik niet heb kunnen repareren. En de waterkoker die jij gelijmd hebt, – omdat ik die door de kamer had gesmeten – is gister ook weer uit elkaar gevallen.
Als de meisjes bij jou zijn, maak je spaghetti bolognese voor het hele scheidingshuis. Het is zo te horen een gezellige boel daar. Jij creëert overal wel weer een nieuw gezin.
Jij maakt er tenminste iets van, zeg je. Dat is waar. Jij was er altijd al goed in iets van het leven te maken. Dat vond ik ook juist zo leuk aan jou.
Maar hee, ik maak ook iets van het leven. Dit. Verhaaltjes. Mijn moeder zei laatst dat ik wat meer humor in mijn stukjes moest gaan stoppen, omdat ik daar zo goed in ben.
Als de meisjes weg zijn, kom ik alleen nog op mijn werkkamer. De rest van ons huis is een stilleven waarin ik zo min mogelijk besta. Ik doe geen boodschappen, gebruik geen fornuis. Er staat één koffiekopje op het aanrecht. En als ze op zaterdag terugkomen, staan de drie glazen van de woensdagmiddaglunch nog buiten op tafel. Vol regenwater. Het picknickkleed doorweekt. Op twitter noemde iemand me ‘zeurmevrouw’ en ‘get a life.’
Beste ex, ik verlies mijn maatje, mijn liefje, mijn gedeelde herinneringen, mijn gedeelde toekomst en dan ook nog eens de helft van de tijd mijn kinderen.
Maar hee, op een dag zou alles tóch verdwijnen!
Liefs van je ex, ja liefs omdat wij hier nu eenmaal door ons beider toedoen in verzeild zijn geraakt. Het liefst ging ik nu op wereldreis met ons vieren. Nee, jij niet. Dat weet ik wel.

 

14 reacties


donderdag 30 maart 2017

Er is licht

Het wordt de hoogste tijd dat ik aan ‘Ik nog wel van jou’ ga werken. Je kunt het boek al bestellen
Er is een cover, een achterflap. Er zijn ook heel wat woorden. Nu nog de concentratie. Maar het is lente. Er is licht. Tijd om iets te maken. Daarom op deze plek wat minder dagelijkse stukjes. Maar iedere maandag in elk geval de column uit Trouw.

4 reacties


maandag 27 maart 2017

Column Trouw, 24 maart

EEN WONDER

Ik kuste mijn dochters en stuurde ze met hun logeer-, school- en gymtassen het hondenweer in. Bij de vuilcontainers op de hoek zat hun vader – of wat daarvoor door moest gaan – in zijn wagen te wachten. Het vuilnis, dacht ik, dat is de plek waar hij thuishoort.
Ik had die man een maand niet gezien of gesproken en het zag er niet naar uit dat daar ooit nog verandering in ging komen. Ik had hem geblokkeerd voor WhatsApp en sms-verkeer. We moesten elkaar af en toe wel mailen voor praktische zaken. Na lezing verwijderde ik zo’n mail direct. Zelfs zijn naam kon ik niet in mijn buurt verdragen.
Ik had aan die twee schatten uitgelegd dat papa en mama nu dus echt ruzie hadden, dat we daarom van de een op de andere dag niets meer met z’n vieren deden, maar dat we de ruzie natúúrlijk een keer op zouden lossen.
‘Zijn jullie daar eigenlijk al wél mee begonnen?’ vroeg de elfjarige.
‘Ja, ja.’
Ik weet best wel dat de kinderen op de eerste plaats komen en dat je voor hen soms iets vervelends moet doen, zoals gezellig eten met je ex, maar ik kon me niet voorstellen dat zo’n etentje nu ook maar enigszins ontspannen zou kunnen verlopen, laat staan gezellig. Hun verjaardagsfeestjes, allebei in mei, het leek me al godsonmogelijk. Een vechtscheiding scheen me nog reëler toe. En dat was best eng.
Veel mensen hadden zich afgevraagd waar mijn woede toch bleef. Nou, hier was-ie dan! Allesvernietigend. En ik voelde me beter en sterker dan ik me in tijden gevoeld had.
Maar ik heb die meisjes, voor wie dit nooit de beste oplossing kan zijn.
Dus ging ik weer een dag familieopstellingen bijwonen in Nijmegen en daar gebeurde het. Haarscherp zag ik in wat míjn grote aandeel was in het vertrek van man. Het onderliggende familiepatroon dat ik mijn leven lang gevolgd heb. Onbedoeld. Maar toch. Hij was best kansloos.
In de trein terug mailde ik:  ‘Mijn boosheid is helemaal weg. We kunnen wat mij betreft dit weekend zelfs wel iets met z’n vieren doen.’
Een dag later gingen we al met het gezin naar de film en daarna uit eten. Dat was fijn. Maar het fijnste vond ik de rit op het pontje van KNSM-eiland naar Amsterdam-Noord, heel dicht tegen elkaar aan gezeten, vanwege de drukte, allebei een meisje op schoot, zonnetje erbij. Het was een wonder.

16 reacties


maandag 20 maart 2017

Column Trouw, 18 maart

Film

De film van het moment dat hij me het nieuws mededeelde, heeft zich nu al miljarden keren in mijn hoofd afgespeeld. Steeds opnieuw zie ik ons in de tuin zitten op die eerste, haast zwoele lenteavond, en hoor ik mezelf al die vragen stellen waarop hij glimlachend antwoordt: “Dat wil ik jou niet vertellen.”
Steeds opnieuw zie ik hem glimmen terwijl hij over haar praat.
“Maar wat doet ze dan?”
“Niet veel soeps.”
“Leuk!”
De blik in zijn ogen. Zijn hele houding. Ik herken alles in één oogopslag. En ben onmiddellijk terug in de tijd dat hij zo naar mij keek. Terug bij het moment dat wij elkaar voor het eerst zoenden. Dat zíj elkaar voor het eerst zoenden. Ik zie haarscherp voor me hoe hij naar haar kijkt. Zijn lachje.
Keer op keer ook hoor ik hem zeggen dat ze elkaar veel mailen en onherroepelijk zijn daar dan de vele brieven die wij elkaar stuurden. ‘Ik wil je vasthouden, omhelzen. Heel simpel. Heel leuk.’ De woorden nog vers in mijn geheugen.
Ik zie onze namen onder elkaar in zijn mailbox tevoorschijn komen, de mail waarop hij zit te wachten en: ‘Turnen hoe laat?’
Steeds opnieuw is daar ook weer het einde van de film, hoe ik hem het huis uit flikker.
We hebben elkaar sindsdien nog niet gezien.
De afgelopen dagen huilt de zesjarige elke nacht dat ze bang is. En dan ga ik bij haar in bed liggen. En ze wil steeds hetzelfde verhaaltje, over dat we op een wolk liggen en boven de stad drijven. En dan moet papa ook op de wolk. Zo liggen we met z’n vieren op de wolk. We tappen er moppen en we lachen. En ik voel hoe haar lijfje zich bij elk woord meer ontspant. Op het eind van het verhaaltje zetten we papa toch maar weer af bij zijn huis. We zwaaien: doei, doei! Tot de volgende keer!
“Wij blijven altijd je papa en mama, wij samen,” zeg ik.
“Ja, hè!” Een glimlach van oor tot oor. “Maar ik wil ook zo graag iets samen doen.”
“Wat dan?”
“Gewoon. Thuis. Eten?”
En dan beloof ik haar dat we dat doen. En dan komt er een nóg veel grotere glimlach. Ze valt in slaap. Met haar hand in de mijne. En ik weet niet wat er gebeurd is, waardoor we nu niet eens samen kunnen eten. En dan begint de film weer.

7 reacties


zaterdag 18 maart 2017

Een strategie die niet werkt

Een vriendin zei: ‘Je moet niet twee jaar blijven wachten tot het allemaal over is.’
Dus had ik op vrijdagavond een afspraak bij een tapasbar met een man die ik niet kende.
De tapasbar was vol. We gingen naar het café in de buurt. We zaten naast elkaar op barkrukken en dronken droge witte wijn. Zoute amandelen erbij.
De man gaf me een Lessons Learned boekje met de titel: Een strategie die werkt. Het ging over topmanagement. We praatten over politieke voorkeuren. Hij had VVD gestemd maar vertelde erbij dat hij werk deed dat eigenlijk heel links was. Een beroemde acteur kwam binnen en bleef middenin het café staan. Straalbezopen. Onder een spotlichtje.
Toen was er plek aan de tapasbar. We moesten daar schreeuwen om elkaar te kunnen verstaan. Het was niet ongemakkelijk, of onaangenaam, of wat dan ook. Maar het had exact het tegenovergestelde effect van wat ik beoogd had. Hoe verder de avond vorderde, hoe groter het missen.
De man vroeg: ‘Als je ex nu voor je deur stond, wat dan?’
En toen ik door de regen terug naar huis fietste, was ik weer helemaal terug bij af. Ik zou zo rechtdoor naar het scheidingshuis gefietst zijn, om stilletjes naast ex in bed te kruipen.

2 reacties


donderdag 16 maart 2017

De dubbele laag

Mijn cursisten hadden een zondagmiddag uit hun jeugd beschreven. Vaak gaan die verhalen over verplicht kerk- of familiebezoek. In deze groep gingen ze bijna allemaal over de scheiding van hun ouders. Het moment voordat de ouders het nieuws vertelden, de komst van de nieuwe stiefvader, – ‘Franz maakte onze gordijnen open’ – de ouders die maar 500 meter bij elkaar vandaan woonden, alleen een kruispunt tussen hen in, – ‘wel een gróót kruispunt’, zei de cursiste snel – en het kind dat elke week na drie-en-een-halve dag de oversteek moest maken. Met een rolkoffer vol spullen. ‘Het was niet de bedoeling dat ik op de dagen van mijn vader ook bij mijn moeder kwam.’
De ouders die denken dat ze het prima geregeld hebben. Die elkaar een zoen geven ter begroeting. Het kind dat jaren later haarscherp een dialoog tijdens de ‘overdracht’ opschrijft. Nietszeggend. Vriendelijk = dodelijk.
De ouders die doen alsof het prima gaat.
De ouders die meer dan drie kwart niet in de gaten hebben van wat het kind meemaakt en begrijpt. Ze hebben werkelijk geen idee. Nee, ik ook niet.
De details die bij al deze mensen nog in het geheugen gegrift staan. Bijvoorbeeld: de manier waarop de moeder een schaal koekjes gevuld heeft. Overdreven veel. Overdreven gezellig. En dan wordt de boodschap verteld.
Ik luisterde naar de verhalen. De dubbele laag zat er vanzelf in. Daar had niemand deze keer moeite voor hoeven doen.

4 reacties


maandag 13 maart 2017

Column Trouw, 11 maart.

Het goede verhaal

Voor ik de meisjes op ga halen bij opa en oma, pleur ik zijn kleren scheermesjes, aftershave, pak condooms, in drie Euroshoppers en zet ze klaar in de keuken met een briefje erop. Dag ex, ik heb je spullen voor je ingepakt. Groet ex. Als we thuiskomen, zijn de tassen weg en ligt er een briefje op tafel. Bedankt voor de verhuisservice. Zo staan we ervoor.
Toen ik aan deze inval-columnreeks begon, dacht ik: binnen drie maanden is het ook vast goed gekomen. Dan zal de verdwenen liefde van man wel teruggekeerd zijn. Dat is gebeurd. Zijn liefde is teruggekeerd. Maar bij een ándere moeder met twee kinderen. Een kleine weeffout van de liefde.
Maar dít verhaal zou ik niet vertellen.
Ik wilde mijn uiteenvallende gezin weer ‘heel’ schrijven. Helaas heb ik als schrijver geen enkele hand in de loop ervan. De greep die ik heb, is die van een drenkeling die een reddingsboei vasthoudt. En niet weet waarheen ze zal drijven.
De werkelijkheid laat zich niet beïnvloeden. Die trekt zich nergens iets van aan. Maar wat zou ik voor schrijver zijn als ik het niet eens zou proberen?
Misschien had ik toch dictator moeten worden.
Ons gezamenlijke verhaal bestaat nu niet meer. Ex weet zeker dat het leven met mij een verschrikking was, een kale akker, waaraan hij ternauwernood heeft weten te ontsnappen. Ik denk nu dat ik een kwart eeuw in het gezelschap van een pokerface verkeerde, iemand die ik meer vertrouwde dan mezelf.
Er bestaan alleen nog twee afzonderlijke verhalen die elkaar nergens kruisen. Ze plaatsen ons leven samen, achteraf gezien, in een heel ander licht.
Maar er is niet één kloppende werkelijkheid. Er is niet één waarheid. Het is wat je ervan maakt. Wij maken er niks goeds meer van. Ons gezin is uit elkaar gevallen. We blijven over met de brokstukken.
De meisjes begrijpen al helemaal niet waar het gezamenlijke verhaal ineens gebleven is. Dat zullen wij toch écht een keer opnieuw voor ze moeten gaan creëren. Van voren af aan. Woordje voor woordje. Zin voor zin. Zo goed als mogelijk. Al betwijfel ik of iemand van ons er uiteindelijk gelukkiger van zal worden.
Goed, ik hoor net dat ik door mag gaan met deze column. Het verhaal hier is nog niet afgelopen. Misschien heb ik gewoon iets meer tijd nodig om te vertellen wat ik van plan was? Zeker weten doen we niets.

12 reacties


donderdag 09 maart 2017

Ons drie

We zaten in het Vondelpark op een schommel voor drie personen. Ik in het midden en links en rechts van mij een dochter. Het was heel erg zonnig. We hadden net koffie, cola, appelsap gedronken op een terras, en één stukje appeltaart met slagroom erbij. Dat was een hommage aan de afwezige misschien? De appeltaartjesmaniak.
Maar er was niet echt een afwezige, dat was het mooie. We waren op die zonnige ochtend voor het eerst gewoon compleet. Met ons drie.

6 reacties


maandag 06 maart 2017

Column Trouw, 4 maart

Spanningen

Met vier collega’s verbleef ik een lang weekend in een vakantiehuisje in de Ardennen en de onderlinge spanningen liepen per uur hoger op. Ik stond buiten te roken. De lucht was er inktzwart. Het was doodstil. Ik besefte dat man al wekenlang van mijn zijde verdwenen was. Helemaal weg. Waar iets van hem me vroeger altijd vergezelde, was ik nu echt alleen.
Mijlenver van huis leek ik, waar man en de meisjes lagen te slapen. Alleen ík hoefde me daar nu nog maar bij te voegen. Dan zou alles goed zijn.
Op zondagavond kwam ik thuis. Uitgeput. Het viel me op dat man zijn hagelwitte blouse iets te ver open had geknoopt. Lente is in de lucht, dacht ik. En: thuis zijn doet hem goed.
Het deed mij ook heel goed. We aten met z’n vieren. Ik ging in bad. We brachten de meisjes samen naar bed.
“Mama, wil jij aan papa vragen of hij vannacht bij ons blijft slapen,” fluisterde de zesjarige. “Alsjeblieft.”
“Waarom vraag je hem dat zelf niet?”
“Dat durf ik niet.”
“Je weet dat papa naar de boot gaat, hè.”
“Ja, maar ik wil het zo graag.”
Voor man terugging, kletsten we nog wat over de spanningen in de Ardennen. We rookten buiten een sigaretje. De lucht was hier zacht en een stuk lichter.
Hij zei: “Ik las in de krant dat ik het je moest zeggen als ik een ander had.”
“In de krant?” zei ik. “Was je dat gesprek vergeten dan?”
Hij glimlachte ongemakkelijk. En toen zei hij het.
“Hoe lang dan al?”
Hij schonk nog een wijntje voor ons beiden in en zei hoe lang.
“Zo lang al,” zei ik. En: “Ik hoop echt voor je dat je gelukkig wordt.”
“Dat vind ik fijn dat je dat zegt.”
“Ik vind het fijn dat je het mij toch verteld hebt.”
Hij vertelde nog iets over de andere vrouw. Ik stak de ene sigaret met de andere aan en zei dat hij ons vieren nu echt kapot had gemaakt.
“Zie je wel,” zei hij, “ik kan tegen jou ook níéts persoonlijks zeggen. Dan word je meteen boos.”
Hij pakte een sigaret uit het pakje.
“Je kunt nu geloof ik beter vertrekken.”
“Ja.”
“En snel.”
Mijn ex liep naar binnen, ging zitten en begon zijn glimmende schoenen rustig dicht te veteren. Ik liep op hem af. “Ik zou nu maar héél rap maken dat je wegkomt.”

2 reacties


vrijdag 03 maart 2017

Lichtheid en cup-a-soup

De meisjes waren een paar dagen bij hun vader en ik at ’s avonds maar weer een cup-a-soup. Sinds ik alleen ben, is de cup-a-soup weer in mijn kast terechtgekomen en de instant noodles. Net als toen ik 25 jaar geleden op kamers ging. Maar toen kon ik niet koken, nu vind ik het zonde om pannen vies te maken en ik vind het zonde van het geld om boodschappen voor mezelf te doen.
Na de cup-a-soup ontmoette ik een heel onbetrouwbare vriend bij de tramhalte en gingen we naar een boekpresentie. De speeches waren lang. De wijn kwam uit de tap. Ik at twee koud geworden Vietnamese loempiaatjes. Voor de voedingsbodem.
Ik vond de heen en de terugreis het leukst, de wandeling door het Vondelpark, we spraken over de verdwijning van de lichtheid in het schrijven en hoe Remco Campert die sprankeling zijn hele leven had weten te behouden. Ik dacht aan Het leven is Vurrukkulluk dat zich op deze plek afspeelde. Ik dacht aan de oude meester die hier ergens woonde. We zouden bij hem kunnen aanbellen.
‘Ik zou het ook niet meteen verteld hebben als ik een ander had,’ zei de vriend. ‘Een one-night-stand bijvoorbeeld moet je dat zeggen?’
‘Ik vind vertrouwen het belangrijkste van alles,’ zei ik.
‘Als het een paar maanden aan de gang is, dan vind ik het nog wel kunnen’ zei hij, ‘als het anderhalf jaar is, is dat een ander verhaal.’
‘Ik weet niet of ik het zélf wel meteen verteld zou hebben als ik in zijn schoenen stond,’ zei ik, ‘eerlijk is eerlijk.’
‘Ik ga niet vreemd,’ zei hij, ‘en als ik wel vreemd zou gaan, zou ik het nooit zeggen. Ook niet tegen een goede vriendin.’
En zo keuvelden we nog wat over zuiverheid, geheimen, leugens, over wat normale communicatie nu eigenlijk is, en waar ergens we ons bevonden binnen het autistische spectrum.
‘Het zou me niet verbazen als jij ook heel hoog scoorde op die test,’ zei hij.

4 reacties


maandag 27 februari 2017

Column Trouw, 25 feb

Zelfkennis

We waren geen mensen die zouden trouwen. We waren geen mensen die kinderen zouden krijgen. We waren al helemaal geen mensen die in een Vinex-wijk zouden gaan wonen. En van alle stellen die we kenden, zouden wij de laatsten zijn die uit elkaar gingen.
Over een week verhuist man naar het Parents House. Een tijdelijk opvanghuis voor mensen in scheiding. Drie jaar nadat wij op IJburg kwamen wonen, werd het opgericht door dominee Visser. Er waren veel buurtbewoners die protesteerden tegen de komst ervan omdat ze bang waren voor waardevermindering van hun huizen.
Ik weet nog dat we grapjes maakten over onze Vinex-wijk die als bijnaam Scheiburg heeft. Over de wachtlijsten die er al waren vóór het huis geopend was. En over de straat die ‘het testosteronstraatje’ werd genoemd.
We vonden het toen maar komisch. Dat scheidingshuis.
Zelfs de gedáchte dat wij van deze voorziening gebruik zouden kunnen maken, kwam niet in ons op. Heel goed dat zoiets bestond. Maar voor een ander slag mensen. In een parallel universum.
We hadden nooit, maar dan ook nooit, kunnen bevroeden dat dat universum drie jaar later al het onze zou zijn.
“Het is een heel grappig huis!” zei man na bezichtiging, “ik krijg een best ruime kamer waar de meisjes en ik kunnen slapen.”
“Wij doen gewoon IJburg all the way.”
“Misschien is het ook wel leuk om met anderen te wonen?”
“In elk geval leuker dan met mij, hè?”
Man deelt woonkamer, keuken en badkamer met twee andere vaders in scheiding en hun kinderen. Een soort studentenhuis waar het vaak knoertgezellig schijnt te zijn. Al waren we nooit zulke knoertgezellige mensen.
We waren geen mensen die veel anderen nodig hadden. We waren ook al geen mensen die met een vreemde mevrouw over onszelf zouden gaan praten.
Rijst nu de vraag wat voor mensen we dan in hemelsnaam wèl waren? Dat gaan we dus uitzoeken. Met die mevrouw.
Het scheidingshuis, daar is niets komisch aan. Het geeft ons een jaar ruimte om onze vastgelopen patronen te doorgronden en alle praktische zaken goed af te handelen. Zodat we straks echt samen verder kunnen. Als ouders.
Het gaat nu eigenlijk best goed. Al had ik bij ‘goed’ ook al een totaal ander idee. En kan ik me nog steeds iets véél beters voorstellen. Maar wie ben ik?  Ik durf er geen enkele bewering meer over te doen. Ik blijf aan het bijstellen.

2 reacties


donderdag 23 februari 2017

Dag vier

Op dag vier nadat mijn grote angst waarheid werd, was het code oranje, en lag ik ’s middags op de bank naar de zwiepende houten schutting in mijn tuin te kijken. Er raakten steeds meer planken los. Het woei zo verschrikkelijk hard dat het er de hele dag niet van gekomen is, naar buiten gaan, de boodschappen, leven. Dat was veel te gevaarlijk. Het beste wat een mens kon doen, was doodstil blijven liggen en wachten tot de storm een keer zou gaan liggen.
In de vooravond haalde ik toch de t-shirts van ex van het wasrek en legde ze op zijn voormalige werkkamer. Eenmaal daar kon ik het niet laten ook even te kijken in één van de koffers. Het eerste wat ik eruit pakte was een a-viertje met een speech die een vriendin van ons had uitgesproken op ons huwelijk. Bij ons thuis. Aan de keukentafel. We waren leuke eigenzinnige mensen, stond er, die gingen trouwen. Ook schreef ze dat we open waren over wat we dachten en voelden, en dat dat zo inspirerend was aan ons. Ik las nog een paar brieven die in die koffer lagen en die begonnen met ‘mijn liefste.’
Ik liep al drie dagen rond met het idee om al die brieven weg te gooien.
Maar dat lukte niet.
Toen viste ik een foto van ex uit een schoenendoos vol foto’s, ik wilde zijn hoofd verscheuren, maar ook dat lukte niet. Omdat er toen die foto gemaakt werd nog helemaal geen andere vrouw in dat hoofd zat. Ik zag een wat stugge jongeman. Met diepliggende ogen en wild haar. Die argwanend de camera in keek. Die kon ik gewoon niet verscheuren. Dat was mijn ex ook niet.

Geen reacties


woensdag 22 februari 2017

That’s it

De meisjes logeren bij opa en oma. Vandaag heb ik alleen de kat om voor te zorgen en de kat is loeikwaad omdat zij niets te eten krijgt. Ik verlaat het huis voor kattenvoer. De plek waar gisteravond de auto van ex nog stond, is leeg. Dat is maar goed ook. Ik moet die kar niet meer in de buurt zien staan. Hoe een gevoel van het ene op het andere moment 180 graden kan omslaan, is iets angstaanjagends.
Want wat was dan het échte gevoel? Hoe flinterdun is de grens tussen liefde en haat? Er hoeft maar dít te gebeuren.
Met natte haren loop ik door de AH. Zelden heb ik op deze manier door de wereld gemarcheerd. Alsof ik een jaar lang fulltime yoga achter de rug heb. Om te leren aarden. Zo aanwezig ben ik. Maar dit is het tegenovergestelde van yoga. Dat weet ik wel. Mijn hart klopt er veel te snel voor. Op straat en in de winkel óveral vrouwen met twee kinderen. Ze zouden haar allemaal kunnen zijn. Is er eentje bij die schichtig wegkijkt als ik eraan kom? Is er eentje bij die zich achter de schappen met wc-reiniger verstopt? Och, die vrouw maakt me feitelijk niet uit. Het enige dat mij uitmaakt ben ik. En hier ben ik! Waar was ik toch al die tijd gebleven?
Nee, het enige dat mij uitmaakt zijn de meisjes en ik.

3 reacties


maandag 20 februari 2017

Column Trouw, 17 feb

Het systeem

“Mensen kiezen hun partner niet op hun blauwe ogen, maar op hun achtergrond,” zei de coach.
We weten allang dat een vrouw kiest voor iemand die op haar vader lijkt en een man trouwt zijn moeder. In díe valkuil waren man en ik in elk geval niet getrapt. Zijn moeder en ik zijn totaal verschillende types, zoals mijn vader en hij twee absolute tegenpolen zijn.
Maar ik had nooit aan de verborgen dynamieken in onze familiesystemen gedacht. Logisch. Wie denkt er aan iets wat verborgen is?
Ik woonde een hele dag familieopstellingen bij. In de ochtend ging ik er goedgemutst naartoe. Vast van plan één en ander onder ogen te zien, zodat het weg zou smelten als sneeuw voor de zon. We zaten in een kring van zesentwintig mensen die allemaal ergens in verstrikt zaten.
Het was een soort groepstherapiesessie waarin niet gepraat werd, maar waarin het probleem werd uitgebeeld. De groepsleden kozen elkaar als plaatsvervangers van hun familieleden en stelden zo het innerlijk beeld van hun familie op, als een soort tableau vivant, in het midden van de kring.
De show, don’t tell-methode van de therapievormen. Vertel het niet, maar laat het zien. Het is onmogelijk hier uit te leggen hoe het precies in z’n werk gaat.
Ik leerde over de onbewuste patronen die kinderen van hun ouders overnemen. Ze spiegelen ons.
“Dán ga ik bij jou weg!” roept mijn zesjarige tegenwoordig zodra haar iets niet bevalt.
Ook leerde ik dat ons gedrag alles met ons verleden te maken heeft. En als we dat niet erkennen, zal het zich van generatie op generatie blijven herhalen.
“Loyaliteit is destructieve liefde,” zei de coach.
Mijn vraag kwam die dag niet aan de beurt, ook werd ik  – als enige – niet één keer door mijn medegroepsleden gekozen om hun dode oma, moeder of gehandicapte zus te representeren. Toch leerde ik erg veel.Wij mensen verschillen nauwelijks van elkaar.
Maar naarmate de dag vorderde, werd ik hoe langer hoe minder goedgemutst.
“Ik hoor er niet bij,” hoor ik mijn elfjarige keer op keer zeggen. “Ik ben een loner. Naast mij wil nóóit iemand zitten.”
‘s Avonds dwaalde ik huilend door de straten van een vreemde stad, – die trouwens wel mijn geboortestad is – het hagelde, en op het station aangekomen at ik een koud saucijzenbroodje.
“Je bent zachter geworden,” had de coach gezegd. “Je voelt het verlies, dat is alleen maar winst.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6 reacties


woensdag 15 februari 2017

Helaas

De meisjes en ik werden één voor één getroffen door de buikgriep.
Ik lag opgekruld in bed en kreeg een kruikje van man. Vroeger kreeg ik elke avond een kruikje. Sinds hij het huis uit is, heb ik nooit meer een kruik in bed gehad. Het was simpelweg niet hetzelfde kruikje. Nu lag ik weer in bed met de kruik. Kotsmisselijk. Zijn hand aaide zachtjes over mijn rug. Op de plek waar hij vroeger lag, stond nu een emmer.
“Ga jij maar slapen,” zei hij. “Ik blijf wel hier vannacht.”
Hij sloot de slaapkamerdeur, ik mijn ogen. Ik voelde me hondsberoerd, maar was de volgende ochtend – helaas – alweer een heel stuk opgeknapt.

Geen reacties


maandag 13 februari 2017

Column Trouw, 11 feb

HET GAAT GOED

“Zo gaat het echt goed”, zeg ik. “Vind je niet?”

“Ja,” zegt hij.

“Jij vindt het ook gezellig, toch?”

“Ik vind het ook gezellig.”

“We voelen ons alle vier beter als we samenzijn. Dat zie ik.”

“Ik heb wel het idee dat je weer hoop krijgt omdat ik hier vaker ben.”

“Waarom zou ik geen hoop mogen hebben?”

“Mogen, mogen.”

“Ik voel me gewoon stukken beter als ik iets van hoop heb.”

“De liefde is er niet.”

“Die is er wel hoor. Ook bij jou. Dat voel ik. De liefde is ondergesneeuwd. We moeten snel sneeuw scheppen. Voor de liefde echt verstikt is.”

Hij zwijgt.

“Ik heb altijd achteraf gelijk, met alles, weet je nog?”

“Nee,” zegt hij.

“Je zou weer verliefd op me kunnen worden. Dat kán gebeuren. Het zou mooi zijn voor de meisjes als we weer verliefd waren, toch?”

Hij zwijgt.

“Waarom zeg je niks?”

“Hier kan ik niet in meegaan.”

“Waarom niet?”

“Het is het tegenovergestelde van wat ik voel.”

“Ja, op dít moment ja.”

“Volgens mij is het voor jou niet goed als wij elkaar zo vaak zien.”

“Het is toch gezelliger?”

“Ja, maar jij krijgt hoop.”

“Ik begrijp intussen echt wel hoe het zit hoor. Maar ik ben tevreden met een halve man of een kwart man.”

“Dat ben je niet echt.”

“Als ik je zie, voelt het beter dan als ik je niet zie. Als we samen eten, een beetje kletsen. Als je mijn nek masseert, me vasthoudt…”

“Maar ook dán is de liefde er niet,” zegt hij.

“Dat weet ik wel.”

“Het is vertrouwdheid.”

“Dat vind ik ook prima. Als het zo maar blijft.”

“We moeten verder.”

“Ingrid. Angela. Karin. Jolanda. Rosa. Elke nacht droom ik deze vrouwennamen.”

“Waarom begin je daar steeds over?”

“Zeg je het wel als je een ander hebt?”

“Ik zal het zeggen als ik een ander heb.”

“Ik begrijp het gewoon niet,” zeg ik.

“Sorry.”

“Zelfs als je het niet voelt, kun je het toch op z’n minst probéren. Omwille van mij, omwille van het gezin. En als het dán niet werkt, heb ik er ook vrede mee.”

“Maar ik wíl dat niet.”

“Dat is gewoon weglopen.”

“Ik heb het al geprobeerd.”

“Dus jij voelt je goed nu?”

“Ja, ik voel me elke dag weer opgelucht.”

“Ik wou dat je het genuanceerder zei.”

“Maar het ís niet genuanceerder!”

“Niet huilen. Hè, nu is de avond mislukt!”

 

 

 

1 reactie


vrijdag 10 februari 2017

Borrel

Bij thuiskomst trof ik mijn gescheiden buurvrouw rokend op een krukje, in haar smalle halletje, de voordeur op een kier, een lege fles wijn naast haar.
‘Waarom moet ik altijd alles alleen doen?’ zei ze.
We bezochten de buurtborrel in het café op de hoek van onze straat. Allemaal gelukkig getrouwde stellen. De buurmannen spraken over World Wide Domination en de vrouwen doopten hun vingers in kaarsvet, wreven er zachtjes mee over hun neus, en hadden het over Passionele Liefde. Er waren flessen wijn, er was whisky en de traditionele schaal bitterballen. Het was de eerste keer dat ik zonder man bij een buurtborrel was. De borrel ging gewoon door, dat was het vreemdste. Ook zonder hem. De buurmannen leken hem helemaal niet te missen. De nieuwe status quo werd zonder slag of stoot aanvaard.
Ik keek rond, stak een bitterbal in mijn mond en besefte dat dit het was. Hier hoor ik niet meer bij, dacht ik.
Mijn gescheiden buurvrouw en ik giechelden. Als twee bakvissen.
Zoals er vroeger een tweedeling was tussen de moeders en de niet-moeders, zo voelde ik nu voor het eerst de tweedeling tussen de stellen en de alleenstaanden.
Rond middernacht stond ik met een paar gelukkig getrouwde buurvrouwen buiten te roken en één van hen zei: ‘Gescheiden vrouwen horen er ook bij.’
“Ja,’ zei een andere, ‘die zijn er toch gewoon óók?”

1 reactie


woensdag 08 februari 2017

Toekomst, verleden, heden

‘Mama! Het is kwart over acht!’ de elfjarige kwam mijn kamer instormen. Na een nacht nauwelijks slapen, versliep ik me. Binnen kwartier moesten de meisjes en ik alles gedaan hebben. Ontbijt, kleren, haren, broodtrommels, gymspullen. Dat lukte. Maar mijn eigen verzorging liet te wensen over. Met dikke slaapogen trof ik man voor de basisschool. Voor we naar de tweede afspraak gingen bij de mevrouw die ons helpt, zouden we een wandelingetje maken om het over De Toekomst te hebben. Daar hadden we exact een half uur voor.
‘Ik heb eerst koffie nodig,’ zei ik.
We liepen naar de Bagel & Beans en namen elk een dubbele espresso.
‘Ik wil eigenlijk niet over de toekomst praten,’ zei ik toen we de koffietent weer uitliepen, ‘gek hè?’
‘Maar jij wou wandelen en over de toekomst praten.’
‘Ja, maar dat was vorige week. ik heb nu helemaal geen zin meer om over de toekomst te praten.’
‘Ik denk toch dat we het huis moeten verkopen,’ zei hij.
Nadat we heel kort over de Toekomst gepraat hadden, kwamen we bij de mevrouw aan. En daar moesten we het Verleden onder ogen zien. Het verleden bleek van meer invloed dan we dachten. Het interessantste was: het verleden is niet voorbij.
Daarna was er het Heden waarin we door de Albert Heijn liepen. Het was lang geleden dat we samen boodschappen hadden gedaan. Hij een mandje om zijn arm. Ik een mandje.
‘Wat zullen we vanavond eten?’ vroeg ik.
‘Jullie kunnen zalm met tomaatjes eten,’ zei hij, ‘dat vinden de meisjes lekker.’
We liepen naast elkaar door de Albert Heijn, maar hij legde geitenkaas en gnocchi in zijn mandje en ik zalm en tomaatjes.

1 reactie


maandag 06 februari 2017

Trouw column, 4 feb

Kleine dingen waar ik stiekem blij van word.

Dat we de komende drie weken minstens twaalf middelbare scholen moeten bezoeken met de elfjarige en daardoor verplicht zijn veel vaker samen te eten dan Het Schema voorschrijft.
Dat we ons sowieso slecht aan ons eigen schema blijken te houden.
Dat het beter met ons gaat als we elkaar door de week wél af en toe zien, dan als wij elkaar helemaal niet zien.
Bij thuiskomst de auto voor onze deur zien staan met een achterbak vol hout voor in de kachel.
Man die voor mij en hem een Indiase curry heeft gemaakt en voor de meisjes spaghetti bolognese. En dat hij als hij de curry serveert, zegt dat er eigenlijk nog verse koriander bij moet en gehakte cashewnoten. Het halve limoentje naast mijn bord, de andere helft knijpt hij fijn boven zijn bord.
“Heb je cashewnoten?” vraagt hij.
Dat ‘je’ verpest de boel heel even.
Er, vlak voor ik naar de les vertrek, toevallig achter komen dat er weer een achterlampje op mijn fiets zit.
Zijn veel te grote skihandschoenen aan hebben.
Dit appje ontvangen: ‘Hoe ging je les?’
Bij thuiskomst op het raam tikken, in plaats van in mijn tas naar de huissleutel zoeken.
Zijn oude legerdumphandtas gebruiken.
Zijn lippen die per ongeluk vijf tellen op de mijne blijven hangen, in plaats van de ene tel die normaal voor een afscheidszoen staat.
Dat we 2017 – ondanks alles – gewoon met z’n vieren onder één dak zijn begonnen, en dat ik voor het eerst in maanden zijn stem weer hoorde in de morgen. Al kwam die uit de logeerkamer.
Zijn stem en de lach van de zesjarige.
Op de eerste dag van het nieuwe jaar met het gezin de uitpuilende afvalcontainers van La Place in Hilversum doorzoeken. Met witte wegwerphandschoenen aan.
We waren alweer bijna in Amsterdam toen de elfjarige erachter kwam dat haar beugel niet in haar mond zat.
Ik had geen beter beeld kunnen bedenken dan dat van het uiteengevallen gezin, op 1 januari, gehurkt op het grauwe achterplaatsje van een restaurantketen, graaiend in vele reuzenvuilniszakken.
Het gezamenlijke doel dat ons bond.
De triomfantelijke kop van man toen hij tenslotte het beugeltje uit een met ketchup doordrenkt servetje viste en omhooghield.
Zijn uitroep: “Zie je wel! Ik vind altijd álles terug!”
Tot nu toe is man inderdaad altijd degene geweest die terugvond wat verloren was geraakt, niet ik.

 

 

2 reacties


donderdag 02 februari 2017

Oud Mannetje

Ik legde mijn broeken op de vrijgekomen planken van de klerenkast en zag toen de achtergebleven boxershorts (die met het losse elastiek, de meest verschoten exemplaren) wel tien paar sokken, een plank met zomerbroeken en daar lag het donkerblauwe vest met pluisjes waarin hij in zijn oude leven leek te wonen, – al vond ik altijd dat hij daarin op een oud mannetje leek – maar waarmee hij zijn nieuwe leven kennelijk toch niet had willen beginnen.
Niet als oud mannetje.
Ik sloot de klerenkast en ging op de rand van het bed zitten.
Misschien moet ik alles weghalen, dacht ik, wat aan hem doet denken. Misschien moet ik alles op die ene kamer leggen en de deur dichtdoen.
Toen kwam er een app-bericht binnen van een vriend.
‘Je zag er erg goed uit gisteravond. Misschien is er toch iets wezenlijks veranderd, en weet je lichaam het al, maar jij nog niet.’

2 reacties


maandag 30 januari 2017

Column Trouw, 28 januari

Papa komt

Na zeven dagen trof ik man weer in mijn keuken aan. Hij had niet aangebeld. Hij stond er gewoon toen ik beneden kwam, achter mijn fornuis, bezig mijn bloemkool in roosjes te snijden. Hij had een nieuwe coupe. En nieuwe schoenen. Dat zag ik meteen.
‘Tadaa!’ Hij draaide zijn hoofd om. ‘Mijn haar is geknipt.’
‘O, daar zie je niks van.’
Het was niet zo dat ik niet wist dat hij kwam. Het liep geheel volgens planning. We gingen de tweede week in van het serieuze gescheiden leven. Dat hij tot nu toe als een opluchting ervoer. Eindelijk duidelijkheid.
‘Je schoenen glimmen.’
‘Mooi hè?’ zei hij. ‘Vind je ze mooi?’
Vanaf nu zouden we elke maandagavond met het gezin eten, – daar hadden we precies drie kwartier voor – daarna zou ik les gaan geven bij de Schrijversvakschool en paste hij op de meisjes. Het nieuwe schema hing levensgroot op de deur. Papa komt. Na school naar papa. Na school naar mama.
Hij ging door met zijn bloemkoolbezigheden. Even verderop zat de elfjarige op de bank, over de iPad gebogen, zogenaamd verdiept in iets. Als een levend standbeeld.
‘Ik eet niet mee,’ fluisterde ik. ‘Ik kan het niet aan.’
‘Waarom niet?’ fluisterde hij.
‘Jij doet stom.’
‘Ik?’
Toen greep ik hem met één hand bij zijn keel en duwde hem met mijn lichaam tegen het aanrecht.
‘Ik ben jou he-le-maal zat,’ fluisterde ik.
Ik verbaasde me over de diepte van waaruit die woorden ineens omhoogkwamen. Ik wist niet dat die diepte bestond. Het had iets vulkanisch. Nog meer verbaasde het me dat het wáár was.
‘Ik ben jou zo ontzettend zat,’ fluisterde ik. ‘Weet je dat wel?’
‘Niet doen,’ fluisterde hij, ‘niet nu.’ Hij knikte in de richting van onze dochter, haalde mijn hand van zijn keel, verspreidde de bloemkoolroosjes in de ovenschaal en ritste mijn zak verse friet open. We stonden onder het licht van de afzuigkap.
‘Ga jij maar naar dat kutbootje van je,’ fluisterde ik. ‘Nu.’
‘Waarom doe je zo?’
‘Jij kunt alleen maar aan jezelf denken.’
‘Ik vind het erg dat je dat zegt. Heel erg.’
‘De waarheid is erg, hè.’
En ik zag de opgetrokken schouders van onze dochter wel. Haar paardenstaart. Het profiel van haar bleke gezicht. De verstarring. Ook zag ik hoe ze haar hand op haar oor legde. Ik wist dat ik verstandiger moest zijn, maar dat was ik niet.

12 reacties


vrijdag 27 januari 2017

De omslag

De kachel brandde. De kamer was opgeruimd. Er was niet veel meer in huis, maar ik had met zorg en aandacht gekookt. Ik had er iets van gemaakt. De meisjes aten het met smaak. Ze vertelden over wat ze die dag gedaan hadden op school. Wat het leukste was en het minst leuke. Ik luisterde. Ik vroeg dingen. Zij antwoordden. Ik schonk voor mezelf een glaasje wijn in. ‘We moeten eigenlijk een robot aanschaffen,’ zei de elfjarige, ‘die papa’s werk kan doen.’ We lachten. De meisjes wilden nóg meer eten en ik schepte hun borden nog eens vol.
Moet je ons zien zitten, dacht ik. Zo ontspannen. Moet je ons toch zien. Wat hebben we het goed met z’n drieën. Wat zijn we leuk ook. Zo gezellig. We hebben – buiten een eventuele huishoudrobot – helemaal geen vierde persoon nodig.
Op het moment dat ik zo begon te denken, veranderde er – achteraf gezien – al iets in de atmosfeer.
Misschien kwam het door de stilte die viel, waarin ik ineens glashelder het ploeteren zag, van ons, aangepaste meisjes. Hoe we met z’n drieën in een toneelstuk zaten en onder de felle lampen van onze eettafel,  vol verve het gezin speelden waaraan niets ontbrak. De lege stoel werd kort uitgelicht. Nee, helemaal niets.

7 reacties


woensdag 25 januari 2017

Ik ga hier weg!

‘Zég!’ riep de zesjarige ineens. ‘Hóe lang duuuuuuurt dat nog allemaal hier? Eérst die Turk en nu weer die Boot!’
‘Ja, eh, ja.’ Ik klom erbij in haar hoogslaper.
‘Als jullie gaan scheiden,’ riep ze, ‘dan ga jij hier zeker ook weg, hè? Hè!’ Ze pakte mijn kin vast.
‘Ik ga niet weg.’
‘Jawel, dan ga jij ook weg. Jij. Dat weet ik best!’ In haar nachtjapon met kleine bloemetjes klom ze uit bed.
‘Als wij gaan scheiden, Deetje, dan zoeken papa en mama allebei een eigen huisje,’ zei ik, ‘en dan heb jij zelfs twee huizen en twee eigen kamers.’
‘Ik ga van jou scheiden!’ riep ze. ‘Dat ga ik doen. Ik hou óók niet meer van jou. Ik ga bij opa en oma wonen. Of bij oma M.’
Ze trok haar slaapkamerdeur met een klap achter zich dicht.
‘Ik ga hier gewoon weg!’ hoorde ik haar nog roepen toen ze de trap afliep.

1 reactie


maandag 23 januari 2017

Column, Trouw 21 januari

Ontsnappen

Man is nu helemaal uit ons straatbeeld verdwenen, dus leek het mij goed hem alvast uit mijn taalgebruik te verwijderen. In den beginne was er tenslotte het woord. Eerst tracht ik mij van hem los te schrijven, dan volgt de werkelijkheid vanzelf. Voortaan zou ik hem op deze plek ex gaan noemen in plaats van man. Maar bij het idee alleen al, sprongen deze week de tranen steeds in mijn ogen. Ik vind ex ook gewoon een lelijk woord. Het heeft iets afstandelijks.
Terwijl ik me nog zo goed herinner dat ik een man had, die heel dichtbij was. Dat ik een man had die ‘s avonds een kruikje voor me maakte, dat ik een man had die gewoon naast me lag in bed, en die – als ik nog niet thuis was – hoopte dat ik snel thuis zou komen.  Zodat we bij konden kletsen.
Ik herinner me nu ook wel dat ik een man had die me zachtjes van zich afduwde toen ik tegen hem aan kwam liggen. Dat ik een man die begon te zuchten en te steunen als ik met hem wilde praten, een man die ’s avonds puur uit vriendelijkheid nog een wijntje met me dronk.
Ja, ik herinner me heus wel dat ik een man had die ineens liever niets meer met me wilde delen, behalve de kinderen. Omdat we daar niet aan ontsnappen, natuurlijk.
Ergens aan ontsnappen was onze specialiteit. Wij kwamen altijd overal weg.
Ik had een man die al onze ontsnappingen regelde, – daar kon ik van op aan – en ik speelde dan de rol van zieke vrouw.
Ik weet nog hoe we ooit, op een stampvolle Spaanse camping, ver na middernacht, we lagen al in onze slaapzak, besloten onze tent alsnog af te breken en hoe hij met de gevleugelde woorden ‘My wife is ill’ onze paspoorten weer terugkreeg. Ik zie mij weer licht kwijlend naast hem in die auto hangen, totdat de rood-witte slagbomen – speciaal voor ons – omhooggingen. Omhoog!  Het onbeschrijflijke gevoel van vrijheid dat ons toen overviel. Al konden we op dat tijdstip nergens meer naartoe.
Maar we hoeven niet ergens samen aan te ontsnappen deze keer. Hij wil alléén ontsnappen. Aan mij nog wel. Niks ‘My wife is ill.’ Niks ‘My wife.’
En ik moet nu óók alleen ontsnappen. Aan hem nog wel. Toch vind ik ex nog niet het goede woord.

2 reacties


vrijdag 20 januari 2017

Vervreemdend moment

Toen hij aan kwam lopen in het café schoot het door mijn hoofd dat het best een knappe man was. We dronken iets en we praatten over van alles. We hadden het over een voorstelling van hem waarin ik mee zou doen. Door de jaren heen was ik hem vaker tegengekomen, maar had ik nooit aan knapte gedacht. Nu was het ineens een man zonder vrouw. Tenminste dat vermoed ik. En ik was nu een vrouw zonder man. Tenminste dat vermoed ik.
Ik had het over vervreemdend proza dat ik net met mijn studenten behandeld had. Maak een lijstje met momenten van vervreemding die je zelf ooit had. Werk één moment uit. Maak het zo logisch mogelijk. Dat was de opdracht. Ik vertelde dat ik zelf hoe langer hoe realistischer ging schrijven. Eigenlijk was alle vervreemding uit mijn werk verdwenen sinds mijn leven één groot vervreemdend moment geworden was.
‘Misschien komt het weer een keer terug,’ zei hij.
Toen ik laat in de avond naar huis fietste, rookte ik een stompje sigaret op dat ik nog in m’n jaszak had zitten, gleed daardoor met fiets en al uit over het gladde wegdek. Daar lag ik in het licht van een lantaarnpaal. Ik krabbelde overeind, pakte mijn fiets op en racete verder.

1 reactie


woensdag 18 januari 2017

Het zal toch niet?

Je hebt hele mooie lippenstift op,’ zei de elfjarige voor ik naar de boekpresentatie ging. ‘Maar je ogen staan zo verdrietig.’
Ik vond het jammer dat ze dat zei. Ik wil geen moeder zijn met verdrietige ogen.
Bij de boekhandel aangekomen werd ik door nogal wat mensen aangesproken op deze stukjes. Dat is tegenwoordig steeds opnieuw een vervreemdende ervaring. Iemand zei dat sommige mensen het niet vonden kunnen wat ik deed. Iemand bedankte me ervoor dat ik ze schreef.
‘Het is een verhaal dat we volgen,’ zei ze, ‘een verhaal waar je tegen wil en dank in zit.’
Het is natuurlijk goed dat mijn verhaal gevolgd wordt. Een schrijver wil gelezen worden. Het is alleen jammer dat ik er zélf zo duidelijk iets mee te maken heb. Met de inhoud ervan. Het liefst werd mijn persoon er helemaal buitengelaten. Maar mijn persoon werd altijd het liefst overal buitengelaten. Dat is misschien wel het overkoepelende probleem.
Op de terugweg fietste ik een eindje mee met een bevriend schrijver.
‘Het zijn goeie stukjes hoor,’ zei hij, ‘we lezen steeds dat jij hem zo wanhopig graag terug wil. Dat is de twist die erin zit.’
‘En dat wil hij niet, hè?’
‘Nee!’ zei hij. ‘Dat wil hij niet!’
Ik dacht aan de wet van van aantrekking en afstoting in de liefde en dat deze stukjes ook juist averechts zouden kunnen werken.
‘Wat er ook mooi aan is, is dat hij geen ánder heeft,’ zei de bevriend schrijver. ‘Meestal is er een ander, maar hij wíl je gewoon niet meer.’
‘Ja, dat is mooi, hè?’
De laatste tijd ontvang ik regelmatig mails van lezers. Ze herkennen zich erin. De meesten hebben het ook meegemaakt. Ze zijn altijd verder in het proces. Die herkenning verontrust me steeds meer. Het doet vermoeden dat dit een heel normaal proces is. Dat dit helemaal geen uniek verhaal is. Nooit heb ik een mail gehad waarin iemand me vertelt dat hij of zij hetzelfde heeft meegemaakt en dat het na een hele tijd weer goed kwam.
Over deze stukjes praten, ze opschrijven, of daadwerkelijk middenin de situatie zitten zijn drie heel verschillende dingen. Het opschrijven ervan houdt me gezond. Ik kan er ook best makkelijk over praten. Ik merk pas dat het echt over mij gaat als ik weer thuis kom. In een koud en leeg huis.
Een briefje op tafel van de elfjarige. ‘Tot overmorgen, mama! Love u. xxx.’
Het zal toch niet wáár zijn allemaal?

11 reacties


maandag 16 januari 2017

Column Trouw, 14 jan

Twee werelden

Ik verblijf vier dagen in het huisje van een schrijfster die op vakantie is, ik ging gisteravond met een schrijfster eten, intussen mail ik intensief met een schrijver over de kwestie, en kreeg ik hier net een schrijfster op de koffie waarmee ik het probleem van het verlaten worden in twee uur grondig doornam. “Maar waarom wil je hem zo graag terug? Omdat je er niet tegen kunt dat iemand je niet meer wil? Of wil je het allerliefst van de hele wereld bij hém zijn?”
“Toch echt meer het laatste.”
“Maar waarom? Wat biedt hij je nog?”
“Niks.”
Het is een verademing hier te zijn. Schrijverstypes bekijken het leven van oneindig veel kanten. Dat zit in hun aard. Ze doen constant aan zelfonderzoek en wantrouwen geloof ik per definitie hun eigen beweegredenen en die van anderen. Op mijn nieuwbouweiland komen ze nooit koffiedrinken. Het zijn twee verschillende werelden. Misschien ligt daar een oorzaak van de breuk. Ik stelde mijzelf en hem, onze wereld samen, voortdurend ter discussie, terwijl man jarenlang tevergeefs wachtte op mijn tevredenheid. Tot de dag aanbrak dat hij op niets van mij nog zat te wachten. Dat proces heeft hij in z’n eentje doorgemaakt. Het moet een eenzame route zijn geweest. En aan mij enkel het eindpunt mededelen, het kant-en-klare besluit, maakt mij weer zo hondsalleen.
Hoe graag had ik hier met man wekenlang aan de koffie gezeten en onze motivaties, gevoelens en patronen tot op het bot uitgeplozen? Samen. Hoe graag had ik deze afscheidsceremonie, – als dit dan per se een afscheidsceremonie moet zijn – met elkaar gehouden?
Vandaag tuigen zij thuis de kerstboom af. Ze stoppen de ballen weer in de doos, de lichtjes, de piek. Ik vraag me af waar die doos volgend jaar weer opengaat en bij wie die ballen dan het meeste horen? (Ja, bij ons vieren.)
Het is voor het eerst sinds maanden dat ik weg ben. In deze wereld mag ik weer even bestaan. Dit ben ik. En thuis zijn de meisjes die op me wachten. Moeder ben ik bovenal. Maar ik ben nu niet meer de vrouw van man. Dat moet ik loslaten. Dag man. Hallo ex!
En ik heb dan maar vertrouwen in de liefde? Dat die liefde wel komt bovendrijven, – mócht die stiekempjes nog ergens zijn – ooit, in een nieuwe wereld van ons twee.
Of beter: ik heb gewoon vertrouwen.

1 reactie


vrijdag 13 januari 2017

Draaglijk

Met twee vriendinnen had ik afgesproken in een café in de stad. We dronken wijn en aten hapjes.
‘Er zijn echt zat mensen die het wél leuk vinden om met je te zijn,’ zeiden de vriendinnen.
‘Ja, nou wij ook eigenlijk niet,’ zei de ene.
‘Nee,’ zei de andere. ‘Wij niet. Maar wij hebben een bericht van je man gekregen. Of we alsjeblíéft iets met jou wilden gaan drinken.’
‘Ja,’ zei de ene, ‘hij had het nou al zó vaak gedaan.’
‘Wij hadden wel wat leukers te doen ,’ zei de andere.
‘Iets veel leukers,’ zei de ene. ‘Maar we zitten hier alleen om het voor jou een beetje draaglijk te maken.’
‘We zitten hier natuurlijk niet omdat we jou graag willen zien.’ De andere lachte.
‘Niemand wil dat,’ zei de ene. ‘De mensen om jou heen drinken alleen iets met je om het leven voor jou ietsiepietsie draaglijk te maken.’
‘Aardig van ze,’ zei ik.
‘Héél aardig van ons,’ zeiden de vriendinnen.

2 reacties


dinsdag 10 januari 2017

De auto

Als ik door de straat fiets en ik zie onze auto geparkeerd staan tussen de andere auto’s, helemaal vóór in de straat, vlak naast de Turk, achterin dat rode smoezelige kinderzitje, dan vind ik dat heel erg. Eén keer heb ik de auto zelfs bij de Turk om de hoek zien staan, weg uit onze straat. Dat was het allerergste.
Op sommige dagen staat de auto halverwege ergens, op een plek tussen onze huizen in, dat is nog oké.
En als ik eraan kom fietsen en de auto voor onze deur zie staan, of in de buurt van onze deur, om de hoek van ons huis is ook goed, lucht dat onmiddellijk op. De auto staat alvast goed.
De plaats van de auto bepaalt mijn gemoed. Ik probeer de auto wel zoveel mogelijk te vermijden door alleen op plekken te fietsen waar geen auto’s kunnen komen. Ik fiets tegenwoordig door het Diemerpark om boodschappen te gaan doen.
Maar gisteren fietste ik terug over het lange rechte fietspad, met een volle boodschappentas, het was avond, het motregende, toen ik onverwacht de auto zag staan. Echt op een totaal verkeerde plek. Helemaal aan de overkant van de IJburglaan, bij de waterwoningen. Wéér verder weg.
Ik had er totaal geen rekening mee gehouden, maar het is niet zo gek. Man is sinds gisteren echt helemaal uit het straatbeeld verdwenen. Hij woont nu ergens in een huis van glas op het water.
En dan zet hij de auto daar natuurlijk ook neer.

1 reactie


zondag 08 januari 2017

Column, Trouw 7 jan

GRAPJE

We gaan echt uit elkaar, schijnbaar. De meisjes weten het op het moment dat ik dit schrijf nog niet. Maar als deze krant ter perse gaat, moet we het ze samen hebben verteld. Dat hun leven er na de vakantie écht anders uit gaat zien. Met een schema. Een vader daar. Een moeder hier. Met twee keer per week samen eten.
Tenzij alles anders loopt natuurlijk. Tenzij hij dadelijk eindelijk ‘grapje’ zegt. ‘Grapje, dit was een test om te kijken of je echt van me hield.’ Tenzij het vlammetje bij man – binnen nu en een paar dagen – weer is opgeflakkerd. Het zoú toch kunnen? Als ik maar iets beter m’n best doe.
Dan kunnen we de meisjes zeggen dat het goed komt. Dan kan deze column als fictie beschouwd worden. En schrijf ik in het vervolg stukjes over hervonden liefde. Dat dat bestáát.
Maar nee, we gaan uit elkaar. Ik schrijf dit ook op zodat ik het zelf zwart op wit op papier zie staan. Ik kan nu eenmaal slecht overweg met de werkelijkheid. Dat is een karaktertrek. Ik maak er het liefst iets anders van.
Iemand vertelde me laatst dat maar 4% van jezelf ‘spontaan’ handelt en dat de overige 96% wordt geregeerd door patronen uit je onbewuste. Dus: we doen allemaal maar wat.
Zodra man binnenkomt, staat er in mij een schaduwfiguur op die leuk gevonden wil worden. Ze handelt en denkt volgens haar eigen vermoeiende patronen. Ook al vind ík dat geen slim idee.
Maar wat ik wilde zeggen: we hebben geen verwachting meer over een toekomst als geliefden. Dat is schijnbaar echt waar.
De mevrouw die ons bij dit proces helpt, de kinderbehartiger, heeft gezegd dat we tegen de meisjes in de ‘we’-vorm moeten spreken.
‘Papa en mama zijn niet meer verliefd op elkaar. We hebben besloten dat het beter is dat we uit elkaar gaan.’
Maar officieel zullen we nog niet scheiden.
“Scheiden is zo gepiept,” zei de mevrouw, “het lijkt mij het beste als jullie nu eerst eens een tijdje gewoon gaan zijn.”
“Een proefscheiding?” zei ik.
“Dan lijkt het erop dat het nog goed komt,” zei man.
“We weten niet hoe het loopt als we elkaar écht niet meer zien.”
“Ik wil geen verwachting.”
“Maar we wéten toch ook niet hoe het uiteindelijk loopt?”
“Nee, je weet nooit hoe het loopt.”
“Precies,” zei ik. “We gaan het meemaken.”

Geen reacties


vrijdag 06 januari 2017

Moet dit?

De bel in mijn logeerhuisje in de Pijp gaat. Man en meisjes staan voor de deur. Ik heb ze sinds maandagmiddag niet gezien. Ze zien er alledrie goed uit. Het eerste dat me opvalt is dat de zesjarige een vlecht heeft.
‘Wie heeft die vlecht bij jou gemaakt?’
‘Ik,’ zegt man.
‘Jij? Heb jij nu ineens leren vlechten?’
‘Ja!’
Dus het lange haar van de meisjes zal ook niet de doorslaggevende factor zijn die dit proces een halt toeroept.
We gaan eten bij een Thais restaurantje om de hoek. Ik kijk naar mijn gezin. We horen bij elkaar. Dat is gewoon zo. Het is gezellig. Man bestelt meteen een cocktail voor me. Ik vraag hem hoe de dagen verliepen. Heerlijk. Ook de elfjarige doet zo gezellig mogelijk. Opdat zij zeker niet degene zal zijn die de boel verstoort. En zodra haar zusje het te warm krijgt, genoeg gegeten heeft, naar huis wil om nog even te voetballen, neemt de elfjarige haar mee naar de toiletten. Onderweg kijkt ze even om. Of vader en moeder nog leuk met elkaar praten. Hoe ze erbij zitten. Ik ken die manier van kijken.
En als we weer teruglopen over de Van Woustraat, vraagt de zesjarige: ‘Ga jij niet mee? Wanneer kom jij weer naar huis, mama?’ Ik zie hoe de ruggen van de drie lieverds in het donker verdwijnen,  – de vlecht, het lange blonde haar, de krullenbol – trek dan de deur van mijn logeerhuisje dicht. Moet dit nu echt voortaan zo gaan?

1 reactie


maandag 02 januari 2017

Column Trouw, 31 dec

Slowscheiding

2016 was het jaar waarin ik pas echt begreep dat ik gelukkig was met mijn leven, met ons gezin in ons nieuwbouwhuis, en dat ik iets wilde doen aan ons huwelijk, het onzegbare uiteengaan. Op drie januari zei ik: “We kunnen in relatietherapie!”
“Het vuurtje is uit.”
“We kunnen het toch proberen?”
“Maar ik wíl het niet proberen,” zei hij. “Erg hè?”
2016 werd het jaar waarin man in de logeerkamer ging slapen, om de paar maanden een keer zei dat hij weg wilde, maar dan nooit ging. Waarin we op een zwoele avond in mei besloten uit elkaar te gaan, en hij direct na die beslissing weer in onze slaapkamer trok.
2016 werd het jaar waarin we veel meer contact hadden dan in 2015 en het jaar waarin man de plek innam van het boek dat ik schreef. En net toen ik erop durfde te vertrouwen dat het de goede kant op ging, dat zijn aangekondigde vertrek imaginair bleef, een midlifedingetje misschien, verliet hij op een oktoberavond plotseling ons huis. Met z’n zwarte rugzakje rénde hij haast de straat uit, de donkerte in. Alsof hij geen andere keuze had.
“Papa gaat een paar daagjes logeren,” had hij gezegd.
Het werd het jaar waarin man naar Boven de Turk verhuisde, de eerste afspraak met de mediator stilzwijgend werd doorgestuurd, maar waarin we – alles bij elkaar genomen – precies één week echt als een gescheiden gezin hebben geleefd. De weken daarna kwam het niet uit, was het teveel gedoe, de meisjes vonden het fijner zo. Het kwam er op de een of andere manier niet zo erg van.
“Papa is een beetje gescheiden,” zei de zesjarige.
Een slowscheiding noemt man het. Zoals hij ook degene is die aan slowcooking doet en ik het eten binnen een kwartier op tafel heb staan. “Je bent een varkentje in de pan,” lachte mijn vriendin, “dat héél langzaam wordt gestoofd.”
Maar 2017 wordt het jaar waarin man – de eerste zeven weken – in een fijn huis woont. Van glas. Op het water. 2017 wordt het jaar waarin we starten met co-ouderschap. Afspraken. Elkaar zo min mogelijk zien. Waarin we echt beginnen met het nieuwe leven. Het jaar dat ik, voor het eerst in een kwart eeuw, niet met een kus aan man zal beginnen. En ik heb geen idee over het jaar dat voor mij ligt. Behalve dat ik dan schrijf.

3 reacties


vrijdag 30 december 2016

Over wie gaat het?

Op 27 december was ik te gast bij Radio EenVandaag om over dit weblog en m’n column in Trouw te praten.
Ik zit in de studio en luister naar de aankondiging. “Na het journaal hebben we Elke Geurts te gast die ontroerend schrijft over haar scheiding.” Zo’n typische radiostem. Ik glimlach naar de presentator.
We wachten tot het journaal voorbij is. Na het liedje stelt hij de schrijfster, die over het verlies van haar liefde schrijft, voor aan het radiopubliek en stelt mij de vraag of ontroering is wat ik beoog met de stukjes.
Ik hoor mezelf op de radio praten over het einde van mijn huwelijk. Ik zie mijn stukjes in de krant over het huwelijk. Ik ben op allerlei manieren bezig er iets van te maken. Het vorm te geven. Zolang het maar niet het échte leven is.
Ik moet toegeven: er zijn de laatste tijd verdacht veel mensen om me heen die het over mijn scheiding hebben. Mensen die me mailen over mijn scheiding. Maar ik heb, als ik heel eerlijk ben, helemaal niet het idee dat ik echt ga scheiden.
‘Dit doe jij expres, hè?’ zeg ik tegen man. ‘Zodat ik deze stukjes kan schrijven. En daarna lachen we er om.’
Man staat met zijn jas aan bij de deur en glimlacht. Zoals de zenboeddhisten glimlachen.
‘Ik ga naar huis,’ zegt hij.
Er zijn mensen die me schrijven dat ze zich zo herkennen in mijn verhaal, dat het lijkt of mijn verhaal hún verhaal is, én er zijn mensen – degenen die bij hun man of vrouw besloten weg te gaan – die me schrijven dat ze nu inzicht krijgen in hoe hun ex-partner zich moet voelen.
Dat is mooi.
Dat zou een mooie bedoeling kunnen zijn van deze stukjes. Als er een bedoeling bestaat.

1 reactie


dinsdag 27 december 2016

Column Trouw, 24 december

De andere vrouw

Het is geen mislukt huwelijk, zeggen de mensen. Zo moet ik dat niet zien. Een verbintenis met iemand is een traject waarin je een tijd samen oploopt totdat het niet meer werkt. Het is bijzonder dat man en ik 24 jaar met elkaar opgelopen zijn. Zó moet ik dat zien. Nu kan ik alle mogelijke nieuwe trajecten voor me zien. Ik zou deze columns net zo goed vooruit kunnen schrijven.De Andere Vrouw  – ik noem maar een trajectje – zien we allemaal van heinde en verre aankomen. Glimlachend, elegant, komt ze naderbij. De voetstap ongehaast en licht, zou de dichter Pessoa zeggen. Nee, ze is er nog niet, maar ze bestaat. En achter elke straathoek zou ze zich op kunnen houden. Waarschijnlijk dwaalt de andere vrouw al rond op ons nieuwbouweiland. Hoeven ze over een uurtje alleen nog maar tegen elkaar op te botsen bij de Bruna.
“Met die visualisaties van jou moet je oppassen,” zeggen de mensen.
“Waarom?”
“Het is niet goed.”
“Omdat het dan echt gebeurt, hè?”
“Je roept het over jezelf af.”
Gisteren bezocht ik een kerstborrel en kwam daar een redactrice tegen met haar nieuwe man. Ik refereerde aan foto’s op haar Facebookpagina waarop ze samen met een meisje van een jaar of tien voor een kerstboom zat.
Wat een mooie dochter, was één van de reacties. En: Wow, wat lijkt ze veel op jou zeg.
Ik wist dat ze geen moeder was, maar vond het meisje ook haar evenbeeld. En we maakten grapjes over hoe ze al die tijd stiekem tóch een kind had. Haar nieuwe man vond het ook een fijn idee. We lachten. We namen nog een glühwein.
En toen doemde De Andere Vrouw weer op.
Deze keer plaatste ze foto’s van zichzelf op Facebook, met mijn meisjes  – voor een verlichte kerstboom, op de kunstijsbaan, aan een feestelijk gedekte tafel – hun lange haar op ingenieuze wijze ingevlochten, precies zoals het lange haar van die vrouw zélf ook ingevlochten was. Ze keek stralend in de camera. Merry Christmas, was het onderschrift. Hashtag: Familylife.
En bij elke eerste kerstdagfoto die ik aanklikte, begonnen mijn lachende meisjes meer op die trut te lijken.
Maar ik weet nu al dat ik de andere vrouw zal accepteren. We zullen weer gelukkig zijn. Eén grote vredige extended family. Voor de kinderen. Nu stop ik. Voor ik het allemaal over mezelf afroep.

3 reacties


zaterdag 24 december 2016

Je familie

s Ochtends draaiden we een afspeellijst met 100 klassieke kerstliedjes. Man ruimde de afwasmachine leeg, las de krant en zette nog een kopje thee. Ik waste de haren van de jongste. Gewoon: de huiselijke taferelen. De zesjarige mocht na het bad haar nieuwe kerstjurk aan, ze wilde haar zilveren kettinkje om en ik vlocht haar haar extra mooi in. De elfjarige ging douchen. Ik stopte twee pyjama’s in een tas. We maakten ons op om uit te gaan. Maar ik ging niet mee. Man nam me niet mee naar zijn familie. Het was niet zo dat ik dat niet van tevoren wist. Niet dat ik me er niet op voorbereid had. Het was ook niet zo dat ik me er niet bij neergelegd had. Maar ik had nooit van tevoren kunnen bedenken dat het zo voelde. Oké, ik had het al wél bedacht, maar voelen is toch echt wat anders. In deze tijden herken ik mezelf soms nauwelijks nog terug. Ik hecht bijvoorbeeld meer aan tradities – en symboolpolitiek – dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.
De elfjarige kwam uiteindelijk de trap af in een naveltruitje.
‘Zo kun je écht niet naar jouw familie,’ zei ik. ‘Je familie ziet je aankomen in een naveltruitje.’
‘Jij bent toch onze familie?’ zei de zesjarige. ‘Wij zijn toch familie?’
‘Ja, wij zijn familie.’
De elfjarige zong: ‘don’t let me down, don’t let me down. Don’t let me down.’
Voordat zij in de auto stapten, stapte ik op de fiets en racete de stad in. De kerstlichtjes tegemoet. Hij krijgt me nooit, maar dan ook nóóit, meer terug, dacht ik.

1 reactie


vrijdag 23 december 2016

Het proces

Man en ik hebben de eerste afspraak met de mevrouw die ons gaat helpen bij het proces.
‘Welke thee willen jullie?’ vraagt ze. Ze noemt de soorten thee op die ze heeft.
‘Ginger-lemon,’ zeggen we tegelijk.
‘De meeste mensen nemen ginger-lemon,’ zegt ze. ‘Grappig.’
Ok, op hetzelfde moment ginger-lemon zeggen, is geen bewijs dat we voor elkaar geschapen zijn.
We warmen onze handen aan ons kopje. De mevrouw tegenover ons is jong, scherp, professioneel, zakelijk, én aardig en invoelend. Ze neemt de tijd. We bespreken met haar de stappen die gezet moeten worden. Ze leert mij meer vragen te stellen. Als ik iets tegen man zeg, praat ik te snel, te slim en te stellig. Ik luister niet goed naar wat hij eigenlijk zegt.
‘Dat is ook typisch iets voor vrouwen,’ zegt ze. ‘Daar moet ik thuis ook op letten.’
Ze vraagt ons waar het mis is gegaan. Ik vertel mijn aandeel. Man vertelt hoe hij zich gevoeld heeft.
‘Wanneer is het leuk tussen jullie?’ vraagt ze na een tijdje. ‘Wat kunnen jullie wél goed?’
‘Samenzijn,’ zegt man.
‘Jullie kunnen goed samenzijn?’
‘Ja, wij kunnen heel goed samenzijn,’ zegt man. ‘Gewoon sámen.’ Ze vraagt naar wat specifieke momenten. Hij vertelt. Ik zwijg.
Ik luister naar wat hij eigenlijk zegt.

Geen reacties


woensdag 21 december 2016

Tezamen

We zitten aan het ontbijt met gedempt licht, drie brandende kaarsjes, kerstservetjes en ‘we komen tezamen onder ’t sterreblinken.’ We preluderen hiermee vast op het kerstdiner dat ze vanavond op school zullen hebben. Het hoogtepunt van het jaar. Man stuurt een berichtje dat hij wegrijdt naar werk, en doet de groeten aan de meisjes.
‘Papa is nu op weg naar Delfzijl,’ zeg ik erbij.
‘Wanneer komt papa eigenlijk terug?’ vraagt de zesjarige.
‘Papa komt je vanmiddag van school halen,’ zeg ik. ‘En dan gaan we de hapjes maken en…’
‘Nee, dat bedoel ik niet,’ zegt ze. ‘Wanneer komt hij gewóón terug?’
‘O dat bedoel je.’
‘Wanneer komt hij bij óns terug?’ De zesjarige kijkt me aan. Het kerstkoor zingt: Komt, laten wij aanbidden, onze Heer.
‘Ik denk niet dat hij nog terugkomt, Deetje,’ zeg ik dan. ‘Reken er maar niet op.’
De elfjarige doet alsof ze gewoon haar boterham smeert, maar even spant haar hele lichaam zich.
‘Komt hij nóóit hier terug?’ vraagt de zesjarige.
Ik schud mijn hoofd en leg uit dat hun vader in een ander huis gaat wonen, niet ver weg van hen, waarheen hij ook zal gaan, nóóit ver weg van hen. Etcetera. De elfjarige staat op en zegt: ‘En nu moet die domme kerstmuziek uit.’
De zesjarige zegt: ‘Nou, zeg dan maar gewoon wanneer hij terugkomt uit..waar is hij?’
‘Delfzijl.’
‘Uit Delfzijl ja.’

Geen reacties


dinsdag 20 december 2016

Column Trouw 17 december

Het glas

Twee weken geleden waren de meisjes bij man. Ik ging Chinees eten met een vriendin. Op weg naar de tramhalte liep ik heel hard langs Boven de Turk. Maar op de terugweg bleef ik er staan. Het was middernacht. Onze straat was uitgestorven. Mijn hoofd lag in mijn nek. Achter één van die ramen sliep mijn gezin. De meisjes in het tweepersoonsbed en man op een matras in de woonkamer. En ik wilde een baksteen door de ruit gooien, maar ik wist niet precies door welke ruit. Ik wilde ook niemand verwonden. Ik wilde alleen zo graag het glas breken dat tussen ons inzat.
Vorige week zaten man en ik tegenover elkaar aan onze tafel met een  espresso.
“Ik heb het gevoel dat we voor een glazen wand staan,” zei ik. “Ik wil er het liefst doorheen breken. En jij hebt meer zin om elk een eigen kant op te gaan.”
“Ik zou niet weten hoe dat moet,” zei hij, “erdoorheen breken.”
“We kunnen het op z’n minst proberen.”
Hij pakte onze lege espressokopjes en liep naar het koffiezetapparaat.
“We zouden in een heel nieuw level terecht kunnen komen!” Ik moest roepen om over het lawaai van de elektrische bonenmaler heen te komen.
“Ik geloof er niet in!” riep hij.
Gisteravond kwam ik thuis van lesgeven, man warmde de nasi voor me op, roerbakte wat taugé met pepers erbij en schonk wijn in. We kletsten over ons werk, de kinderen, daarna gingen we in de tuin zitten, dronken er een glas port en rookten een sigaret. We hadden het niet over de zakelijke mail die we beiden om tien minuten over half zes in de avond hadden ontvangen. Met een stappenplan.
“Kom morgenavond maar gewoon thuis eten hoor,” zei ik.
“Ik ben best laat klaar met werk.”
“Het is deze week toch een verloren week voor het echte gescheiden leven.”
“Ja.”
“Anders zit je daar Boven de Turk,” zei ik. “En elke keer als ik kook moet ik jouw portie weggooien.”
“Ik kan misschien ook later aanschuiven?”
“Zie maar.”
Binnen namen we nog een portje, masseerde hij mijn arm die ik nauwelijks nog op kan tillen, en toen trok hij zijn jas aan.
“Och ja, die mail,” zei ik toen ik hem uitliet. “We hebben het wel een andere keer over die mail.”
“Ja precies.”
Ik zwaaide vanachter het glas van de voordeur naar hem. En hij naar mij.

Geen reacties


maandag 19 december 2016

Kerst is stom

In de huiskamer staat een grote kerstboom met twee stalletjes eronder. De kerstboom is groter dan die ooit geweest is. Maar dat helpt niet.
De meisjes gaan op kerstavond tot en met eerste kerstdag naar de familie van man. Ik ben er niet bij. Dat is nu kennelijk vanzelfsprekend. Zo gaan die dingen.
Op eerste kerstdag worden de meisjes op het station in Nijmegen afgezet, en dan reizen wij met z’n drieën naar mijn ouders. We zullen man van ons weg zien rijden of andersom. Het zal in elk geval ellendig zijn.
En de dag daarna gaan we met z’n vieren bij onze enorme boom zitten.
‘Waaróm zouden we apart kerstmis vieren als we het ook samen doen?’ riep Jeetje uit. ‘Ik vind dat stom. We zijn zo váák samen!’
Ik vind dat dus ook hartstikke stom. We zien elkaar tot nu toe nog vaker wél dan niet, maar júist met kerst kunnen we niet samen zijn. Alleen omdát het kerst is.
Niet dat we nou zo’n geweldig hechte families hadden. Kerst is altijd enigszins wurmen, wringen en gezellig doen met z’n allen.  Dat was soms best leuk, maar ik herinner me toch vooral het gehang en de korte wandelingen naar nergens.
Nú zijn we er ineens heel oprecht over.
Het liefst zou ik man gewoon meenemen naar mijn ouders. Wat mij betreft hoort hij er ook bij nu onze relatie veranderd is. Nu wij als stel in een transformatiefase zitten of waar we verdomme ook in zitten. Maar dat vindt hij denk ik niet en ik vrees dat mijn familie ook gek op zou kijken als man gewoon mee zou gourmetten.
Ik vind het een bekrompen manier van denken. Het is toch allemaal fake. Maar juist het feest van het samenzijn is voor ons dit jaar het feest van het alleen zijn. Het uiteenvallen van het gezin. Het feest van de losse scherven. De pijn. Terwijl het op de gewone dagen al moeilijk genoeg is allemaal.
Maar goed, ik weet ook niet wat ik me druk aan het maken ben over Kerst. Ik ga deze hele week de kaarsjes op tafel zetten. Voor ons drieën. Jeetje. Deetje. En ik.

4 reacties


donderdag 15 december 2016

Don’t mention the war

We hebben sinds man Boven de Turk woont precies één week als een echt gescheiden gezin geleefd. Het kwam er daarna op de een of andere manier maar niet van. Man miste zijn thuis. Het mag duidelijk zijn wie ík miste. We misten ons warme nest. De meisjes vonden het zo ook veel fijner.
Och en als we ‘the war’ maar niet bespraken, ging het prima.
Och en ik raakte gewend aan een man die tegen tien, elf uur ’s avonds het huis verliet. Ik geef toe, het was ook prettig om even rust te hebben.
Och zo is het ook goed, begon ik te denken. Als het precies zo blijft.
Ik weet nog dat ik als kind bedacht had dat ik mijn moeder als pop zou gaan gebruiken als ze dood was. En de enorme opluchting die ik daarbij voelde. Het was een simpele oplossing voor een definitief afscheid. Zo zou ik het gaan doen.
En toen mijn oma stierf – met wie ik één op één verbonden was – , ik was in de twintig, heb ik dagenlang bijna onafgebroken naast haar opgebaarde lichaam gezeten. Ze lag thuis in bed. De vriezer sloeg steeds aan. Maar ik weet nog dat ik na een tijdje dacht: zo is het ook goed. Als ik maar altijd bij je kan komen zitten.
We kunnen concluderen dat ik slecht ben in afscheid nemen. Ik had me – na een kwart eeuw – geloof ik nét helemaal aan man gehecht.
Jarenlang stond de eerste strofe van het gedicht van Pessoa ingelijst op mijn bureau:
‘Vrij wil ik zijn en onoprecht,
Zonder geloof of plicht of plaats.
Zelfs liefde wil ik niet, die hecht.
Heb mij niet lief: dat ’s wat ik haat.’
En in die tijd had man mij ontzettend lief. Maar leek het mij niet verstandig daar helemaal in mee te gaan. Juist vanwege dat ellendige afscheid.

2 reacties


maandag 12 december 2016

Column Trouw, 10 december

Ons vieren

De ochtend was begonnen met veel zon in de kamer en ‘What a wonderful world.’ We zaten met z’n drieën aan onze lange tafel. Ik bladerde door de weekendkranten, de meisjes knutselden en frutselden. Man zou weldra komen brunchen en daarna zouden we als gezin naar een rommelmarkt op Blijburg fietsen.
Het begon mis te gaan toen hij de dagen appte waarop hij de meisjes deze week Boven de Turk zou willen hebben. Het was onze eerste weekplanning ooit. Hij wilde dat, ik wilde dit. Ik wilde het eigenlijk allemaal niet. Maar goed, we zouden zo gaan brunchen en fietsen als gezin. En we kwamen eruit.
Het ging alsnog mis toen ik hem vroeg waarom hij met ons naar die markt wilde.
‘Ook omdat jij mij erbij wil zien?’
‘Ik wil met ons vieren iets doen’, schreef hij. ‘Omdat dat leuk is voor iedereen.’
‘Wil jij mij óók zien?’
Hij antwoordde niet.
‘Ik vraag je iets.’
‘Ons vieren zeg ik toch.’
‘Je moet míj ook willen zien.’
‘Je vraagt het zo scherp. Ik kan daar geen ja op zeggen.’
‘Ok, dan doen we niets vandaag.’
Er volgde een reeks berichtjes over dat het leuk zou zijn voor onze meisjes. Zij verheugden zich erop. Wij moesten leren onszelf op de tweede plaats te zetten. Onszelf een beetje ontstijgen. Terwijl ik op mijn telefoon zat te tikken, –  de berichtgeving tussen man en mij grimmiger werd – , vertrok de zesjarige zwijgend naar haar beste vriend en begon de elfjarige met traplopen. Trap op, trap af, trap op, trap af. Tot ik haar vertelde dat haar vader nu niet zou komen. En dat ik degene was die het uitje met ons vieren had afgezegd.
“Maar waarom?”
“Omdat er geen ons vieren meer bestaat.”
Ergens daar moet Louis Armstrong met zingen gestopt zijn. De zon scheen nog wel.
“Dat is de realiteit,” zei ik.
“Jullie hebben al het geluk uit mij gezogen!”
“Ik wil ook niets liever dan samen iets doen,” zei ik, “begrijp me goed”
“Waarom zeg je het dan af?”
“Omdat het niet wáár is,’ zei ik. “Het moet wel waar zijn.”
“Jij staat ons geluk in de weg!” riep ze.  “Jij!” Ze duwde me weg en barricadeerde haar slaapkamerdeur.

1 reactie


vrijdag 09 december 2016

Waar of niet waar

De meisjes op bed. We rookten nog een sigaret in onze tuin voor hij weer naar Boven de Turk zou gaan. Ik vertelde dat ik trammelant had gehad met iemand die vond dat ik een element uit een ontmoeting met haar niet mocht gebruiken in een stukje. Dat was háár verhaal, niet het mijne.
Tegen man zei ik: ‘Maar goed dat ik met jou getrouwd ben, en niet met haar. Ik zou niets op kunnen schrijven.’
‘Ik weet toch dat je stukjes niet waar zijn,’ zei man.
‘Niet waar?’
‘Nee.’
‘Nou, ze zijn juist ontzettend wáár.’
‘Ja, maar het is verzonnen.’
‘Verzonnen?’
‘Je maakt er miniatuurtjes van,’ zei man. ‘Het is literatuur, bedoel ik. Het is geen dágboek.’
‘Nee, het is geen dagboek.’
‘Mensen vragen mij tegenwoordig heel vaak of ik het niet erg vind dat jij dat allemaal opschrijft,’ zei hij.
‘En wat zeg jij dan?’
‘Ik zeg dat ik er vertrouwen in heb dat jij dat goed doet.’
Ik kon hem wel kussen om dat antwoord. Maar dat mocht niet.

In het essay ‘Is de schrijver echt’ van Marja Pruis in de Gids, las ik daarnet een stukje van Alphonse Baudet over het eerste Ik en het tweede Ik.
‘Op mijn veertiende merkte ik voor het eerst dat ik met zijn tweeën was, bij de dood van mijn broer Henri, toen mijn vader zo dramatisch uitriep: ‘Hij is dood! Hij is dood! Mijn eerste Ik huilde, het tweede Ik dacht: Heel goed getroffen van vader! Wat zou dat mooi zijn op het toneel!’
Ik ken die ikken.
Zo ligt mijn eerste Ik met haar hoofd op haar bureau, te huilen bij Total Eclipse of the Heart.En denkt mijn tweede Ik dan: Dit liedje is té pathetisch en te cliché om te gebruiken. Ik ben iemand met een betere smaak. Wat wèl mooi is, is dat ik gehuld ben in een zacht kleed dat ik van man kreeg op Sinterklaasavond.
Hier ontstaat ergens fictie. Maar het is niet verzonnen.

1 reactie


dinsdag 06 december 2016

Sinterklaas voorbereidingen

Op Sinterklaasochtend zaten man en ik tegenover elkaar aan tafel met een kopje espresso. We waren tot op het bot verkleumd omdat we heel lang op het schoolplein hadden staan wachten tot Sinterklaas per ambulance werd gebracht. Tot er een verwaaide sint met een blote rug, een te korte jurk, en gigantisch veel haar – alleen zijn neus stak eruit – uit de ziekenwagen stapte. Hij klaagde tegen de kinderen over ernstige vermoeidheid, viel en plein public in slaap, en vertrok toen weer. Ook de schoolband speelde de liederen met een vermoeide en droevige ondertoon.
Daarna konden de ouders vertrekken.
Man en ik warmden onze handen rond onze kleine kopjes en keken elkaar aan. Als vader en moeder. De voorbereidingen moesten nog getroffen voor het feest des avonds. We hadden per mail overleg gehad. Hij zou dit cadeau kopen, ik dat. Dat was gebeurd. Dat konden we afvinken. Nu moesten we het nog hebben over de boodschappen. We gingen iets feestelijks eten. Ook zouden we nog bespreken hoe de cadeaus gegeven werden. Een speurtocht door het huis. Puzzel?
‘Het moet leuk zijn voor de kinderen,’ zeiden we steeds tegen elkaar. ‘Het moet leuk zijn voor de kinderen.’
‘En voor ons ook een beetje,’ zei ik.
‘Ja, voor ons ook,’ zei man. Voor ons ook.’
We gingen door met het draaiboek voor de avond. We maakten een boodschappenlijst. Er waren al speculaasbrokken.
‘Op deze manier wordt het voor ons niet zo heel leuk,’ zei ik. ‘Als wij alleen maar zakelijk blijven praten. Over de cadeaus. De kinderen. Het avondeten.’ En toen begon ik te huilen.

7 reacties


maandag 05 december 2016

De zaterdagcolumn

img_9072

Geen reacties


vrijdag 02 december 2016

Dief

Ik scrolde door een WhatsApp dialoog van man en mij. Er stond iets in dat ik nodig had voor de Trouwcolumn die ik aan het schrijven was. Voor het eerst voelde ik me een dief van mijn eigen mislukkende huwelijk. Ik weet niet precies hoe je een dief kunt zijn van je huwelijk, – ik ben nu ook brak na een gebroken nacht met een kotsend kind en daarna een bonte avond met buurvrouwen en veel wijn – maar zo voelde het wel.
Dit hoeft niet in de krant, dacht ik toen het gesprek nalas.
En toen: Dit is een herkenbaar stadium voor ieder uit elkaar vallend gezin. Dus ik gebruik het.
In haar column in de VPROgids schreef Esther Gerritsen dat schrijvers hun falen proberen om te zetten in iets wat wel slaagt. Dat is wat ik aan het doen ben. Een mislukkend huwelijk, daar iets goeds van maken. Of tenminste: iets.
Mij werd ooit deze quote van Emerson gemaild: To believe your own thought, to believe that what is true in your own heart is true for all men, that is genius.

1 reactie


woensdag 30 november 2016

Verliefd worden

De zesjarige kroop in de ochtend bij me in bed en klaagde over buikpijn. We lagen te kletsen. Ze vroeg of ik nog heel verliefd op papa was of dat ik nu hetzelfde voelde als papa.
‘Niet hetzelfde,’ zei ik.
‘Vind jij het leuk dat papa ergens anders woont, of had jij liever dat papa hier woonde?’
‘Hier wonen gaat nu niet, hè?’ zei ik. ‘Daar kan papa ook niets aan doen.’
‘Vind jij het jammer of vind jij het niet jammer?’
‘Ik vind het jammer.’
‘Ik ook,’ zei ze.
Het bleef even stil. ‘En ga jij nu verliefd worden op iemand anders?’ Heel snel adviseerde ze: ‘Dat zou ik niet doen.’
‘Dat gebeurt nu ook niet.’
‘Mag dat wel?’ vroeg ze toen. ‘Mág dat gewoon van de burgermeester?’

1 reactie


dinsdag 29 november 2016

Een avond met drie

Tijdens het eten vertellen we om de beurt wat we vandaag gedaan hebben. Jeetje kan niet wachten tot ze binnenkort haar beugel krijgt, en Deetje telt de nachtjes tot pakjesavond. Met rode konen.
Pakjesavond, denk ik. Pakjesavond.
We hebben een gigantische tafel waar met gemak tien mensen aan passen, – en die in geen enkel ander huis ooit kan staan -, maar zitten met z’n drieën rond een uiteinde. Onze benen en armen raken elkaar.  Het tafelblad ligt vol kranten, boeken, tekenspullen en speelgoed. Vroeger was dat een gebrek aan opruimen. Nu vult het op.
Vroeger waren we ook een gezin zonder tv. Maar zodra man vertrok, heb ik de televisie van zolder gehaald. Ik heb een apple chrome ding aangeschaft waardoor ik via mijn telefoon NPO1, 2 en 3 op kan zetten.
Het is al een paar keer voorgekomen dat we met z’n drieën op het tapijt gegeten hebben. Op een heleboel kussens. Rond het bijzettafeltje. We eten en kijken het sinterklaasjournaal. Reclamefilmpjes zijn ook leuk.
Vanavond mogen ze de schoen zetten. Jeetje speelt Zie ginds komt de stoomboot op de piano. Deetje en ik zingen. We hebben minstens zeven liedjes gezongen. Daarna ga ik bij de zesjarige in de hoogslaper liggen en lees haar een paar verhaaltjes voor. Ik kan niet even bij haar in slaap vallen, want één verdieping hoger ligt Jeetje met haar Donald Duck op mij te wachten. Het lage brommen van mans stem klinkt niet door het plafond.
Als de meisjes erin liggen, rook ik een sigaret op het dakterras. Het is ijskoud. Ik kan vanaf daar het begin van onze straat bijna zien. Daarachter het dak van het appartementencomplex waarin hij zich nu ergens bevindt. Hij heeft vanavond bezoek. Ik weet gelukkig nog van wie.
Voor ik naar bed ga, app ik man een foto van de gevulde schoenen van zijn dochters.
Goed bezig! schrijft hij terug.
Probeer om te keren, denk ik. Probeer om te keren.

3 reacties


maandag 28 november 2016

Tof

Ik pakte mijn tas in. Er was nog één cursist in het lokaal achtergebleven.
‘Ik heb een paar stukjes op je weblog gelezen,’ zei ze. ‘Tóf zeg!’
‘Wat zeg je?’
‘Ik heb een paar stukjes gelezen. Over je scheiding. Heel tof.’
‘O dank je!’
Even later stond ik buiten op de Herengracht. Achter een boom. Ik zette mijn capuchon op, rookte een sigaret en tuurde over de gracht. De lichtjes. Een bootje. Een zoenend stelletje natuurlijk.

Met een collega fietste ik naar huis. We spraken over een eventuele scheiding en wat daarbij komt kijken.
‘Wij hebben nog nooit iets geregeld,’ zei ik tegen haar, ‘zélfs geen vakantie.’
‘Mooie zin,’ zei ze. ‘Die moet je opschrijven.’
‘Welke zin?’
‘Wij hebben nog nooit iets geregeld, zelfs geen vakantie.’
‘O ja, dat is inderdaad een goeie zin,’ zei ik. ‘Tof.’

1 reactie


vrijdag 25 november 2016

Een avondje uit

De kinderen en man sliepen Boven de Turk. Ik zat thuis op de bank, en deed de lichten niet aan.
Er moest iets ondernomen worden. Ik racete de stad in naar een vriendin. We aten bij de Japanner.
Op mijn telefoon bekeken we mannen die binnen een straal van een paar kilometer op een vrouw zaten te wachten. Het waren er buitengewoon veel. Als je het zo bekeek, zat de hele stad vol wachtende mannen.
‘Die is best leuk,’ zei ik.
‘Ja, die lijkt precies op je man,’ zei ze. En swipete de look-a-like weg.
‘Die gaat ook wel.’
‘Ook je man.’
En zo dronken we bier, aten we miso-soep en bladerden door mannenhoofden.
‘Ja, jij pikt de mannen eruit die op hem lijken,’ zei ze. ‘Zie je dat zelf nou niet.’
Het werd al gauw wat eentonig. Tijdens de noodels waren we alleen nog maar op zoek naar bekenden.
Bij haar thuis bekeken we Excell-bestanden. Dat was het betere werk. Ik droomde even weg. En stelde me voor hoe ik mijn administratie om de dag op zo’n handig Excell-bestand bij zou werken. We spraken over aftrekposten, stamgegevens, en belastingaangiftes, tot ik weer op de fiets stapte.

1 reactie


woensdag 23 november 2016

Jullie laten het me zien?

Na de lunch bracht ik de meisjes naar Boven de Turk. Voor het eerst zouden ze er een nachtje slapen. We liepen naar het begin van onze straat. Ik met een kist speelgoed in mijn handen en een Vomartas met spelletjes om mijn schouders. Deetje trok haar roze rolkoffer vol barbies achter zich aan. En Jeetje droeg de tas met kleren, pyjama’s en tandenborstels die we toch dubbel hadden. Ze hadden hun schooltas voor morgen – met een leeg bekertje en een leeg broodtrommeltje erin – al om.
‘Ik weet niet waar het is,’ zei ik. ‘Jullie laten het me zien, hè?’
‘Het lijkt wel of we er gaan wónen,’ zei Jeetje.
‘Nee joh,’ zei ik, ‘we nemen dit mee om het huis van papa gezellig te maken voor jullie.’
We schopten steeds tegen de herfstblaadjes die in bergen op het trottoir lagen.
De meisjes belden aan bij een vreemd nummer met een onbekend naamplaatje ernaast. De buitendeur klikte open. De lift was kapot dus sjouwden we de spullen twee trappen op.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik man al staan. Zag ik hoe hij in een vreemde deuropening leunde. Op sokken. Zijn kalme voorkomen, zijn vriendelijke glimlach. Hij vond het spannend, dat zag ik ook.
‘Het stinkt hier hè?’ zei Jeetje toen we in de hal stonden. De meisjes liepen langs hun vader heen de woonkamer in en ik rende achter ze aan. Ergens moet ik die kist en die Vomartas nog neergezet hebben. Ik weet het niet meer. Er klonk een muziekje van ons thuis.
‘Hee Elke.’ Zijn aimabele stem. ‘Hee Elke.’
‘Ja, ik ga,’ zei ik.
En ik ging.
Het was een heel korte weg terug naar huis. Ik had niets bij me. Ik deed de haak op mijn voordeur.
Ik was veel liever volledig in elkaar getrimd, dan dit.

3 reacties


dinsdag 22 november 2016

De tragiek

Ik dronk thee met mijn nicht in Rosmalen. Haar collega kwam langs om haar een dossier te brengen. Hij had al tien jaar een bedrijf in mediation bij echtscheiding. Hij loodste mensen door scheidingen heen op financieel vlak en op emotioneel gebied hielp hij ook een handje.
‘Dit is mijn nicht,’ zei mijn nicht. ‘Zij zit ook in zo’n situatie.’
‘Nou, nou,’ zei ik. ‘Nog niet, nog niet.’
De collega kwam erbij zitten.
‘Wat is er aan de hand?’
Voor ik het wist, zat ik middenin een mediation gesprek. Maar dan in m’n eentje. Het was meteen duidelijk dat ik met een professional van doen had. Ook dat man en ik in niets verschilden van al die andere stellen.
‘Jij zit in een voor jou ziekmakende situatie,’ zei hij op een gegeven moment.
‘Nou dat valt wel mee.’
‘Volgens mij lach jij alles weg.’
‘In het echt niet hoor.’
‘Het lijkt wel of je het over een verhaal van iemand anders hebt,’ zei hij.
Dit mechanisme was mij sowieso wel bekend. Maar het was me laatst ook weer opgevallen. Ik stond erbij en keek naar – of vertelde over – het verhaal dat mijn leven scheen te zijn, en waarvan ik de wendingen niet zelf in de hand had. Ik had er geen enkel gevoel bij.
‘Dit gaat over jou.’
Dat wist ik heus.
Maar in wezen geloof ik niet echt dat ik dit meemaak. Dat dit wáár is. Iedereen kan zeggen wat ie wil, ik geloof het gewoon niet. Ik weet ook niet wat dan wèl de waarheid is. Dit kan het goede verhaal niet zijn.
Kortom: het werd een boeiend en informatief gesprek waarin alle punten even snel werden afgevinkt.
‘Het punt is,’ zei hij tenslotte. ‘Jij bent nog hartstikke gek op je man.’
‘Echt wáár?’ zei mijn nicht.
‘Ze houdt nog ontzettend van hem,’ zei hij.
Ik lachte. En lachte. En zag haarscherp de tragiek van de lachende vrouw.

Geen reacties


maandag 21 november 2016

Column, hoorspel

Tegenwoordig heb ik elke zaterdag een column in Trouw over het huwelijk. Vandaag daarom voor jullie de column in plaats van een nieuw stukje. Mijn stukje van vandaag wordt nu namelijk de column voor over 2 weken.
Hierbij ook mijn hoorspel ‘Tot hier en niet verder’ dat afgelopen zaterdag op radio 1was. (De link werkt niet, dus zo: http://www.npo.nl/hoorspel-fluiten-in-het-donker/19-11-2016/RBX_AT_4821885 )In een geweldige regie van Stef Visjager. En Georgina Verbaan vertolkt mijn hoofdpersoon Marja Willems zoals geen ander dat had kunnen doen, denk ik.

img_9024

 

2 reacties


donderdag 17 november 2016

Week twee

Het was week twee dat man aan het begin van onze straat woonde en wij aan het einde. Tot nu toe sliep hij er vooral. De nieuwe werkelijkheid moet wennen.
Maar vandaag had hij de meisjes na school opgehaald en waren ze direct naar het appartement boven de Turk gegaan. Er kwam tegen drieën niemand thuis. Geen thee en ‘Hoe ging je topo toets?’
De meisjes zouden daar eten, rond bedtijd worden teruggebracht en hij zou ze hier in bed leggen.
Tussen 16.00 en 19.00 u schreef ik. Alle andere werkjes waren gedaan. Het was donker. Alleen het licht van m’n scherm. Stil in huis. Ik had een grote bak gezouten amandelen naast me staan. Er hoefde niet gekookt. Er hoefde niets. En voor het eerst, in jaren leek het wel, viel ik weer even met mijn leven samen.
Wat er gebeurde: Ik zag ook voordelen. Op Funda bekeek ik appartementjes voor mijzelf. En ik zag ons drieën er daadwerkelijk in wonen. Ook zag ik mezelf daar alleen aan het werk. Ik zag mezelf er bevriende schrijvers uitnodigen. (Op de een of andere manier heb ik deze dagen veel behoefte aan collega’s, mijn moeder en vlees. Ik eet belachelijk veel vlees.)
Maar zo tegen 19.30 u begon het wachten. Van: ‘Ze zullen zo wel komen’ naar ‘Waar blijven ze?’ tot ‘Zit ik hier alleen’ naar ‘Ik hoor er niet meer bij.’
En toen ze een uur daarna thuiskwamen, uitgelaten, blij, met blote benen en natte haren van het badderen, riep ik: ‘Jullie hadden beter boven die Turk kunnen blijven slápen!’

Geen reacties


dinsdag 15 november 2016

What you see is not what you get

Het was zondagochtend. Het regende zacht. We parkeerden de auto in onze oude buurt en wandelden richting Berlagebrug. We gingen naar Sinterklaas die met z’n stoomboot over de Amstel aan kwam varen. Overal liepen gezinnen. Aan de buitenkant zag je er niets van.
‘In deze speeltuin speelde jij altijd, Jeetje, weet je dat nog?’
‘En ik, en ik?’ vroeg Deetje.
‘Jij lag toen in de wandelwagen. Jij was nog maar net geboren.’
In deze straten hadden we meer dan vijftien jaar rondgelopen. Tien jaar met z’n tweeën, vijf jaar met z’n drieën en nog drie maanden met z’n vieren. De nieuwe werkelijkheid schuurde gevaarlijk dicht tegen de oude aan. Maar als we vroeger buiten liepen, stopte ik automatisch mijn hand in zijn jaszak, waar zijn hand dan die van mij vastpakte. Nu liepen we los.
Op de Berlagebrug zagen we zelfs onze ex-buren met hun kroost weer terug. Ze woonden nu in Abcoude. De kinderen waren wat groter geworden. Verder was het plaatje compleet. Tot de ex-buurman uitriep dat ik binnenkort weer vrijgezel was.
‘Niet doen.’
‘O, mag ik er nog geen grapjes over maken?’
‘Nee.’
Toen zei hij dat ik in wezen met allemaal exen op de brug stond.

Geen reacties


zaterdag 12 november 2016

De nieuwe werkelijkheid

Je moet er niet concreet over nadenken, schreef man. Dit is nu de nieuwe werkelijkheid.
Goed, de nieuwe werkelijkheid. Het eerste wat ik deed was vier kamerplanten bestellen bij een online plantenzaak. Omdat ik in mijn nieuwe werkelijkheid natuurlijk geen grote planten bij de Intratuin kan gaan halen. Ik koos alleen de planten uit de categorie: zeer makkelijk in onderhoud. Puur op intuïtie.
Er hebben in mijn huis nog nooit planten gestaan. Maar in de nieuwe werkelijkheid kan alles.
Ik telde de dagen. Eergisteren arriveerden ze eindelijk in een levensgrote kartonnen doos. Jeetje en haar vriendin begonnen meteen met knutselen.
Nu staat er een soort kerstboom, op de plek waar in de oude werkelijkheid de echte kerstboom altijd stond, ook heb ik een grote plant met dikke stam en donker blad, – waarvan één buurvrouw heeft gezegd dat haar oma ook zulke planten heeft en een andere buurvrouw beweerde dat het een typische studentenkamerplant was – aan het plafond hangt één klimop plant – héél erg jaren ’70 volgens mijn bezoek – en er is een plant die gewoon voor het keukenraam staat. Die wordt door iedereen over het hoofd gezien.
Man zweeg toen hij ik hem de nieuwe werkelijkheid showde.
‘Vind je het niet mooi?’
‘Jawel hoor,’ zei hij snel.
‘Ze zeggen dat deze planten niet in de mode zijn.’
‘Nee, dat zijn ze ook niet. Maar dat geeft niet toch?’
Ik begreep het niet. Hij was altijd een plantenman geweest. Groene vingers. Maar misschien was ook dat in deze werkelijkheid veranderd.
Ik zit dit trouwens te typen in mijn hemdje omdat ik de houtkachel zo hard opgestookt heb. Voor mij op het kleed staat een lege doodskist. Van karton. Met een rood fluwelen doek erin. Het deksel – met een kruis – ligt ernaast. Leonard Cohen zingt: You want it darker. We kill the flame.

2 reacties


woensdag 09 november 2016

En intussen in Amerika won Trump

Het was donker, koud en het regende. Ik ging deur uit voor boerderijkippetje bij de Bierfabriek en een literair spektakel in de Brakke Grond. En daar stond ik, aan het begin van onze straat, onder de Turkse winkel, op weg naar de tram, terwijl daarboven ergens, achter één van die verlichte ramen, mijn dochters en man pasta Bolognese aten. Iemand had het gisteren steeds over mijn ex.
‘Mama, heb jij papa’s huis eigenlijk al gezien?’ vroeg Deetje vanmorgen. Zij had er een middag met haar vriendje gespeeld en ook Jeetjes vriendin was er een kijkje komen nemen.
‘Nog niet.’
‘Jij had papa’s huis toch eerder moeten zien.’
‘Waarom?’
Het bleef even stil. ‘Omdat jij familie bent,’ zei ze. ‘Jij bent onze familie.’
‘Dat is waar,’ zei ik. ‘Is het een mooi huis?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Een heel mooi huis.’
‘Dan is het goed.’

Geen reacties


dinsdag 08 november 2016

Het moment

Het volgende moment zaten we weer met z’n tweeën in onze woonkamer, – die vanaf nu voorlopig de mijne is – maakte hij een toastje met zalm aan het aanrecht, kon hij de honing-mosterd dressing niet vinden, schonk hij een glaasje goede wijn in, zat ik op het kleed naast de brandende kachel, zat hij op de bank, proostten we. Waarop wisten we niet.
Op dat moment was het niet meer dan normaal dat hij daar zat, dat ik daar zat, dat wij daar zaten. Dat tegen zessen de meisjes terugkwamen van hun buurvriendjes, dat we met z’n vieren aten, dat de nieuwe kleren aan vader geshowd werden, dat er gelachen werd, dat hij ze allebei naar bed bracht, ook de elfjarige mocht op vaders rug de trap op. Met mijn ogen dicht lag ik op het kleed en luisterde naar het stommelen boven. Het tandenpoetsen. Het kletsen.
‘Papa mag ik jouw nieuwe huisje morgen zien?’ vroeg de zesjarige. Ook: ‘Heb jij eigenlijk wel een tafel?’
En het maakte mij allemaal niet uit. Zolang ik daar lag.

Geen reacties


zondag 06 november 2016

Sjabloon

De middaglessen zullen zo starten. De docentenkamer zit vol.
‘Ik ben drie keer getrouwd en drie keer weggegaan,’ zegt de ouwe dichter.
‘Hij heeft daar hele mooie poëzie over geschreven,’ zegt iemand anders. ‘Heel mooi.’
De dichter begint op gedragen toon z’n poëzie te reciteren. Iets over drie nesten die hij achtergelaten heeft.
‘Ja, zo doe jij dat,’ zeg ik, ‘vertrekken en er dan gevoelige gedichten over schrijven. Tjonge jonge.’
‘Heb jij er zelf soms ervaring mee?’
Ik vertel over mijn recentelijk weggelopen man.
‘En dan zit jij zo te lachen hier,’ zegt een schrijfster, ‘maakt het jou dan niks uit?’
‘Jawel.’
‘Ik snap niet dat jij hier zo kan zitten.’ Ze praat over de dag dat zij thuis vertrok, met alleen een krakkemikkige printer, en dat ze daar twee jaar lang totaal van in de kreukels lag. Maar dan ook totáál.
‘Had je gewoon thuis moeten blijven, hè.’
Ze kijkt me aan.
‘Wat voor type is jouw man?’
Nog voor ik uitgepraat ben, zegt ze: ‘O, die komt niet terug. Dat heb je met die aardige mannen, ik ken ze, ze doen er heel lang over om tot een besluit te komen, en áls ze dan eenmaal iets besloten hebben, dóén ze het ook, en komen ze er niet meer op terug, nooit meer. Zo zijn ze.’
‘Och misschien heeft hij gewoon een tijdje afstand nodig,’ zegt weer een ander.
‘Zit jij haar nou hóóp te geven?’ zegt de schrijfster.
De ouwe dichter vertelt dat ik meteen een nieuwe man moet opduikelen. In het café. Of waar vind je ze tegenwoordig? Zijn relaas eindigt met iets over tinder.
Het lijkt of we in een bekend sjabloon passen. Iedereen weet hoe het afloopt. Hoop is ongegrond.
En dan is het tijd om les te gaan geven.

Geen reacties


donderdag 03 november 2016

Roken

De kapster kon alleen maar over sigaretten praten. Ze had al twee dagen niet gerookt. Ze zei dat roken gezonder was dan twee glaasjes wijn per dag. Ze zei dat haar opa 84 was, kerngezond en een roker. We hadden het over verslaving, de eeuwige zwakke plek, en de geest die het roken gaat vergoeilijken. Ze zei dat ze ooit eerder gestopt was, maar meteen weer begonnen toen haar relatie uit ging. Ik zei dat ik onlangs weer begonnen was. Maar dat ik er ook weer mee moest stoppen binnenkort. Omdat het op mijn leeftijd écht niet meer verantwoord is. ‘Op een gegeven moment ben je de lul’, zei ik. ‘Als je ouder wordt, kom je er achter dat niets jou níét zal gebeuren.’ Ze schrok toen ik mijn leeftijd zei.
‘Zó oud zie je er echt niet uit,’ zei ze.
Ze vroeg me waarom ik weer begonnen was. Ze vroeg of er plekken waren waar oude vrouwen als ik kunnen gaan stappen. Ik zei dat ik niet wist waar de oude vrouwen gingen stappen.
‘Hoe lang was je bij je man?’
Ik zei hoe lang ik bij mijn man was. Dat was net zo lang als zij leefde. Ik keek naar de oude vrouw in de gebroken spiegel en de jonge vrouw die achter haar stond. Het was een hippe zaak met barsten in de spiegels. Als je er binnenkwam, kon je niet zien dat daar ook mensen geknipt werden. Het was een art gallery. De oude vrouw was onderdeel van de expositie.
‘Als ik weet dat jij sigaretten in je tas hebt, wil ik er dadelijk eentje met je roken,’ zei de kapster.
‘Dat weet ik,’ zei ik. Toen zei de kapster dat ze diep van binnen niet wilde stoppen met roken. En dat ik dat in deze periode al helemaal niet zou moeten doen.
‘Stress is veel slechter voor je gezondheid,’ zei ze.
‘Ja,’ zei ik.

1 reactie


woensdag 02 november 2016

Twee kampen

‘Er zullen hoe dan ook twee kampen komen,’ zei ze. ‘Jij en hij.’
‘Ik wíl geen twee kampen.’
‘Dat gaat toch gebeuren.’
‘Dat wil ik absoluut niet.’
‘Snap ik,’ zei ze, ‘maar zo gaan die dingen.’
Het was nog vroeg. Mijn vriendin en ik waren de enigen in het Utrechtse café De Bastaard. We dronken goedkope wijn uit Duralex glazen en aten borrelnootjes. Ik voelde me de hele dag al best goed.
‘Je hebt nog veel voor je kiezen,’ zei ze.
Ik knikte.
‘Jullie zullen samen een hoop moeten regelen. Het huis. De omgangsregeling met de kinderen. Geld.’
‘We weten niet hoe het loopt,’ zei ik.
‘Jij blijft maar hopen,’ zei ze. ‘Jij klampt je overal aan vast.’
‘Ik mag toch wel een beetje hoop hebben?’
‘In de gesprekken die we er het afgelopen jaar over hebben gevoerd, heb ík niets hoopvols van zijn kant gehoord,’ zei ze. ‘Niets.’
‘Eerst maar eens zien hoe het is als hij weer in de buurt woont.’
We aten het schaaltje nootjes leeg. We namen nog een glaasje rode wijn.
‘Zal ik eens wat zeggen?’ zei ze toen. ‘Ik denk dat het níét goed komt. Nooit meer.’
Ik dronk mijn glas in één keer leeg. Een gore smaak.
‘Hij is weg,’ zei ze. ‘Hij is allàng bij je weg. Hij voelt zich beter nu hij je niet ziet. Hoe duidelijk moeten de signalen zijn?’
Ze keek me aan. Ik barstte in huilen uit.
‘Ik zeg dit omdat het anders nog veel meer pijn gaat doen,’ zei ze. ‘Hij is heel lang niet duidelijk geweest dat heeft jouw hoop steeds gevoed.’
‘Misschien niet voor niets,’ zei ik, ‘die onduidelijkheid?’
‘Nee, dat maakt het alleen maar pijnlijker,’ zei ze.
Na De Bastaard gingen we Vietnamees eten in de Voorstraat. We spraken over de werkelijkheid, het ontkennen ervan en over nog meer dingen. Maar ik was ineens zo moe geworden. Zo ontzettend moe.
Op de terugweg reden er geen treinen meer naar Amsterdam Centraal. Er was een bovenleiding gesprongen. Dat was de werkelijkheid.

2 reacties


maandag 31 oktober 2016

Waarheid

Deetje vertelt aan het ontbijt dat haar vriendinnetje – Teetje – heeft gezegd dat sinterklaas helemaal niet bestaat en dat de ouders degenen zijn die de cadeaus kopen. Dat gelooft Deetje uiteraard niet. Maar er zijn toch veel dingen die ook zij niet kan rijmen. Dus vraagt ze het na. Haar ernstige, groene ogen kijken me aan.
‘Hij bestaat,’ zeg ik.
‘Ben jij nog wel heel verliefd op papa eigenlijk?’ is haar volgende vraag.

‘Wat hoor ik nou?’ Op het schoolplein komt Teetjes moeder naar me toe. Ze vertelt dat Deetje aan haar dochter heeft gemeld dat haar ouders gaan scheiden.
‘Dat is zo.’
‘Júllie.’
‘Ja,’ zeg ik. En heel zachtjes voeg ik eraan toe: ‘voorlopig.’
‘Jezus, dat is even wat anders dan het geloof in sinterklaas,’ zegt ze.
Ik denk aan geloof. Geloof in je ouders. Geloof in sinterklaas. Hoe alles waarop je bouwde op zesjarige leeftijd al niet de waarheid blijkt te zijn. Hoe dé waarheid niet bestaat, maar hoe we die wel kunnen creëren. Het huwelijk is ook een geloofsovertuiging, een verhaal dat ophoudt te bestaan zodra één van de twee er niet meer aan meedoet.

In het boek Contouren van Rachel Cusk lees ik daarnet: ‘En uiteindelijk besefte ik dat hun ruzies nooit konden worden bijgelegd zolang het doel was om de waarheid te achterhalen, aangezien er geen eenduidige waarheid meer bestond – dat was nu juist het hele probleem. Er was geen sprake meer van een gedeeld wereldbeeld of zelfs van een gedeelde werkelijkheid. Elk van beiden zag de dingen nu enkel nog vanuit zijn eigen perspectief. Er was maar één wereldbeeld dat ertoe deed.’

2 reacties


zondag 30 oktober 2016

Eerste ontmoeting

Het was weer zaterdag. Na een dag lesgeven fietste ik van de Herengracht naar huis. Hoe dichter ik mijn huis naderde, hoe groter de tegenzin. Ik had 2 dagen geen enkele vorm van contact met man gehad. Dat betekent: ik had hem geen app-berichtjes gestuurd.
Goed, ik was op weg naar huis. Ik dacht aan de cursiste die een warme, gezellige zondag beschreven had waarin ze als gezin – achteraf gezien voor het laatst – met z’n vieren bij elkaar zaten.
Goed, ik was op weg naar huis dus.
We zouden er met z’n drieën eten. Man, Deetje en ik. Jeetje was uit logeren. Ik hoopte dat hij iets lekkers gekookt had. En nee, ik hoopte verder nergens op. Misschien was het geen hoop, misschien ging ik er gewoon van uit dat hij deze ‘afwezigheid’ – of hoe het ook heet – zou compenseren met een exquise maaltijd. Iets interessants, veel pannen, glazen wijn.
Goed, bij binnenkomst stond man achter het fornuis. Op zijn sokken. Dat zag ik. En ook dat er maar één braadpan op de kookplaat stond. Aan de ene helft lagen twee dikke bleke worsten, en aan de andere helft een groente die het midden hield tussen broccoli en bloemkool.
‘Gadver.’
‘Nou zeg,’ zei hij.
‘Ja, gadver. Eten we dát?’
‘Je lijkt Jeetje wel.’
‘Weet je al niet meer dat ik niet van worst hou?’
We keken elkaar niet aan. We keken naar de braadpan.
‘Dit is worst van de markt met een q,’ zei hij toen.
‘Ik dacht echt dat je iets lékkers zou maken.’
‘Deze worst lust je wel.’
‘Blóémkool. Gadver.’
‘Dit is geen gewone…’
Hij rolde de worsten en de lichtgroene bloemkool heen en weer in de pan. Ik liep langs hem heen naar boven om mijn rugtas weg te leggen.

Geen reacties


vrijdag 28 oktober 2016

Het geschreven woord

Een greep uit de adviezen die ik krijg:
‘Het wordt weer leuker later, echt waar. Het wordt béter.’
‘Je kunt hem nu niet veranderen.’
‘Zorg voor jezelf en je meisjes.’
‘Hier moet je even doorheen.’
‘Doorgaan met je leven.’

Dit schreef Renate Rubinstein over adviezen:
‘Niemand zei: weet wat je wat jij moet doen, jij gaat hele mooie stukjes in de krant maken waarmee je hem naar je terugschrijft. De enige die dat de juiste tactiek vond was ik zelf. Het heeft niet zo gewerkt en iedereen vindt dat begrijpelijk. Behalve ik, ik sta er nog steeds versteld van dat het geschreven woord niet machtiger is. Maar ik heb ook altijd gedacht dat de slavernij opgeheven werd omdat de regering van Amerika ‘De hut van oom Tom ‘gelezen had.’

In mijn schrift kom ik een oud dialoogje tussen man en mij tegen:
‘Jij dóét er niets aan. Het gáát niet vanzelf.’
‘Ik ben hier,’ zegt hij.
‘Ja, ik ben er ook.’
‘Jij bent er niet.’
‘O nee?’
‘Nee, jij bent er nooit. Ik ben. Dat is wat ik doe. Er zijn. Maar dat kunnen we van jou niet zeggen.’
Ik schrijf deze woorden. Ik ben h i e r.

5 reacties


donderdag 27 oktober 2016

Acceptatie

Het voelde alsof vanmorgen de eerste dag van mijn nieuwe leven was aangebroken. Er was iets van vrijheid mijn hoofd binnengeslopen. Lichtheid. Leven. Acceptatie. Ik ging koffiedrinken met een vriend in het Lloyd hotel.
‘Heeft hij soms een ander?’ vroeg de vriend.
‘NEE JOH. HEL.’
‘Dat gaat nog gebeuren,’ zei hij droogjes. ‘Daar kunnen we vast een voorschotje op nemen.’
‘Ik wil die ander nu al doodschieten.’
‘En jij krijg óók een ander,’ zei hij.
‘Ik niet. Ik zou ook niet weten hoe ik eraan kom.’
‘Plenty.’
‘Ik moet er niet aan denken.’
‘Nee, nu niet.’
‘Ik vind het juist een uitdaging om heel heel erg oud met dezelfde man te worden,’ zei ik. ‘Dat doet niemand meer tegenwoordig. Dat is pas a-von-tuur.’
Ik zag hem een beetje meewarig naar me kijken.
Na de koffie liep ik in de Jumbo die daar in de buurt zat, en zag ze plotseling overal. De Anderen. Mannen met boodschappenmandjes aan hun arm. En versleten cowboylaarzen aan hun voeten. Een eenzame blik in hun ogen. Ze glimlachten naar mij.
Ik wist heus wel dat de vriend gelijk had. Het leven gaat door. Op een gegeven moment komt er misschien een ander. En waarschijnlijk worden we – hoe dan ook – allemaal weer gelukkig. Maar werkelijk: ik moet er niet aan dénken dat het ooit zover komt.
Tot zover: mijn acceptatie.

1 reactie


woensdag 26 oktober 2016

De wederopstandeling

Voor ik naar binnenging, stond ik een tijdje door het keukenraam te kijken. Man lag op het vloerkleed voor de kachel. Hij keek televisie op de iPad. Tot voor kort was dit tafereel het beschrijven niet waard. Nu was het een ideaal plaatje. Een wonder haast. Zolang ik buiten bleef staan.
Voor mij voelt het alsof hij drie weken geleden stierf en dan ís hij er steeds ineens weer.
Meteen toen ik binnenkwam, stond hij op van het kleed en ging op de stoel zitten.
Hij had met de meisjes gegeten en ze naar bed gebracht. Ik was netjes tot half tien thuis weggebleven.
Daar zaten we. Tegenover elkaar. Boven sliepen onze meisjes. Ik vertelde ditjes en datjes over mijn dag, zoals ik gewoon ben. Hij begon zijn schoenen aan te trekken.
‘Ik ga maar eens.’
‘Ja.’
‘Ik ben moe.’
‘Ik ook.’
‘Ik had nog wel wijn voor je,’ zei hij.
‘Zullen we nog één glaasje wijn drinken?’
‘Dat is goed.’
Even later zaten we in de tuin. We hadden het over het tijdelijke appartement dat hij over anderhalve week zou betrekken. Hier op het eiland. Over dat dat prettig is. Dat het goed zal zijn als hij weer meer betrokken kan zijn bij de meisjes.
‘Ik mis ze vreselijk,’ zei hij.
‘Ja.’
We dronken dat ene wijntje. We rookten.
‘En mis je mij ook?’
‘Nee,’ zei hij, ‘jou niet.’
‘O.’
‘Helemaal niet.’
‘Misschien komt dat nog.’
‘En mijn droefheid, of depressie wat was het? is al bijna weg,’ zei hij.
‘Dan is het toch ergens goed voor.’
‘Ja.’
‘Nu heb ik de droefheid.’
‘Ja,’ zei hij.
We lachten. De wijn was op. De sigaret was op. En toen zwaaide ik de levende dode weer uit.

1 reactie


dinsdag 25 oktober 2016

Nee hoor

Er zitten ook praktische kanten aan het verhaal van de weggelopen man. Vanmorgen is bijvoorbeeld mijn fiets stuk gegaan. Normaal gesproken zou ik met de fiets aan de hand naar huis lopen en ‘Man!’ roepen. ‘Fiets kapot! Maken!’
Dat doe ik al 24 jaar lang.
En dan zou man naar buiten komen op z’n sokken, met z’n warrige haar, frons in zijn wenkbrauwen, een beetje tegenzin, hij zou de fiets op z’n kop zetten, met de ketting rommelen, hier en daar wat verbuigen, het ding weer rechtop zetten. En dan deed de fiets het weer.
Een kusje zou ik hem geven, zwaaien, en de brug over racen.
Maar oké. Het is nu even niet normaal gesproken.
Dus ik zette daarnet zélf m’n fiets op z’n kop, rommelde met de ketting, verboog hier en daar wat en zette het ding weer rechtop. En toen deed de fiets het niet.
Ik herhaalde dit protocol een paar keer – dacht na over emancipatie waar ik wel een grote mond over kan hebben, maar die in de praktijk toch stilletjes aan mij voorbijgegaan is, wat niet weet wat niet deert – maar de fiets deed het nog altijd niet.
Ik hoorde dat iemand gestopt was met het lezen van dit weblog omdat de stukjes te droevig voor haar waren. Het zóú ook mooier zijn als ik nu eens een triomf zou beschrijven. Zo van: ik rommelde wat met die fiets, en ja hoor! Natuurlijk! Simpel!
Maar nee hoor.

Geen reacties


maandag 24 oktober 2016

Tastbaar

In het holst van de nacht kropen ze bij mij in bed. Eerst Deetje en toen Jeetje. Ze konden niet slapen. Ik kon ook niet slapen. Zo lagen we met z’n drieën in het grote bed dat aan de kleine kant is. De poezen mauwend voor de deur. Maar die mochten er niet bij.
Ik had één meisje onder mijn ene arm en het andere meisje onder m’n andere arm. Ze kleefden aan me vast. Heel stil lagen we. De levensgrote afwezige haast tastbaar om ons heen.
‘Niet denken,’ fluisterde ik. ‘
‘Nee,’ zei Jeetje.
‘Voel je ademhaling.’
Heel lang luisterde ik naar het ademen van de meisjes. Tot man echt in de kamer verscheen, ons alledrie omarmde en de heilige vier-eenheid compleet was. De onrust was meteen weg. Zelfs de poezen werden stil. Hij lag aan de andere kant van de stad alleen in een bed, niet te slapen, en had gevoeld dat hij nu terug moest. Het volgende moment was hij er. ‘Ik wist niet dat je dat kon,’ zei ik. Heel snel daarna was het ochtend en liepen we gevieren achter elkaar de trap af, hij dekte de ontbijttafel, er klonk een prachtig muziekje. Alles was goed.
En toen..ja toen ging de wekker.
En toch leek het niet op een droom.

Geen reacties


zondag 23 oktober 2016

Niets

Er was niets. Buiten het schrijven van een stukje op dit weblog was er niets dat mij nog boven mijzelf uit kon tillen. Ik zat op de bank naar de tuin te kijken. Of in de tuin te roken.
Man en Deetje waren naar oma. Jeetje uit logeren. Vroeger zou ik heel blij en tevreden zijn met een vrije zaterdagmiddag. Nu was het al met al: niets.
Op een gegeven moment deed ik toch iets goeds: ik nam een bad. Maar de badkamermuren werkten niet mee. Dus dat was ook niets.
En toen deed ik nog iets goeds: ik vluchtte het huis uit. Ik was precies op tijd toen de film Tonio begon. Over het ergste verlies dat een mens kan meemaken.
Hoe de vader naar de bewakingsbeelden zit te kijken. De lege nachtelijke straat. Zijn zoon die eraan komt fietsen. De auto van rechts. Het beeld stop zetten. Roepen dat hij even moet vertragen, heel even maar. Een paar seconden.
Het was heel mooi om te zien hoe de schrijver in hem  – na een periode van zichzelf bijna-dood zuipen – opstond om in te grijpen. Hoe hij probeerde godverdomme recht te breien wat totaal niet had moeten gebeuren. De tijd stil te zetten. Het leven voor te zijn. De dood te slim af. Zijn zoon terugschrijven. Maar die zoon kwam niet echt terug.

1 reactie


zaterdag 22 oktober 2016

Toeval

Op zaterdagochtend wandelen Deetje (6) en ik van de tram naar de Bijenkorf. Ik geef haar een paar te dure laarzen en drie veel te dure maillots. Dan gaan we weer terug. In een hip zaakje in de Warmoesstraat krijgt zij een ijsje en drink ik espresso en versgeperste jus. We zitten naast elkaar op een roodleren bank. Ik kijk of ik nog een nieuw bericht heb en scroll door de boze berichtjes die man en ik vanmorgen naar elkaar gestuurd hebben.
‘Papa gaat in een ander huisje wonen, hè?’ zegt Deetje dan. ‘Papa is niet meer verliefd op jou, hè?’
‘Zei hij dat?’
‘Ja.’
‘Nee, papa is niet meer verliefd op mij.’
‘Dus dat is eigenlijk scheiden?’
‘Ja.’
Ze likt van haar aardbeienijsje. Ik drink mijn sapje. We kijken voor ons uit.
‘Mama?’
‘Ja?’
‘Ben jij eigenlijk nog wel verliefd op papa?’
‘Nou, eh, ja.’ En dan zeg ik dat ik even af ga rekenen. Dat we moeten gaan. Dat we de tram moeten halen. Papa zal haar zo thuis op komen halen voor zwemles.
Even later wandelen we hand in hand in de richting van het Centraal Station. Langs drommen toeristen. En als we bij de Prins Hendrikkade het fietspad oplopen om over te steken, worden we bijna omver gefietst door de persoon die we nú net niet hadden verwacht. En meteen lachen we breed, ondanks de berichtjes, dat gaat vanzelf als we elkaar zien. Een kort moment van connectie.
‘Ik was op weg naar huis,’ zegt man. ‘Wat een toeval!
‘Ja, wat een toeval!’
‘Deze weg neem ik anders nooit,’ zegt hij.
‘Papa!’
Even later zit ik op het kinderzitje achterop, Deetje staat voorop de stang, en zo fietsen we gedrieën de stad uit. Op zachte banden.

Geen reacties


vrijdag 21 oktober 2016

Lifeline

In mij knippert de laatste weken continu het alarmerende rode lichtje. Je batterij is bijna leeg. Bijna leeg. De procenten hollen achteruit. En hoe vaak ik het huis ook doorzoek, mijn oplader is kwijt. Weg. Verdwenen.
Dit is een ontzettend lelijke metafoor. Maar het is wel waar.
Vanmorgen plukte ik man uit de kamer – die hier was gekomen om ‘iets leuks’ met Deetje te gaan doen – trok hem met me mee, deed alles wat ik juist niet moet doen, en lag in dat gestolen moment tegen hem aan, mijn ogen gesloten, zijn hand op mijn hart, en toen ja, toen voelde ik het leven weer in mij stromen. Hoogstens één minuut. Groen licht. Vijftien procent.
Ik kan er weer een tijdje tegenaan. Volledig autonoom. Voor jezelf zorgen heet dat.

Goed, dit is een overgangsperiode.
Goed, dit is een proces van ontvlechten.
Bij mijn ouders was ik achttien jaar. Bij man vierentwintig jaar. Twaalf dagen geleden is hij vertrokken. Loskomen kost tijd. Dat snap ik. Oké. Goed. Prima. Fijn. Ik begrijp het.

‘Neem je verlies,’ zei iemand.
‘Doe ik, doe ik.’

Apple Music heeft vandaag de song ‘Back for good’ van Take That speciaal voor mij geselecteerd.

Op Facebook ontvang ik een gesponsord bericht van De Ex Terug Methode.

Mijn verlies en ik, we luisteren ‘Waiting for the Miracle to come’ van Cohen uitgevoerd door de Scandinavian Report.

Geen reacties


donderdag 20 oktober 2016

Bij de blokker

Man, Jeetje en Deetje vertrokken voor een nachtje naar een hotel met zwembad. Jeetje zat voorin, op mijn plek, en Deetje zat achterin. En toen reden ze weg. Ik moest huilen. Niet omdat ik mee wilde. Maar omdat ik niet mee wilde. Alles wat ik ooit heb gelezen over liefdesverdriet en wat erover gezongen wordt, is waar. Barensweeën zijn er niets bij. Geen wonder dat er altijd zulke aanstellerig grote woorden voor gebruikt worden. Het is geen aanstellerij. Iemand zei me: ‘De wond zit op dezelfde plek als verliefdheid. Maar nu is het het omgekeerde.’ Iemand zei me: ‘Het is wél goed voor de literatuur.’ Toen ik dit gisteravond aan een vriendin vertelde, riep zij uit; ‘Jezus, de literatuur! Jij zou natuurlijk nog liever bij de Blokker gaan werken en voor altijd met schrijven stoppen, als je je gezin maar bij elkaar houdt.’
‘Ja, tuurlijk!’ zei ik en nam een slokje wijn. Nee, dacht ik. Dat niet. Ik zou niet nog liever bij de Blokker gaan werken. Maar hardop durfde ik dat niet te zeggen.

Geen reacties


woensdag 19 oktober 2016

Kanariegeel

We zaten in de bus. Lijn 83 waar ik vroeger zo vaak ingezeten heb. Als kind ging ik altijd met mijn oma naar de stad, als tiener zat ik hier alleen – onderuitgezakt, met dat gepermanente haar, het wit weggetrokken kopje en die lege blik in mijn ogen – en nu zaten we met z’n drieën in de bus. Jeetje, Deetje en ik. Met een rugzak vol herfstbladeren en kastanjes. En onze rolkoffer. We waren een paar dagen bij opa en oma geweest.
‘Wat gaat die bus langzaam,’ zei Jeetje. ‘Het lijkt wel of we stilstaan.’
Lijn 83 reed inderdaad in slakkentempo langs de plaatsjes Gennep, Ottersum, Plasmolen, Mook, Malden – er was niets veranderd behalve halte ‘de Helweg’ – en na een klein uur kwamen we in Nijmegen aan. Daar hadden we de aansluiting met de trein naar Amsterdam gemist.
Jeetje en Deetje mochten een tijdschrift uitzoeken en ik nam de Psychologie waarin stond hoe je om moest gaan met een gebroken hart. Nog voor de trein station Arnhem bereikt had, had ik het blad al in een prullenbakje gepropt.
‘Je moet het rijbewijs echt halen, mama!’ zei Jeetje. ‘Ik zie ons al helemáál voor me. Hoe we dan rijden in een klein autootje. Met de muziek kei hard. En onze hond hijgend in onze nek.’
Toen zag ik het ook even voor me. Een kanariegeel wagentje waarin ik over de wegen scheurde met mijn dochters en een immense Golden Retriever op de achterbank.

Geen reacties


maandag 17 oktober 2016

Het gat

Het is zes uur ’s avonds. Ik heb de hele dag lesgegeven. Heel langzaam fiets ik terug naar huis. Over de gracht, de brug en de dijk. Zoals elke zaterdag. Het gat in mij is zo groot dat de wind er dwars doorheen waait. Misschien dat ik daarom haast niet vooruit kom.
Door het raampje zie ik hem al staan. In de keuken. Zijn hoofd onder de afzuigkap. In plaats van op te kijken, blijft hij nu doorroeren in zijn pan. En in plaats van aan te kloppen, zoek ik naar de huissleutel in mijn rugtas.
De houtkachel brandt. De kinderen spelen op het kleed. Zodra ik binnenkom, schieten de oogjes pijlsnel van mij naar man en weer terug. Ze lachen net te hoog, te veel, te opgewekt.
‘Hallo!’
‘Hallo,’ zegt man. ‘Goed gewerkt?’
‘Ja hoor.’
‘Ik had deze wijn net gekocht. En vandaag staat die toevallig ook in de wijngids.’ Hij houdt een fles omhoog.
‘Wat goed!’
‘Goed van mij, hè?’
Man schenkt een glaasje wijn voor me in. De kaarsjes branden. Hij en Jeetje hebben een complete Indonesische rijsttafel gemaakt. Even later zitten we met het hele gezin aan tafel, maar – hoeveel bakjes er ook voor onze neus staan – het voelt alsof er in ons midden een bom is ontploft. Ook in ons vieren is een gat geslagen.
‘Lekker is die wijn,’ zeg ik.
‘Gewoon van de AH.’
‘Moet ik onthouden.’
En na het eten laat ik me naar rechts vallen. Mijn hoofd in zijn schoot. Hij legt zijn handen op mijn rug. Mijn ademhaling wordt kalm. Alles wordt kalm. Heel even is het gat gedicht.

1 reactie


vrijdag 14 oktober 2016

Dus

Op mijn zeventiende werd ik gedumpt door de knapste jongen van de hele school. Een paar dagen later kwam er een geblindeerde zwarte BMW het schoolplein in Boxmeer oprijden. Voor mij. De deur ging open en de dertigjarige Michael Jackson stapte uit. Zoals hij eruit zag in zijn BAD periode. Iedereen – ook de knapste jongen – zag het toen ik op hoge hakken naar hem toe liep.
Daar gingen Michael Jackson en ik. In de BMW. Over de snelweg. Naar Oss. Daar woonde hij met zijn moeder.
‘Gaan we naar Oss?’
‘Ik zal je straks lekker masseren.’ Hij fluisterde.
‘Maar ik moet huiswerk maken,’ zei ik. ‘Dus.’
‘Huiswerk?’
‘Huiswerk.’
Het bleef stil. De BMW gleed geruisloos over de weg. Michael Jackson rook sterk naar parfum.
‘Ik moet nú naar huis.’
Hij stopte bij een parkeerplaats. Hij boog zijn gepoederde gezicht naar me toe.
”Ik hou ook niet van masseren,’ zei ik. ‘Dus.’

1 reactie


donderdag 13 oktober 2016

Duidelijkheid

Deetje (6) kwam mijn slaapkamer binnen.
‘Waar is papa nou?’
‘Hij logeert toch ergens anders?’
‘Ja, maar hoe láng dan?’
‘Best een hele tijd.’
‘O,’ zei Deetje. En meteen daarna: ‘We maken een kalender! Dan kunnen we de dagen afstrepen tot hij er weer is!’
Ik zei niets.
‘We kunnen toch een kalénder maken, mama?’

Aan de ontbijttafel had Jeetje (11) ‘Aan de Amsterdamse grachten’ op repeat gezet.
‘Zeg, papa komt toch wel weer terug in de herfstvakantie?’ vroeg ze.
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Dit gaat veel langer duren dan een paar dagen,’ zei ik.
Jeetje trok krijtwit weg. Deetje aaide de afbeelding van de Golden Retriever pup op een roze etui.
‘Dit is mijn hondje,’ zei ze. ‘En dit etui heb jij ook, hè mama, en jij ook, hè Jeetje?’
‘Dus hij gaat voorlopig ergens anders wonen,’ zei ik. En toen volgde die hele riedel, bla bla bla, zus zus zus en zo, houden van jullie, allebei heel vaak zien, zus zus zus en zo en als laatste zei ik: ‘Op proef. Dus nog niet definitief.’
En als allerlaatste: ‘Jullie mogen er ab-so-luut niet onder lijden.’
‘Ja haha,’ zei Jeetje.
‘Ja, dat is onzin hè?’
‘Nou,’ zei Jeetje, ‘dan heb ik liever een vader die zégt dat hij definitief weggaat, maar gewoon blijft, dan een vader die niet definitief weggaat, maar al weg ís.’
(De ouders van haar beste vriendin gaan uit elkaar. Ze hebben dit vorige maand heel serieus medegedeeld, maar er is verder niets veranderd.)
En toen zei ik: ‘We gaan zaterdagavond gewoon met z’n vieren eten, goed? En daarna nog een potje kaarten.’
En daar kikkerden ze enorm van op.
En daarmee liet ik mijn idee van man voorlopig helemaal niet zien ter plekke varen.
En toen zongen we nog even mee van ‘een huisje in Amsterdam’ en ‘ik ben zo blij een Amsterdammer te zijn’.

1 reactie


woensdag 12 oktober 2016

Tegenstrijdigheid

In mijn lessen creatief schrijven geef ik veel aandacht aan de tegenstrijdigheid die in een tekst moet zitten. Dubbelheid. In een personage. In de omstandigheden. In elk woord dat je opschrijft.
Dat is wat een tekst goed maakt.
Dus het is beter als iemand weg wil en tegelijkertijd wil blijven.
Het is mooier dat iemand bij je weggaat waarvan je nog houdt, dan dat er iemand bij je weggaat waarvoor je al niets meer voelde. Dat laatste zou de tekst saai maken. Dan denken we: ‘hè, hè, die is weg. Gelukkig maar. Einde verhaal.’
Hoe groter de liefde, hoe érger de afwijzing voor je personage is.
En daar gaat het allemaal om bij het schrijven: maak het voor je personage zo moeilijk mogelijk. Laat er dus ook nog kinderen in het spel zijn. Dat is altijd goed.
En nee, laat ze nou eens géén vijandige relatie hebben, met veel ruzie, schelden, spanningen over en weer, maar laat je personages avond aan avond spelletjes doen met hun dochtertjes, samen een wijntje drinken bij de houtkachel, lepeltje lepeltje tegen elkaar aan in slaap vallen, en dán besluit de één om te vertrekken.
Dat is mooi. Omdat we het niet verwacht hadden. Omdat de lezer het niet aan had zien komen.
De klap is dan dés te groter. Dat is literatuur.
En nee, laat er nou eens geen ánder in het spel zijn. Dat is te voorspelbaar.
Speel met het verwachtingspatroon van je lezer.
De mensen van wie je het het minst verwacht had, laat die het moeilijk krijgen samen.
Het is mooier als je personage het allerliefst in iemands armen wil liggen, vastgehouden wil worden, voor altijd samen wil zijn, maar diegene ook het allerliefst met zijn zelfgemaakte gehaktballetjes zou bekogelen, met de koekenpan op zijn hoofd zou timmeren en hem nooit meer wil zien.
Alléén een boosaardig type is niets.
Alléén iemand die lijdt is ook saai.
Die tweestrijd in jezelf én in je omgeving, dat is wat literatuur is all about. Van het leven begrijp ik niks.

1 reactie


dinsdag 11 oktober 2016

Gewoon helemaal

Vannacht werd ik wakker van het miauwen van een kater op straat en het rommelen aan het slot van de voordeur. Ronnie is terug! Man is terug! Alle hens aan dek! Maar beneden bleek de stoep leeg. Ik haalde voor de zekerheid toch de haak van de deur. Een mens kan zich vergissen. Ook man.
Op een ander moment in de nacht kwam Deetje mijn slaapkamer in: ‘Ik hoor steeds iemand beneden koffie malen,’ fluisterde ze.
‘Er is niemand,’ zei ik.
‘Papa misschien?’
‘Papa is toch uit logeren.’
‘Komt hij morgen terug?’
‘Hij komt woensdag en zaterdag.’
‘En dan gaat hij weer?’
‘Dat denk ik wel.’
‘Maar wanneer komt hij echt helemáál terug? Gewoon helemaal.’
‘Dat weet ik niet precies.’
‘Ik ben bang.’
‘Kom maar bij me liggen.’
Een opgekruld meisje lag naast me te slapen, op de plek waar gisteren man nog lag.

2 reacties


maandag 10 oktober 2016

Not yet

Ik zwaaide man uit vanmorgen. Hij moest in alle vroegte naar het werk, en daarna zal hij naar een andere stad rijden om de sleutel op te halen. Nee, ik zwaaide hem niet uit, ik stond stiekem door het glas van onze voordeur te kijken hoe hij in de auto stapte, de deur dichttrok en wegreed. De donkerte in.
Zoals ik op zaterdagavond in de Leidsedwarsstraat naar hem had staan kijken. Hij was wat eerder dan afgesproken bij Bombay en stond al voor het restaurant. En ik was er ook wat eerder en keek. Hij liep precies de andere kant op dan daar waar ik stond. Hij was wat vroeg, hij maakte nog een ommetje. Hij slenterde als het ware de straat uit. Nou daag dan, zei ik en zwaaide met een slap handje.
Op het Leidseplein pakte ik mijn fiets en racete hem via een andere straat tegemoet.
‘Hee hoi. Ik had je al gezien.’
‘Hè? Wanneer dan?’
‘Ik hou je overal in de gaten.’
‘Heb je nieuwe schoenen aan?’
‘Ja. Hoe weet jij dat?’
‘Dat zie ik toch.’
‘Dat jij dat ziet.’
We gingen naar de voorstelling Husbands and Wives van Toneelgroep Amsterdam. Een absolute aanrader, maar dit terzijde. Na de voorstelling spraken we over de vorm en de structuur van het stuk dat die zo goed was geweest, dronken we een paar wijntjes, spraken we over mensen in het algemeen dat die altijd maar weer zulke domme dingen doen tot ze dood gaan, liepen we naar de fietsenstalling waar zijn fiets stond. Ik werd staande gehouden door een singer/songwriter uit New York die mij om een vuurtje vroeg. Ik zag hoe man verdween onder de grond.
‘Is he leaving you?’ vroeg de singer/songwriter.
‘Not yet,’ zei ik.
En dat is ook zo.

1 reactie


vrijdag 09 september 2016

Even niet

Hey you out there,
Ik ben er even niet.
Voorlopig, – ik denk zo tot de kerst – plaats ik hier geen stukjes. Ik vind het onwennig. Maar ik ga mij concentreren op het andere werk dat me nu echt te doen staat. Op een dag ben ik terug. Ik hoop jij ook.
Mocht het nou beter voor me blijken te werken deze tekstjes wel te maken, dan ben ik er veel eerder gewoon weer. Niet te rigide zijn, nooit te rigide zijn, vind ik.
Me.

Geen reacties


vrijdag 02 september 2016

De muis

Ik las een biografie van een visser die jarenlang de zee borduurde omdat hij ziek was en niet veel anders meer kon. Ik heb het hier al eerder gehad over de muis met de schort achter de kinderwagen die ik in klas zes van de lagere school borduren moest. Die muis komt vaak terug.
Een grijze muis met schort en strik, achter een kinderwagen. Naar mijn idee heb ik het hele jaar alleen aan dat ene borduurwerkje gewerkt, de andere meisjes waren allang klaar, ook de jongens hadden hun figuurzaag-werkje af, terwijl ik op die handenarbeid vrijdagmiddag maar steeds met naald en draad in de weer was. Net zo lang tot die verschrikkelijke grijze muis tevoorschijn zou piepen. Het moest precies dezelfde muis worden als iedereen had. Ik weet nog dat de juf zei dat mijn muis niet goed was. De voorkant niet en de achterkant ook niet. Mijn muis helde voorover en de achterkant van het borduurwerkje was één grote knoop. Voor de moeite kreeg ik een zes min. Het maakte mij niet uit. Als ik maar nooit meer zou hoeven borduren. En de muis wilde ik voorgoed vergeten, maar meer dan dertig jaar later popt ze nog regelmatig in mijn geheugen op. Het lijkt nu alles wat ik ooit op de basisschool gedaan heb.
We hadden een meester én een juf in de zesde klas. Het was een getrouwd stel. De juf ging over de borduurwerken en de meester over het figuurzagen. Net zoals de juf ons de biologieles gaf over het menselijk lichaam en de meester in een ander lokaal aan de jongens vertelde wat er voor de jongens allemaal te gebeuren stond.

Geen reacties


donderdag 01 september 2016

Zuiverheid

Een woensdagmiddag op het Diemerstrandje. Deetje en haar vriendje groeven een kuil naast het kleed waarop ik zat. Die twee zesjarigen; het allerjongste en verreweg het allermooiste stel dat ik ken, ongelooflijk trouw, altijd respectvol en zorgvuldig naar elkaar toe. Ze bieden elkaar een luisterend oor, zijn óók begripvol als de ander een kleinood lijkt te hebben, nooit of te nimmer zullen ze een grapje maken ten koste van de ander, ze zorgen voor elkaar, en zijn sinds hun crèchetijd in een dialoog verwikkeld die geen einde lijkt te kennen, er bestaat geen sleur, ze kunnen er geen genoeg van krijgen met elkaar te spelen, een enkel meningsverschil daargelaten, wat vaak op ernstige wijze met elkaar besproken wordt, geen volwassen stel doet hen dat na.
Goed, gisteren wilde er dus een derde jongetje meedoen met het graven van die kuil. Het vriendje van Deetje werd, zo had ik hem nog nooit gezien, meteen nogal vilein naar het jongetje toe. Eigenlijk ronduit vals.
‘Waarom doe je nou steeds onaardig?’ vroeg ik.
‘Ik weet het niet,’ zei hij, ‘ik voel boosheid als hij erbij komt. En daarom wil ik niet dat hij mee doet. Steeds als ik hem zie, voel ik heel veel boosheid hierbinnen. En daarom ga ik dan zo doen.’
‘Ja,’ zegt Deetje, ‘hij wil gewoon niet dat het jongetje meedoet.’

Geen reacties


dinsdag 30 augustus 2016

De bos

Ik zit naast de roze met paarse bos bloemen – hoofdzakelijk rozen – die ik eergisteren naast de vuilnisbak vond, een paar straten verderop, nog in cellofaan, met 2 zakjes voeding, en die minstens veertig Euro gekost moet hebben. Ik was op weg naar de supermarkt, maar heb toen de bos opgeraapt en thuis in een vaas lauw water gezet, de stelen scheef afgesneden, de zakjes voeding erbij gedaan, de bloemen mooi geschikt, het lot van die bloemen trof me bovenmatig, alsof zij er ook maar iets aan kunnen doen! Zo maar weggesmeten bij het vuilnis. Tussen de gever en de ontvanger komt het voorlopig niet goed.
Maar de gigantische bos was niet ín de container gepropt. Dat dan toch niet. Er zat iets van erbarmen in de persoon – vanwege de kleur van de bos denk ik aan een vrouw – die de bloemen niet wilde/kon ontvangen, zoals moeders die hun baby te vondeling leggen, het kindje dan meestal toch naast de container leggen in plaats van erin, in de hoop dat iemand zich erom bekommert.
Zo heb ik, de held van dit verhaal, die doorgaans weinig op heeft met bossen bloemen, mij om deze bos bloemen bekommerd, die daar in de brandende zon lag te sterven.
Goed, de bloemen leven dus nog even. De grote vakantie is voorbij. Het is nu werkdag twee. Oók voor de mensen die buiten van negen tot vijf aan het heien zijn. Er wordt voor mijn neus een heel nieuw dorp op palen in het water gestampt. Jeetje zit in groep acht, Deetje in groep drie en ik ben groeploos, ik moet mijzelf richting zien te geven. Dat zijn de feiten.

2 reacties


maandag 22 augustus 2016

Ronnie moet het zelf maar weten

Gisterochtend hebben we Ronnie, die al zeker zes weken van huis was weggelopen, rustigjes langs het water zien wandelen. Hij zag er goed uit en leek ook wel blij om ons te zien. We hebben hem in een tas gepropt en zijn snel met hem naar huis gegaan. Toen waren we eindelijk allemaal weer bij elkaar. Met z’n allen keken we toe hoe het ontrouwe beest brokjes naar binnen schrokte. Zijn zuster besnuffelde zijn reetje even. Maar trippelde al gauw verveeld terug naar haar mandje.
Na het vreetfestijn ging Ronnie in onze tuin liggen slapen. De hele dag door heb ik gecontroleerd of hij daar nog wel lag.
‘Niet schreeuwen,’ zei ik tegen de kinderen, ‘dat vindt Ronnie niet leuk. Dan gaat Ronnie weer weg. Willen jullie dat Ronnie weer weggaat soms?’
De kinderen deden extreem zachtjes. Steeds lag Ronnie er nog.
Maar vanmorgen was het zwarte mormel toch in geen velden of wegen meer te bekennen.
Hij is naar zijn nieuwe stekje waarschijnlijk. Naar Martje. Aan de dijk. Nog geen vijf minuten hier vandaan. Martje. Met haar enorme tuin. En haar kleine hippie huisje met de grote gele zon op de voordeur. En haar kippenren. En haar houtkachel binnen en buiten. En haar bloemenzee. En haar moestuin.
Daar is Ronnie nu liever dan bij ons.

Geen reacties


dinsdag 26 juli 2016

Harry

De vaste telefoon gaat. Ik rol van de bank. Daar zal je Harry eindelijk hebben! Harry die zegt dat hij in de buurt is. Harry die naar mijn kapotte koelkastdeur komt kijken. Hij kon niet precies zeggen hoe laat hij kwam, maar hij heeft belooft dát hij kwam. En dan komt Harry ook. Zo’n type is het.
Er is een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn. Harry is geen vrouw.
‘Is de heer Man er ook?’ vraagt de vrouw.
‘Nee, die is weggelopen.’
‘Pardon?’
‘De heer Man is weggelopen.’
‘Vandaag bedoelt u?’
‘Weggelopen bedoel ik.’
‘Wanneer komt hij terug?’
‘Misschien wel niet meer.’
‘Is er iemand anders in uw huis die beslissingsbevoegdheid heeft.’
‘Nee niemand.’
‘Niemand?’
‘Nou ja; Harry. Maar die is er nog niet.’
‘Nou, ik hoop dat de heer Man terugkomt.’
‘Ja, ik hoop het ook.’
‘Een fijne dag verder, mevrouw.’
‘U ook, mevrouw.’

1 reactie


maandag 25 juli 2016

Weg

Het is maandag. ( Dinsdag nog. Woensdag. Donderdag. Vrijdag. Zaterdag.)
En de koelkastdeur hangt scheef. De kaas is warm, de boter zacht. Het ergste: de witte wijn blijft lauw. De reparateur belt niet terug. Ook de douchecabine is kapot. Het bad lekt. De badkamervloer barst.
‘Ons huis valt uit elkaar,’ zei Jeetje voor ze vertrokken.
‘Dat is waar,’ zei ik. ‘Het stort langzaam in.’
Ik heb nu de tijd om te schrijven. Maar in plaats daarvan denk ik steeds aan een leuk vliegreisje voor mezelf. Weg van de koelkastdeur die scheef hangt. Weg van het huis dat uit elkaar valt. Weg van..
Voor de rest is alles al weg.

Geen reacties


zondag 24 juli 2016

Een kijkje achter de schermen dan maar

Mijn schoonzus merkte op: ‘Je wordt de laatste tijd wel héél persoonlijk in je blog.’
Ik schrok.
Ik kon haar niet peilen door haar zonnebril. Vond ze het heel persoonlijke verwerpelijk? Hoorde ik hier de subtekst: ‘Pas op je woorden jij.’ Of was het niet meer dan een constatering. Een droge observatie?
‘Dat is nu eenmaal zo als je met mij te maken hebt,’ zei ik kortaf.
‘Dus dan hebben we pech.’ Ze giechelde.
In wezen wel, dacht ik. Ik vond het niet erg aardig gedacht van mezelf. Het had iets van: ‘Pas maar op of ik schiet.’ Dat zit er – eerlijk is eerlijk – toch óók bij. Iets links.
Ik dacht aan de bijbeltekst: ‘Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’
Ik dacht ook: maar ik bén niet veel persoonlijker dan anders. Het onderwerp van mijn observaties verschuift met de tijd, met de dingen die er in mijn leven gebeuren. Dit is een onrustige fase. Het is maar een splinter op een dag die ik hier opschrijf. Een splinter die ik heel bewust uitkies. Ik probeer niemand anders dan mijzelf onder de loep te leggen. En dan ook nog maar eens een klein stukje van mezelf. Ik abstraheer verschrikkelijk. In een poging van het hele persoonlijke iets universeels te maken.
Maar goed: ik leef niet alleen. Man wordt tegenwoordig inderdaad weleens op een tekstje van mij aangesproken. Terwijl hij daar niet om gevraagd heeft. Dat is zeker waar. Híj vindt het trouwens prima wat ik opschrijf. Hij weet heel goed dat Man niet meer dan een afsplitsing van hem is, en identificeert zich er nooit één op één mee. Op mijn beurt weet ik heel goed wat ik wel en niet op kan schrijven als het over ons gaat. En als ik twijfel, laat ik het eerst lezen. ‘Kan dit denk je?’
Het lijkt toch op rechtvaardigen, wat ik nu aan het doen ben.
Gisteren zei een vriendin: ‘Jullie leven is meteen materiaal.’
‘Ja, nou ja…’
Ze zei: ‘Hij zou niet eens dúrven zeggen als hij het niet prima vond.’

Ik zal even goudeerlijk zijn: in het stukje dat ik gisteren postte, waren het in werkelijkheid geen vier stoelen, maar nog een paar meer. Ik geloof zes. Als ik op zou hebben geschreven dat man een stuk of wat stoelen weghaalde, was het niets geweest. Het ging om vier min één. Ik gebruikte de stoel als symbool. Om de tekst sterker te maken, liet ik er een paar weg. Is het nu je dit weet een minder wáár stukje?
Ik wilde het gevoel van buitengesloten worden, beschrijven.
Ook zijn we vóór ze vertrokken twee nachten met z’n vieren aan zee gaan kamperen. (Met z’n vijven zelfs om de volledige waarheid te vertellen. We namen een buurmeisje mee.)
Ook zullen we nadat ze terugzijn uit Frankrijk met het gezin twee weken in de Dolomieten gaan wandelen. Als God het blieft.
Meer weet ik niet over de toekomst.

Ik lees net het interview met Hagar Peeters in Trouw, met als kop De waarheid moet je liegen. Ze zegt: ‘Door de essentie eruit te halen, doe je de waarheid geweld aan. Je gebruikt wat je nodig hebt. Dat is de kunst.’

Dat is allemaal best ingewikkeld uitleggen aan mensen die daar niet hun vak van hebben gemaakt. Het is soms ook ingewikkeld als je er wel je vak van hebt gemaakt. Zo modderen we voort.

1 reactie


vrijdag 22 juli 2016

Och ja!

’s Morgens heel vroeg bakt ze de eitjes voor de lunch, straks, ergens langs de snelweg. Ze heeft de tassen voor de meisjes ingepakt, een dikke trui voor ’s avonds als het koud wordt, genoeg t-shirts en onderbroeken voor acht dagen, sokken, ook heeft ze er een groot kleed bij gedaan, voor een huiselijke sfeer in de voortent. Nadat ze nog wat onnodige instructies heeft gegeven als – ‘denk erom je moét elke dag je haren kammen anders krijgen we de knopen er niet meer uit straks, je wéét dat papa dat vergeet’ – is het toch zover.
In haar nachthemd staat ze op de stoep. De te volgepakte Peugeot staat klaar, de meisjes nestelen zich op de achterbank. Ze voelt de vakantiestemming. Maar op de plek waar zij anders zou gaan zitten, ligt nu het campingmeubilair.
‘Ik bedenk me net dat ik een stoel te véél heb ingepakt.’ Man stapt uit om er een weg te halen.
‘Och ja! Jullie hebben er geen vier nodig.’ Ze lacht.
‘Nee, we zijn met drie!’
‘Ja, jullie zijn met drie.’
Hij smijt de stoel in het halletje, gaat weer in de auto zitten, wil wegrijden. Er staat nog een deur wagenwijd open. Het meubilair trekt ‘m niet dicht, denkt ze. Dat niet.
‘De déúr staat nog open!’ roept hij vanachter het stuur.
‘Och ja! De deur!’ Ze duwt ertegen en zwaait. Zodra de auto de straat uit is, draait ze zich om, nog vóór ze binnen is flikkert ze over die ene stoel die daar ligt.
Ik kan er op zitten als ik wil, denkt ze.

Geen reacties


donderdag 14 juli 2016

Dijenkletser

Ik beluisterde de final mix van het hoorspel dat ik geschreven had. Het halfproduct dat nu een heelproduct is geworden. Het verhaal was veel sinisterder dan ik gedacht had toen ik het opschreef. Eenzamer ook. Het was een soort bad trip, een nachtmerrie. De hele verdere dag werd ik achtervolgd door de nachtmerrie. Het geluid was in alle kieren en gaten van mijn lichaam gaan zitten. Als één groot muziekstuk was het hoorspel rechtstreeks bij me binnen gekomen. En het wilde er die hele dag niet meer weggaan. Wat ik ook deed; een blokje om lopen, muziek hard zetten en tomatensoep maken voor de hele buurt, het vergezelde me als mijn schaduw. Dat is feitelijk een heel goed teken.
Wel nam ik me weer eens heilig voor voor de volgende keer echt een dijenkletser te schrijven. Iets mega vrolijks. Iets lichts. Iets gelukkigs. Iets zonnigs. Iets vakantie-achtigs.

Geen reacties


maandag 11 juli 2016

Het voordeel van voor pampus liggen

Op zondag voeren we naar het eiland Pampus met de boot van de buren. Man achter het roer, geflankeerd door mijn broer en mijn vader. Op de kussens op het dek lagen Jeetje, haar vriendinnetje, Deetje, mijn moeder en ik. Ik had mijn ogen dicht, pet op, handen onder mijn hoofd. Zon. Opspattend water. Alles golfde. Ik had maar een paar uur geslapen omdat ik diep in de nacht thuis was gekomen van een feestje met veel goede wijn en goed eten.
Daar lag ik – zachtjes deinend – op een bootje met mijn familie, niets te denken, een fles gekoelde witte wijn binnen handbereik, de zekerheid dat er even helemaal niemand wegloopt.

Geen reacties


vrijdag 08 juli 2016

Uitzoomen

Ochtend. Grijze lucht. De deuren van het moderne blauwe schoolgebouw zijn al even gesloten. Daarbinnen zitten alle kinderen. Ook het laatste groepje kletsende moeders verlaat nu het plein, stapt op hun fiets, verdwijnt.
In het midden zit nog één vrouw op een houten blok, voorovergebogen, ineengedoken, een telefoontje in haar hand. Ze typt berichtjes naar haar moeder, een vriendin, een collega. De sandalen met de punten van haar tenen naar elkaar toegedraaid, natte haren, haar armen dicht tegen haar lichaam gedrukt. Een grote zwarte rugzak.
Naast haar is het omheinde speelplaatsje voor alleen de kleuters. Er staan drie grote driewielers. Er is een zandbak. Een klimrekje met glijbaan. Een plek waar ze niet niet omver gelopen kunnen worden door de groten.
‘Ik zit hier eigenlijk heel mooi,’ schrijft de vrouw.
‘Dat je daar zo mooi zit, het is goed dat je dat ziet.’
‘Uitzoomen werkt.’
‘Altijd uitzoomen. Daar zit je dan. Ook prima.’
‘Ja precies.’
‘Alles is er gewoon. Een schoolplein. Jij. Ik. De wolken.’
De eerste kleuterklas komt alweer naar buiten. De vrouw kijkt naar de spelende kinderen. De zandbak. De glijbaan. Het ijzeren hek waar sinds kort een gat in zit.

1 reactie


woensdag 06 juli 2016

Toekomst

In de vroege ochtend voor we naar school zouden gaan, lag ik even languit op het tapijt. Eerst kwam de zesjarige bovenop me liggen en na een tijdje voegde ook de elfjarige zich erbij. Ze legde haar handen op mijn buik en haar oor op mijn hart. Het was een van de zeldzame momenten waarop ze dat nog deed. Nu misschien wel voor voor het laatst. De zesjarige begon zachtjes te snikken omdat zij óók precies op die plek had willen liggen. ‘Maar jij hebt daar al steeds gelegen. Nu mag zij even. Straks jij weer.’ Daar nam ze genoegen me. De meisjes drapeerden alle kussens over ons heen. De zijkanten, bovenkant, voeten, hoofd. Een buitenstaander zou nu nog alleen een berg kussens zien, met één lange uitstekende arm. Met die arm kon ik precies de IPad bedienen.
Ze mochten allebei een liedje kiezen en daarna zouden we de dingen gaan doen die we nog moesten doen. ‘Pa,’ riep de zesjarige meteen. ‘Ik wil pa.’
‘Pa?’
‘Ja, PA.’
‘Van Doe Maar?’
Dat wist ze niet. Ik typte ‘Pa’ in en de zesjarige bleek inderdaad de song van Doe Maar te willen horen. Zo luisterden we ‘Pa.’ En daarna mocht de elfjarige haar muziek uitkiezen. Ze koos ‘Papaoutai’ van Stromae. We luisterden ook deze song. Mijn ene hand op de rug van het ene kind en de andere op de rug van het andere kind. Een paar kussens waren van ons af gevallen.

Geen reacties


dinsdag 05 juli 2016

Uitkijkposten

Als ik ons hier zie zitten, – vier buurvrouwen, vier totaal verschillende levens in sportpakjes, neergestreken aan één picknicktafel, met een fles wijn, op een maandagavond nog wel, het zweet van onze shirtjes alweer drooggewaaid, omdat we na het sporten via een omweg terug naar huis zijn gewandeld -, overvalt een gevoel van mededogen me, liefde, de grap die het leven is, de sit com waar we in figureren, dit decor, hoe móói het wel niet is, hoe ontroerend en hoe wij gekke mensen elkaar eigenlijk nodig hebben.
En ik weet weer hoe we zes jaar geleden vol verwachting hiernaartoe verhuisden, hoe de één tegelijk met ons in deze straat kwam wonen, de ander vier jaar later pas mijn directe buurvrouw werd, en hoe ik de buurvrouw die hier al vanaf het allereerste begin woont, steeds beter leer kennen.
Hoe we allemaal in hetzelfde verhaal rondlopen.
Als ik het hele verhaal nog even van hieraf mag blijven bekijken, alsjeblieft, alsjeblieft, kan ik ook de buurman helder zien die inmiddels naast me zit, en daar is dan de man van de overkant, tegen het eind van de avond ook nog eventjes bij ons aangeschoven, een glaasje wijn in zijn hand, zijn lichtblauwe blouse, de gebruinde huid, zijn haar wordt alweer wat langer, hij praat met deze of gene, we glimlachen naar elkaar, ik vanaf mijn uitkijkpost en hij vanaf de zijne.

Geen reacties


maandag 04 juli 2016

Brieven

Hier op de vloer van mijn bovenkamer liggen half vermolmde Hema plastic zakken vol brieven van mijn hand, honderden flinterdunne velletjes aan man gericht, ooit, tien kantjes zijn eerder regel dan uitzondering. Er is weinig dat ik onvermeld laat. Geen normaal mens zou dat allemaal van een ander willen weten.
Omdat ik de opleiding Dramaschrijven gevolgd had, of er net mee begonnen was, oefende ik duidelijk in omgevingsschetsen, concrete details, show don’t tell, ik bedoel: niet alléén oeverloos gezwets over gevoel. Daarom zitten er nu nog interessante beelden tussen van de jaren negentig.
Al die verschillende Hema zakken duiden op een ordening, ooit.
Ik vis er ook volgeschreven schriftjes tussenuit. Verbleekte inkt. Meestal ook aan man gericht. Er zitten dialogen van ons samen tussen. Om de beurt een regel schrijven. Het chatten van weleer.
Toen ik nog niet in opdracht schreef, notuleerde ik kennelijk mijn halve leven. Het lijkt wel een ziekte.
Ik dreg fragmenten uit mijn verleden op. Niets is compleet, niets op volgorde, er ontbreken velletjes. En ik herken mezelf er maar ten dele in.
Een constante is dat ik me in elke brief wel een keer afvraag of hij zich misschien bedacht heeft. ‘Het was leuk toen we elkaar daarnet zagen, maar je kunt, nu ik weer thuis ben, heel anders over mij zijn gaan denken. Misschien vind je er al wel niks meer aan. Vind je me niet meer leuk?’
In een andere koffer ben ik nog zo’n overvolle Hema tas tegenkomen met zijn brieven aan mij. De liefde die eruit spreekt is opvallend, en zijn neiging om zichzelf uit te willen leggen. Op een gegeven moment hou je daar als stel mee op.  Verduidelijking. Dan denk je dat je het allemaal wel weet. Dan neem je daar de tijd niet meer voor. De hele gangvloer is inmiddels bezaaid met zijn schrijfsels, ik lees de tijd terug, de tijd in, de tijd verdwijnt. Dat kan gewoon.

Geen reacties


woensdag 29 juni 2016

Ik wil

Ik wil weer leven. Plannen maken. Iets opbouwen. Ik wil duidelijk vooruit. Na maanden niet gesport te hebben, wil ik weer sporten. Rennen. Bewegen. Ik wil mijn huis opruimen. Ik wil de muren schilderen. Ik wil de meubels verschuiven. Ik wil andere maaltijden leren koken. Mijn pallet vergroten. Ik wil – hoe dan ook -vernieuwing. Ik wil elke dag om half zes opstaan om te schrijven. Ik wil alles wat lelijk is uit m’n directe omgeving weghalen. Ik wil er zijn. Ik ben er. Terug uit New York.

1 reactie


zaterdag 25 juni 2016

Een prima dag

Ik heb op deze prima dag winkels gekeken op de 5th avenue, daarna gelezen en geslapen in Central Park, even later was ik de 7th avenue aan het afkuieren, op weg naar het Chelsea Hotel, toen ik plots in een totaal hysterische lichtgevende wereld terechtkwam. Miljoenen mensen, schreeuwerige reclames, nog hogere gebouwen. Op een bordje zag ik uiteindelijk: Time Square. Dit was denk ik hoe ik me vroeger heel New York had voorgesteld. Ik liep zo goed en zo kwaad als het ging over Time Square, liep door en door tot ik bij de 23ste straat kwam waar het Chelsea Hotel moest liggen – ‘I need you, I don’t need you,’ zong Leonard Cohen – en ik móést gewoon naar dat hotel toe. Dat was het enige dat op mijn lijstje stond voor ik hiernaartoe vertrok.
Misschien omdat man en ik onlangs een paar avonden lang samen naar covers van de songs van Leonard hadden geluisterd, in een uitvoering van de Scandinavian Report, met whisky en ontredderde koppen, misschien omdat we die avond dat ik het ticket naar New York besteld had, een live optreden van Cohens ‘The Chelsea Hotel’ opzetten. Daar ergens moet het begonnen zijn.
‘Ik zal je een foto sturen als ik ervoor sta,’ zei ik toen.
En gisteren stond ik er voor.
Het hotel stond in de steigers. Er was niets aan te zien. ‘I remember you well in the Chelsea Hotel’ op een koperen bordje bij de ingang. Ik heb in de lobby gezeten. Op een rode pluche stoel. Er waren twee van die stoelen. Die naast mij was leeg. En bleef leeg. I was waiting for the miracle to come.
Ik heb dé foto naar man ge-appt. Ik heb mijn schriftje gepakt. Ik heb er geschreven. Jack Kerouac schreef er On the Road in 1 flow. Ik heb er gekeken naar de gasten die er nu kwamen. Het was er rustig en koel en ik voelde me op deze prima dag totaal op m’n gemak. Wat best apart is omdat ik eerder gewend ben me niet op m’n gemak te voelen.
Hierna wandelde ik verder naar het Whitney Museum waar ik om 19.00 u met E. had afgesproken. We keken naar de moderne Amerikaanse kunst, we maakten foto’s op het dakterras met die skyline, we gingen eten bij The Spotted Pig en namen ’s nachts de metro terug naar huis.

Maar rond drie uur ’s nachts schrok ik wakker, vloog ik rechtovereind  met hartkloppingen en in ademnood.  Omdat de fysieke afstand tussen mij en mijn gezin ineens zo groot was en ik ook al onder een stolp bleek te zitten. Ik vluchtte het bed uit en liep rondjes door de huiskamer.  Almaar in rondjes. Hoe kom ik daar ooit nog terecht, dacht ik steeds, hoe kom ik daar ooit nog terecht? Wat als ik het vliegtuig niet meer in durf? En: Zie je wel, je moet je niet op je gemak voelen. Dit krijg je ervan. Ik wist dat het niet waar was wat ik dacht, maar ik dacht het toch.

Geen reacties


vrijdag 24 juni 2016

Amazing!

We zaten in een New Yorkish café te kletsen met twee New Yorkers. Dat is niets opzienbarends. Zie maar eens niet aan de klets te komen met twee New Yorkers.
Het is meer zo dat mijn reisgenote kletst en ik haar side-kick ben. Ik zit er vooral bij te kijken. Naar die mimiek. De amazing things everywhere! De glimlachen. De welgemeende interesse. Het beste Aziatische eten ter wereld hebben ze in Queens, de beste pizza van New York is hier in Brooklyn, het meest fantastische..
Het valt mij op dat ik steeds zoekende ben naar de andere kant. Alsof die meer waarheid bevat.
‘Het is toch ongelooflijk,’ zei ik toen we terug naar huis liepen, ‘dat opgewekte gewauwel van die Amerikanen.’
‘Maar jij bent continu heel cynisch,’ zei ze.
‘Ik?’
‘Ja, elke zin zeg jij wel iets cynisch.’
‘Vind je dat?’
‘Ja.’
Ik vroeg haar om bewijsmateriaal. Hoezo en wanneer. Zij vond dingen cynisch die voor mij niets met cynisme te maken hadden. Maar het gaf te denken. Ik vind cynisme ook zo makkelijk.

‘She is the more open one of you two,’ zei laatst een opmerkzame kunstenaar op een terras.
Iedereen die we hier ontmoeten, is trouwens kunstenaar – of anders wel acteur, rapper – en maakt heel belangwekkend werk. Deze man had bijvoorbeeld in tien jaar één schilderij verkocht. Maar dat lag dus niet aan zijn kunst. Het fascineerde me dat er geen spoor van twijfel aan zijn eigen kunnen te ontdekken was.
‘Kwaliteit en verkoop heeft niéts met elkaar te maken,’ scandeerde hij.
‘Are you famous?’
‘Yes, I am famous.’

Ik was in een boekwinkel toen er een vrouw binnen kwam rennen met een boek in haar hand.
‘I wrote a book! I wrote a book!’
‘Wow. Thát. Is. Fantástic,’ zei de boekhandelaar.
‘It actually ís a very good book,’ zei de vrouw. ‘Very important.’ En ze begon te vertellen waar het over ging. Ze nam de tijd. De boekhandelaar luisterde naar haar en gebruikte het ene na het andere superlatief. Alsof deze vrouw de eerst was die het plan een boek te schrijven had opgevat én uitgevoerd. Ik kon niet goed zien of ze het boek in eigen beheer had uitgegeven, en nu hoopte dat de boekhandelaar een partij boeken zou aanschaffen of dat het boek bij een gerenommeerde uitgeverij was uitgegeven en zij de sales-afdeling een handje hielp. Maar dat doet er misschien ook niet toe.
Wat mij wederom trof was de absolute zekerheid van deze vrouw dat zij iets goeds gemaakt had.
Na een tijdje verliet de vrouw die een boek geschreven had de boekwinkel met rode wangen. De boekhandelaar bladerde een paar seconden in haar boek, legde het in een hoek en ging weer verder met zijn werk.

Als ik een voet buiten de deur zet, is het standaard: ‘Hi Sweetheart, how are ya doing?’ Of ‘Have a nice day, young lady.’
Op een ochtend liep ik naar buiten met een wat somber gemoed, en ik kan niet anders dan toegeven dat dat ‘Hi Sweetheart’ wél werkt. Mijn pas werd hoe langer, hoe lichter bij elk vriendelijk woord.
Als je even stilstaat, word er gevraagd of ze kunnen helpen. Haal je je metrokaartje wat te sloom door het apparaat, stopt er een willekeurige passant om het even wat sneller voor je te doen. Kijk je hulpeloos, dan wijst iemand je de weg.
Die Amerikanen zijn amazing.
Misschien moest ik hier eens niet cynisch over doen.

Geen reacties


donderdag 23 juni 2016

De ijskunstenaar

We werden de galerie ingetrokken door een man met een prachtig strak lichaam, lang krullend haar en make-up. Hij was de galeriehouder en kunstenaar van ijssculpturen. Momenteel exposeerde hij werk van iemand die zijn leven lang al bezig was zijn onderbewuste te schilderen, en hij bleef er maar op hameren dat de man in kwestie veel filosofische kennis had en die ook in zijn werk gebruikte. Het was – al met al – niet zomaar een droomwereld.
Even later liepen we het onbewuste van een belangrijk kunstenaar in. Het werd bevolkt door bomen met menselijke eigenschapen. Overal bomen.We glimlachten naar de galeriehouder en zeiden af en toe ‘waanzinnig.’
‘Dit zijn de lelijkste schilderijen die ik ooit gezien heb,’ zei E.
‘Spuuglelijk,’ zei ik.
De galeriehouder liep voor ons uit, steeds dieper de krochten van het souterrain in, en bleef ons op bloedserieuze toon vertellen over de allesomvattende betekenissen van de ontwortelde bomen. We bekeken de ene na de andere wandelende boom. Tot de man een walk-in vriezer openmaakte, en ons zijn eigen ijssculptuur liet zien. Het was een kitscherig ding, het deed denken aan Frozen. Daar stonden we in een kelder ergens in Brooklyn met een ijskunstenaar. Voor een gigantische vriezer.
Ik bekeek de dikke deur. De hendel aan de buitenkant. Zijn wijd opengesperde ogen. Met de blauwe ogenschaduw. Die grimas.
‘Ga maar even dichterbij kijken.’ Hij maakte een uitnodigend gebaar met zijn armen. Hij wees de vriezer in. ‘You’re welcome.’

Geen reacties


dinsdag 21 juni 2016

Violent Women

‘We moeten een wapen,’ zei ik.
Het was half vier in de nacht. We waren tegelijkertijd wakker geworden.
Het was alsof er mensen bij ons in het souterrain hadden staan overleggen. Op een steeds gejaagdere toon werd er gesproken. Ze konden ergens niet naar binnen. Ze hadden het over ‘two ladies.’ Tot er een deur werd dichtgeslagen. Er klonk gekraak op de trap.
‘Eva?’ had ik voorzichtig gevraagd. ‘Ben je wakker?’
‘What the fuck is dit!’
Een seconde later stonden we in ons ondergoed tegenover elkaar. Two ladies. Slaapmaskers bovenop het hoofd als piratenlapjes.
‘We moeten een wapen,’ zei ik nog een keer. ‘Voordat we gaan kijken.’
‘Damn,’ zei ze.
Zij pakte de grote bierfles die we leeggedronken hadden. Ik stopte een kurkentrekker tussen mijn vingers, ik zou met één haal iemands gezicht open kunnen rijten. Het huis waar we wonen telt vijf verdiepingen. We moesten alle kamers gaan controleren. Oók de gewelfde kelder.
‘Wacht,’ zei ze beslist. ‘Telefoon meenemen.’
‘112 kun je hier zeker niet bellen?’
‘911. Van die serie, weet je wel.’
‘Ok.’
En daar gingen we, eerst de kelder in. Zoals in de film.
We waren die avond naar een concert geweest in Prospect Park van de Violent Women & Kirstin Hirsch. Het was althans de bedoeling dat we de Violent Women hadden gezien. Toen we in het park aankwamen, bleek dat we ons een dag in de datum hadden vergist. Het concert was de dag ervoor geweest. Door de nacht liepen we terug, door frisse en minder frisse buurten.
‘Het is een voordeel dat we oud zijn,’ had ze nog gezegd, ‘we kunnen nu overal lopen zonder lastig gevallen te worden.’
En toen ik de eerste trap opliep, met de kurkentrekker vooruitgestoken, vroeg ik me af of dat nu ook het geval zou zijn.
We hadden de Violent Women dan wel gemist, nu waren we het zelf geworden.

Geen reacties


zondag 19 juni 2016

We kunnen…

We liggen in bed. Zij is in het ene bed bezig met foto’s bewerken voor instagram. ‘Daar word ik rustig van.’ Het boekje ‘How to love’ dat vandaag nodig aangeschaft moest worden, heeft ze terug op de tafel gelegd. Ik lig in het andere bed met m’n nieuwe ereader. Het leest geweldig vanaf zo’n ding. ‘The course of love’ van Alain de Botton slingert ergens op de grond.
We hebben onze slaapmaskertjes al op ons hoofd. Oordopjes liggen klaar.
Het is alsof we al jaren weg zijn. Er zit hier meer tijd in de tijd. Thuis – met die dagelijkse sleur, het ritme, de voorspelbaarheid – is er voor je het weet een week, maand, jaar voorbijgegaan. Dat wéét iedereen wel en tóch handelen we er te weinig naar. We vergeten het te vaak. Dat is zonde. Zoveel tijd heeft een mens niet.
‘Het heeft nu toch z’n weerslag op me,’ zegt ze.
‘Wat?’
‘De kinderen.’
‘O die.’
‘Het is een gemis wat ik voel, denk ik.’
‘Ja, die lui maken deel uit van je identiteit.’
‘Ik dacht dat ik dat totaal niet zou hebben.’
‘Je moet er gewoon niet te veel aan denken.’
‘Doe ik ook niet.’
‘Nee, ik ook helemaal niet.’
We kunnen een nieuw leven gaan beginnen in Williamsburg waar we net waren. Het bruist en borrelt daadwerkelijk hier. In de City That Never Sleeps. Ik had eerlijk gezegd verwacht dat dat overdreven zou zijn. Een stad is een stad. Mij krijg je niet snel gek. ‘Je gaat gewoon naar een soort Rotterdam,’ had man me gezegd voor ik vertrok. ‘Twee weken naar een iets groter Rotterdam. Lijkt me niks.’
Op een gegeven moment neem je denkwijzen van elkaar over. Zonder dat je het in de gaten hebt.
Maar wat ik wou zeggen: alles is natuurlijk mogelijk. We zijn vrij. We kunnen een ander leven beginnen, we kunnen de kinderen over laten komen. We kunnen, we kunnen…
We doen onze oogklepjes op en vallen in het diepe, donkere gat van de slaap.

Geen reacties


zaterdag 18 juni 2016

Ronnie

We liepen de High Line af. Het constante geluid van sirenes en helikopters op de achtergrond. Links van ons steeg een helikopter op, we keken uit over het flonkerende water van de Hudson River, New Jersey aan de overkant, zij maakte foto’s en ik kreeg van wel zes mensen hetzelfde berichtje: Ronnie is thuis. Er kwamen foto’s binnen van onze zwarte kater die, meer dan een maand geleden alweer, zonder opgaaf van redenen thuis vertrokken was en al die tijd niets meer van zich had laten horen.
‘Ronnie is thuis!’ zei ik.
‘Jij bent nog half in IJburg,’ zei ze. ‘Met je dikke pik.’
‘Met je dikke pik?’
‘Can I take a pic vroeg ik.’ Ze knikte naar de verkoper van het Hotdog kraampje. Mijn vriendin hield haar iPhone scheef en maakte er een foto van.
‘O,’ zei ik. ‘Pic.’
‘Ja, pic.’
‘Maar fijn hè? Dat Ronnie thuis is.’
‘Fuck off met je Ronnie!’
‘Fuck off met je Ronnie?’
‘Ja, ik ben er echt ontzettend verbaasd over,’ zei ze, ‘dat je zo aan Ronnie hangt.’
‘Dat is misschien wel zo.’
‘Ja, als Ronnie niet thuis wil zijn, is dat jammer voor Rónnie. Meer niet.’
‘Maar hij ís er dus weer!’ Ik zuchtte. We liepen naar de plek waar een fietsenstalling was. Ergens in de buurt van het Chelsea Hotel.
‘Je hebt minstens zo’n leuk leven zonder Ronnie,’ riep ze uit. ‘Djiesus. Misschien nog wel leuker.’
‘Nou, ik ben wel dol hem hoor.’
‘Ik hoor helemaal niks van thuis,’ zei ze. ‘En that’s fine.’
Het volgende moment karden we weer zo verschrikkelijk hard door New York – we trapten de Brooklyn bridge over alsof het de Nesciobrug was – dat het leek of we hier geboren waren en op weg waren naar iets belangrijks. Naar Ronnie misschien.

Geen reacties


vrijdag 17 juni 2016

Echt

‘Ben je goed?’ had mijn vriendin nog gevraagd. ‘Weet je waar de fietsenplek is?’
‘Ja natuurlijk,’ zei ik. En wandelde een andere richting op dan zij liep. Zij ging mensen bezoeken, ik moest niet denken aan geklets met vreemden, dus besloot vast naar ‘huis’ te gaan.
‘Zeker weten?’ had ze nog een keer gezegd.
‘Of course.’
Ik weet soms niet waarom ik sommige beslissingen maak. Misschien alleen maar om er hier een stukje over te kunnen schrijven?
Ik weet wel dat ik gisteravond op zeker moment doorweekt van het zweet op die City Bike zat, middenin de spits van New York, het begon te schemeren, een spookrijder op een One Way street was ik, – ik had ook geen bier moeten drinken, dacht ik steeds, had ik maar wat meer slaap gehad, wist ik maar wat links en rechts was – mijn telefoon met Google Maps in m’n hand die nog maar 30 procent batterijvulling had, die soms van het ene op het andere moment leeg kon zijn, zonder cash op zak, en ik raakte steeds verder verwijderd van de plaats waarheen ik moest. Waarheen moest ik eigenlijk? Soms is het te laat om op beslissingen terug te komen.
De gele en groene taxi’s reden voorbij en ik vroeg mij af waarom ik daar niet in zat. Waarom ik me zo nodig moest bewijzen. En voor wie eigenlijk. Was het wel bewijsdrang? Ging het om vertrouwen? Uitdaging? Waarom mezelf steeds zo uitdagen de laatste tijd?
Ik weet dus dat ik daar fietste, het blauwe balletje op m’n telefoon was ik, ergens in Brooklyn, en dat ik me vasthield aan de gedachte dat ik dit stukje op zou schrijven. Straks. Later. Stoer verhaal. En dat ik toen voor de zoveelste keer bedacht: dit is geen verhaal, je moet hier echt uit zien te komen.
Het lijkt wel of ik dat echt nog altijd niet goed begrijp. Dat dingen ook écht kunnen zijn. Realiteit.

‘Hee, ik ben thuis,’ appte ik naar m’n vriendin. ‘Pas jij straks wel een beetje op. Het is bijna donker.’

Geen reacties


donderdag 16 juni 2016

Manhattan momentje

Het momentje gisteravond rond een uur of zes bij de Manhattan bridge met uitzicht op Manhattan, de nieuwe toren, het vrijheidsbeeld. Je kent het plaatje allang. Maar het bestaat dus ook echt. Alles bestaat. Mijn vriendin draaide ‘First we take Manhattan than we take Berlin,’ van Leonard Cohen op haar I-phone.
Nooit zal ik meer naar dat liedje luisteren zonder dit uitzicht erbij te zien en dan vooral het gevoel erbij. En hoe we even daarvoor de stad keihard doorgefietst waren op onze City Bikes. Alsof ons leven ervan afhing. En hoe we uiteindelijk naast die brug stonden. In een andere tijdzone. Zo ver van huis. Met een Ice Cofee in onze hand te kijken naar de skyline. Een surrealistisch beeld. Een Woody Allan film.
We kennen elkaar van de crèche aan de Weesperzijde, tien jaar geleden. Het begon er  ooit mee dat haar zoon mijn Jeetje flink in haar wang gebeten had. En nu trekken we twee weken samen op in Amerika. Met elk onze eigen dingen aan het hoofd. Of juist niet aan het hoofd. We hadden het bedacht in een Amsterdams café, terwijl we elkaar bij een gin-tonic vertelden hoe ons leven ervoor stond.
‘Laten we weggaan,’ had ze gezegd. ‘Ik zal aan mijn broer vragen of we in zijn huis in New York mogen.’ Nog niet eens een week later was de vlucht geboekt.
En gisteravond besefte ik dus voor het eerst dat we er ook echt wáren. En dat het geen film was. Maar een goed idee. Ook al weet ik nog altijd niet wat het me brengen zal. Dat hoeft denk ik ook niet. Juist niet. Ik geloof dat ik alles los moet laten. Elke verwachting. Van wat dan ook.

Geen reacties


woensdag 15 juni 2016

Dag 1

‘Welcome to New York,’ zei de jongeman in de airline die ons naar het metrostation bracht.
Het begin van de film. Even later zaten we in de metro, twee vrouwen die hun gezin thuis hadden gelaten, met hun koffers en de bezweette lijven. Buiten de blikkerende zon. Op weg naar halte Nostrand waren we, ons nog totaal niet bewust van dat wat komen ging. (Ik dacht aan zo’n typische filmhuisfilm)
In het volgende shot doorkruisten we Brooklyn, met onze koffers en rugzakken. Het was vijftien minuten lopen naar de juiste Avenue. Met de google app liep je overal zo naartoe.
De zon brandde op mijn zwarte kleding.
Het was een herrie. Overal muziek uit auto’s. Donkere mensen. Veel churches. God was hier overal aanwezig. Slechte gebitten. Wasserettes. Kleine kapperszaakjes voor afro kapsels. One way’s to ? Iedereen lachte ons inderdaad vriendelijk toe, vroeg waar we vandaan kwamen en hoe het ging. Hier en daar zat een tentje met smoothies, koffie en tarwegras. De totaal gescheiden werelden. In een half lege winkel werd de Dove Deodorant voor ons achter het glas vandaan gehaald, alsof het een dure parfum betrof.

Geen reacties


donderdag 09 juni 2016

De hond en ik

Ik liep te somberen over straat met mijn Turks Brood en twee bakjes aardbeien voor 5 Euro in een plastic tasje, toen ik voor het eerst aan de hond dacht.
Ik neem een hond, dacht ik. Een trouwe hond die altijd goed gehumeurd is. En nimmer van mijn zijde wijkt. Een Golden Retriever. Ze schijnen niet heel intelligent te zijn, maar dat hoeft van mij ook helemaal niet. Het gaat mij om zijn zonnige karakter.
De hond is altijd blij om mij te zien. Overal waar ik ben, is de hond. Als ik lesgeef, ligt in de hoek van het klaslokaal de hond op mij te wachten.
Als ik schrijf, slaapt de hond naast me. De hond en ik gaan samen op de achterflap van mijn nieuwe boek. Ga ik hardlopen, rent de hond blij met mij mee. Het zou voor de kinderen ook geweldig zijn, zo’n hond in huis om mee te knuffelen. Er staat nog altijd een foto van de Golden Retriever waarmee ik ben opgegroeid in mijn werkkamer. Daar kijk ik de laatste tijd veel naar.
Thuisgekomen zette ik de boodschappen op het aanrecht, googelde op Golden Retriever pups en keek of ik mijn hond er al tussen zag. Ik liet een nestje met goudblonde puppy’s aan mijn buurvrouw zien. ‘Schattig toch?’ zei ik.
’s Avonds appte de buurvrouw: ‘Nog effe de hond uitlaten en dan lekker onder de wol!’
Toen ik vanmorgen koffiedronk met een collega zei hij: ‘Een hond? Niets erger dan vrouwen met honden.’
Maar dat was gewoon jaloezie. Hij was nu eenmaal geen hond. Bij het Kruidvat heb ik daarnet alvast een roze etui gekocht met een afbeelding van mijn gouden hond erop. En de woorden: Best Friends Forever.
Eerst naar New York. Dan de hond.

Geen reacties


dinsdag 07 juni 2016

Oud worden

Ik herinner me dat we samen in de schaduw van een boom zaten te tekenen en te schilderen, twintig kilometer van Rome, je kon een spiegelei bakken op de weg dus we bleven onder die boom zitten en zodoende ben ik nooit in Rome geweest, ik herinner me dat we door de regen in een Spaans plaatsje liepen op slippers, allebei in een pantalon van zijn kleine moeder, onder een grote Burberry paraplu, ik herinner me ook de dag dat hij bijna stierf aan een hersenvliesontsteking, het moment dat hij geplaagd door waterpokken de ijskoude Amstel in wilde springen, en ik zie nu steeds de grote grove lijnen, hoe we samen opgroeiden, de gekraakte boerderij verlieten, een eenkamerflatje in Culemborg betrokken, hoe we verhuisden van een heel fijn appartement in de Amsterdamse Rivierenbuurt, naar een saaie maar ruime nieuwbouwwoning op IJburg, omdat vijf jaar na het eerste meisje, het tweede meisje op komst was en ruimte en een tuintje om voorrang vroegen. Zo gingen we van begin twintigers, naar dertigers, tot de veertiger en vijftiger die we nu zijn. Hij de kalme, en ik de onrustige van het stel. Een heel gewoon verloop van de dingen, als ik het zo overzie, in een leven dat op geen enkele wijze uniek te noemen is, behalve dan dat het het onze was.

Geen reacties


maandag 06 juni 2016

Muis

Naast haar fietst de zesjarige dochter met scheve staart en de roze teenslippers met bloem – ‘Zie je wel mama, ik kan wel fietsen met slippers aan! – de elfjarige is vijf minuten eerder al vertrokken, met een iets te kort t-shirt waarop ‘PEACE’ geborduurd is – hee, je kunt toch niet met een blote navel in de klas zitten! had de moeder gezegd – maar hee, dat kon de dochter wel, iederéén in de klas had blote navels. De moeder zelf rilt steeds en heeft kippenvel op armen en benen, maar hee, álle moeders dragen in de vroege ochtend al rokjes met gestreepte t-shirtjes, dus zo moet het.
In de kleuterklas wordt ze aan het handje van de zesjarige meegenomen naar de vensterbank, waar dertig muizen van klei in het zonnetje liggen te bakken. De moeder praat en lacht met de steeds grotere hoeveelheid kleuters die bij hen komt staan, haar stuk voor stuk trots hun eigen muis aanwijst, en kust daarna haar eigen kleuter gedag, de deur van groep zeven zit al dicht als ze nog even bij de elfjarige wil gaan spieken.
Ze gaat boodschappen doen, dat is een feit.
Ze is moeder, dat is een feit.
Ze zal over een week naar New York vertrekken, dat is ook een feit, ze kan zich er niets bij voorstellen, zoals ze zich nergens meer iets van voor kan stellen de laatste tijd, vooral van zichzelf kan de moeder zich nauwelijks nog een voorstelling maken. Nu ik haar beschrijf, merk ik dat pas goed. Ze is een muis van klei op de vensterbank met twee roze speldenknoppen als ogen. Ze wacht tot ze mee naar huis genomen wordt.

Geen reacties


donderdag 02 juni 2016

Waarom?

Zo zie je dagenlang helemaal niemand in een Drents dorp en verlang je naar wat gedruis, zo loop je in een stoet kinderen en ander gespuis over je eigen nieuwbouweiland. Net zo fucking verlaten. Het krioelt, krijst en trapt op elkaars hielen, het struikelt, huilt en lacht. Kletsende moeders in zwarte jurkjes met Nike Airs eronder. Vaders met loopfietsen onder hun arm. Buurmannen in bermuda’s. Iedereen hier is elkaars buur of doet dan tenminste alsof. Die domme citroentjes met pepermunt erop in een zakdoek gedraaid. Al die kleuren, geluiden, bewegingen. Een kolkende massa. Een psychose, denk ik, zo moet een psychose beginnen. Ternauwernood hou ik mijn zenuwgestel bijéén.
‘Moet jullie voordeur wagenwijd openstaan?’ vraagt dan een buurvrouw die relaxed langs de kant staat te kijken als we voorbijkomen.
‘Wat?’
‘Ja, jullie deur staat wagenwijd open.’
Het is teveel. Een open deur.
Maar als die deur weer netjes dichtzit, lopen we kalmpjes verder. Het verdomde gifpark in, met die verdomde lui allemaal. Er is alleen het handje van dappere Deetje in die van mij.
Tot ze met haar hoofd tegen die ene kutlantaarnpaal die er staat, knalt.

1 reactie


woensdag 01 juni 2016

In Charge

Zo, ik ben inmiddels al een paar uur in charge. En dat voelt meteen een stuk beter dan van een enorme afstand naar je gezin zitten kijken, als naar een gesloten bolwerk, er niet bij te kunnen.
Jammer alleen van mijn nek.
Toen ik rond zessen wakker werd, was ‘het’ in mijn nek geschoten, en nu loop en zit ik kaarsrecht, als een voornaam mens. Wat ik in wezen ook ben. Ik herinner me ineens weer de woorden van een collega die het ooit waagde me voor seksloos juffertje uit te maken.
Maar goed, met ‘het’ in mijn nek, en tranen in mijn ogen, heb ik rond elven man uitgezwaaid die de komende twee weken op een camping zal bivakkeren.
‘Be well,’ zei ik.
‘You too.’
‘If it be your will.’
Dat laatste was natuurlijk niet waar, maar die muziek stond op en het klonk mooi, nederig. Ik ben op zich wel voor nederigheid. Maar al te nederig moet een mens toch ook niet worden. Dat voel ik nu ik dus een paar uur in charge ben en het helemaal voor het zeggen heb, in mijn huis met mijn dochters.
Ergens in de duinen mijn man in een caravan.
Misschien heb ik wel teveel gebogen de laatste tijd en is ‘het’ daardoor zodanig in mijn nek geschoten dat nu zelfs het lichtste buiginkje al een afgrijselijk, stekende pijn veroorzaakt. Ik weet het niet. Wel hoop ik dat ‘het’ dan ergens goed voor is.

Geen reacties


maandag 30 mei 2016

Zwemmen en voorlezen

Vanuit een bloedheet zwembad in Diemen, alwaar Deetje haar A-diploma aan het halen was, dat kleine kopje boven het water, die glimlach toen ze haar vader en moeder aan de kant zag zitten, racete ik naar een hippe plek in de Pijp, Dog en Pony, om voor het eerst voor te gaan lezen uit het werk dat ik nu aan het schrijven ben.Voorlezen is goed om te doen, dan leer je het ritme van je tekst en de spanning die eronder ligt het beste kennen. Dit stukje ging over een tienerdochter die zich bekeerde tot moslima en haar moeder die daar heel tolerant tegenover wilde staan. Terwijl ik voorlas, zag ik een paar moslims in het publiek. Het werd dood en doodstil in de ruimte. Niemand lachte.
Achteraf zeiden mensen tegen me: ‘ja, ik dacht nog, als dat maar goed valt.’
Het viel helemaal prima. En hoe dom ik deze gedachte over de aanwezige moslims ook vond, ik had ‘m zelf ook gehad.

Geen reacties


woensdag 25 mei 2016

Het leven komt naar binnen

Drie keer ging hier, in mijn  prikkelarme en doodstille binnenwereld met enkel gezelschap van de geest van pastoor Smits, de bel.
Een keer liep het tegen vijven en stormde de buitenwereld binnen in een regenpak, met rode wangen en verwaaide haren en twee fietstassen. Na een lang, koud en nat weekend kamperen en ook nog lesgeven, was ze op station Assen van haar handtas beroofd. De buitenwereld had ‘Houd de dief!’ gekrijst en was de dief achterna geracet. Het zou haar godverdomme niet gebeuren.

De tweede keer dat de bel ging, liep het ook tegen vijven, maar toen droeg de buitenwereld een net pakje, kwam ze terug van een werkafspraak in Zwolle, en was ze met haar net nieuwe auto in volle vaart over een klein hunebed in het gras gekrast. Zich niet bewust van mijn enorme oprijlaan.

De derde keer was het vier uur in plaats van half één, en had de buitenwereld vertraging opgelopen omdat ze, in de middle of nowhere, met de trein over een persoon heengereden was. Het had onder haar voeten geschokt, gehobbeld en gekraakt. De buitenwereld meende over een boom heen te rijden en dacht aan een ontsporing. Ze vertelde over mensen op het spoor met hesjes aan en plastic zakjes en mensen in de coupé die lurkten aan zakjes yoghurt.

Geen reacties


vrijdag 20 mei 2016

Geestkracht en Levenslust

De gevangenen maaiden mijn gras. Door het keukenraam keek ik en stak mijn hand aarzelend op. ‘Hooi!’ Ze reden rond mijn pastorie op elektrische grasmaaiers. In oranje hesjes.. Ze hadden langwerpige magere koppen. Ik zou er zo tussen passen. Maar ze keken niet naar mij. In mijn gestreepte truitje.

‘Ik heb een échte bodemloze put in de tuin,’ schreef ik een collega.
‘Voor de gevangenen?’
‘Of de schrijvers. Da’s ongeveer eender.’
‘Precies. In onze tower of song,’ schreef ze.

Soms weet ik niet of ik zelf in detentie ben of dat het de uitstraling van het dorp is die bij tijd en wijlen naar binnen slaat. Veenhuizen is het vreemdste dorp dat ik ken. Het meest hou ik hier van het Pastoors Smitslaantje. Het is onverhard en daardoor ongedwongen. Met die hoge bomen ernaast.
Er staan overal rijksmonumenten met strenge teksten op de gevels: Opvoeding. Controle. Orde en Tucht. Werk en Bid. Leering door voorbeeld.
Opvoeding staat te koop.
Het kapitale pand waarop Geestkracht staat is dichtgespijkerd. Planken voor de ramen en de voordeur. Hoog gras in voor en achtertuin. Opgesloten zijn is niet goed voor Geestkracht.
Recht tegenover de gevangenis staat Levenslust.
Ook Levenslust is te koop. Het is allemaal een stuk minder duur dan in de randstad. Levenslust is hier tenminste nog te betalen. Geestkracht moet snel gekraakt worden.

Op de pastorie, toch ook een kapitaal pand, staat geen opvoedkundige leuze. Dat komt: Pastoor Smits rules here. Misschien had er Liefde op deze gevel moeten staan. Dat mist nog een beetje hier.

Geen reacties


donderdag 19 mei 2016

Bezoek

Ik had een collega op bezoek in de pastorie. Het was een vrouw. We hadden het over literatuur. We wilden niet teveel woorden vuil maken aan de combinatie literatuur en vrouwen. Voor je het weet werd je in de wijvenhoek geduwd. Dat was niet zo best. Die hoek. Daar kwam je nooit meer uit. Daar werd je niet serieus genomen. Het was hoe dan ook een mindere hoek dan die van de mannen. Terwijl die hoeken helemaal niet bestonden.
‘Binnenshuis’ is het een thema dat best vaak terugkomt, maar haast niemand van de schrijfsters die ik ken, wil het er ‘buitenshuis’ echt serieus over hebben. Negeren is beter. Je niet branden aan het onderwerp. Interessantere zaken om je mee bezig te houden. Suïcide. Therapie. Of dat nou zin heeft of niet. Dat het maar net moet klikken met de therapeut. Dat sommige problemen ook vanzelf over gaan. Met de tijd. De collega en ik bekeken de hoge plafonds in de pastorie. We stelden ons voor dat we naast elkaar in de gang hingen en daarbij zagen we het verbouwereerde gezicht van de schrijfster die ons hier na een week aan zou treffen. Wedden dat er een korte opleving zou komen van ons werk. Wij bungelend in het schrijvershuis. Twee vrouwen die ermee ophielden. Maar dat is een romantisch beeld. Gisterochtend vertrok ze na het beschuitje al, op weg naar haar kinderen die naar vioolles moesten. Ik stond in de deuropening en zwaaide haar uit. ’s Middags kreeg ik een berichtje dat Jeetje (11), die voornemens is te stoppen met pianoles, al een paar dagen goed geoefend had.
Het is niet echt eng meer om hier alleen te zijn. Ik sliep best goed vannacht. Met sokken aan. Omdat het in de slaapkamer kouder was dan ooit tevoren. En toen ik rond tweeën even wakker was, was er niets bijzonders met de stilte, de stilte en ik waren één geworden. Wel vraag ik me af waar de specht en de pauw in Godsnaam gebleven zijn?

Geen reacties


maandag 16 mei 2016

Het was alle dagen stil

En toen moest ik gaan, in een verder lege bus reed ik vanaf hier naar Assen, waar ik op de trein stapte. Nog geen seconde later liep ik mijn Amsterdamse nieuwbouwstraat in.
En toen zat ik met buurvrouwen en mannen rond een nieuwe spierwitte picknicktafel die voor ons huis bleek te staan, glazen wijn, partyknabbels. En toen waren er mensen voor wie ik taart sneed, thee maakte, wijn inschonk – wit, rood – , of heel iets anders, koffie, hebben jullie suiker?, broodjes zalm smeerde, kaasjes op een plankje legde, bakken chips vulde, felicitaties met mijn elfjarige dochter en ook nog met mijn zesjarige dochter, slingers, ballonnen, lollies, en toen waren er tien kinderen die vroegen of ik ze hielp bij het knippen van hun kroontje, en er waren tien studenten die me aankeken voordat ik met de les begon, er waren mijn ouders, mijn broer en zijn vriendin, er waren vrienden, er was kauwgom dat ik uit het tapijt krabde, er was een logéetje van zes, een logéetje van elf.
En toen moest ik weer gaan, ik zei de meisjes gedag, droogde op het toilet mijn tranen, wierp vanuit een volle tram de echtgenoot nog snel een kushandje toe.
Een seconde later was ik weer hier. Met de specht en de pauw. Alsof ik nooit was weggeweest.

Geen reacties


donderdag 12 mei 2016

WiFi of pastoor Smits

Hier is Wifi. (Waar) zou ik zijn zonder Wifi? Als je zo op jezelf gaat letten als ik de laatste dagen doe, zie ik dat ik nogal veel in de weer ben met contact maken, kijken of ik contact heb. ET phone home. Is er al een berichtje? Een app, een sms, of misschien een mail? Bij de spam ook niet? Heeft er iemand mijn post leuk gevonden op Facebook? Besta ik nog wel?
Schrijven is precies hetzelfde. De juiste frequentie zoeken. Communiceren. Sommige mensen doen dat minder omslachtig. Andere mensen hebben niet die aangeboren neiging zich constant te moeten uitdrukken. Het heeft allemaal toch iets met bestaan en niet bestaan te maken, zoals onze goeie ouwe Shakespeare al zei.
Kom ik bij pastoor Smits uit.
Gisteravond lag ik op de bank onder het schilderij van Pastoor Smits – die almaar op dezelfde vriendelijke en berustende manier de wereld in kijkt – Brieven aan God te lezen. Ik was bezig in Jij zegt het van Connie Palmen. Maar ik werd moe van de lyriek. Brieven aan God dus. Dat boek lag hier. Bestaan of niet bestaan. De overgave. De volledige overgave. (Aan God, aan WiFi, aan je werk, aan de eenzaamheid of aan Connie Palmen) Pastoor Smits wist het wel, wat ik moest doen. Ik vertrouw wel een beetje op pastoor Smits, deze dagen. Ik ga zo weer even onder zijn portret zitten.

Geen reacties


woensdag 11 mei 2016

Doen

In weer een andere kamer gaan zitten met mijn laptop. Uitzicht op de verlaten kerk. In deze lichte kamer sliepen vorige week de meisjes. Het lijkt alweer eeuwen geleden. Maar morgenavond ga ik voor een paar dagen naar huis; verjaardagen vieren.
Ik zit hier echt niet per se zo in grote afzondering omdat dat dat nu eenmaal moet als je schrijft. Schrijven, – als je er eenmaal in zit – kan werkelijk overal.
Nee, ik zit hier om wat afstand te hebben van mijn leven en de emoties die daar onherroepelijk bij kwamen kijken. Nooit geweten dat het zo’n uitputtend gebeuren kon zijn. Misschien heb ik nooit eerder zo tot aan mijn nek in het leven gezeten.
Daar moest ik dus echt even uit.
Maar ik begin de fantoomarmpjes van Deetje om me heen te voelen en soms meen ik een zacht nekje te kussen dat er helemaal niet is. Waar zijn nu de handen van Jeetje gebleven die mij daarnet van zich afduwden toen ik haar, in het voorbijgaan, al te opzichtig naar me toetrok? Leven – als je er eenmaal in zit – kan werkelijk overal.
Het lijkt allemaal alleen een kwestie van doen.

Geen reacties


dinsdag 10 mei 2016

Doorknallen

In de kleine keuken ben ik neergestreken, mijn laptop bovenop het plastic tafelkleed met roosjes. De geur van de gebakken zalm van gisteravond hangt er nog omdat ik de achterdeur niet de hele tijd open durf te laten staan. In verband met de gevangenen die de tuin bijhouden. In de klapper staat: de achterdeur dichthouden. De gevangenen vriendelijk gedag zeggen, mag wel, binnenlaten mag niet.
Momenteel wacht ik een beetje op de mobiele supermarkt die deze middag in het dorp zal arriveren. Staat ook in de informatieve klapper. Een zak appels heb ik nog. En een stuk kipfilet. Het begint nu wel heel karig te worden. Sinds m’n gezin weg is, heb ik geen brood meer gehaald en ook geen brood meer gegeten trouwens. Het valt me op dat ik meteen teruggrijp op gewoontes uit m’n studententijd. Yoghurt. Thuis eet ik het spul nooit. Ook opvallend is dat ik in m’n eentje veel meer rommel maak, en dat ik nauwelijks aan persoonlijke verzorging doe als toch niemand het ziet.
Daarnet heb ik een rondje door het dorp gerend om te kijken of ik die mobiele supermarkt misschien al ergens zag rijden. Over het Pastoors Smitspad reed alleen een elektrische rolstoel met een grijze cowboy erin en een Golden Retriever die naast hem rende, maar geen supermarkt.
De cowboy en ik groetten elkaar.
Voor ik de deur uit holde, belde mijn agent nog. De eerste persoon tegen wie ik sinds dagen hardop gesproken heb. ‘Ik zal ophangen,’ zei ze al gauw, ‘dan kun jij lekker doorknallen.’
‘Nou,’ zei ik, ‘of ik nou echt lekker doorknal?’
‘Niet?’
‘Schrijven kan overal.’
‘Als je er maar in zit,’ zei ze.
‘Precies,’ zei ik.
‘Misschien is dit wel jouw manier van iets maken,’ zei ze, ‘misschien moet jij altijd wel door van alles heen, voor het zover kan zijn.’

Geen reacties


maandag 09 mei 2016

Lachertje

Ik schrok wakker van een enorm gekrijs buiten. Waarschijnlijk twee katten die elkaar besprongen. Het was 02.05 uur zag ik op m’n telefoon. Warm in mijn slaapkamer. Donker ook. Een donkerte die een stadsmens vanzelfsprekend niet gewend is. Ik probeerde al helemaal niet naar de stilte te luisteren, dan ga je er vanzelf iets in horen. Dat weten we allemaal. Zijn dat nou voetstappen op het grind? Wat is dat voor een kraakje? Hoor ik iemand zuchten? Ben ik dat zelf?
Nee, er was niets, helemaal niets, ik lag rustig en ontspannen in een oude Pastorie in Drente, nergens naar te luisteren, zo’n beetje weer in slaap te dommelen, toen plotseling die witte vrouw voor mijn geestesoog verscheen. Ik had niet eens gemerkt dat ze binnengeglipt was, maar spoken kunnen geluidloos door deuren en muren heen en ze maken gebruik van zo’n onbewaakt ogenblik tussen waken en slapen in. Dat had ik kunnen weten.
Heel dichtbij mij was het hoofd van een doorschijnende vrouw met lang wit haar en bruine ogen. Ze keek natuurlijk boosaardig naar me. Ik had haar verzonnen. Daar was ik me van bewust, maar ook dat dat niet uitmaakt. Ingebeeld of niet. Ze was er. Hoe kreeg ik haar weer weg?
Het werd nog een hele krachttoer in mijn hoofd tussen verbeelding en werkelijkheid.
Door dit nu op te schrijven probeer ik iets meer controle te krijgen over dit soort zaken, zodat het vannacht een lachertje zal zijn. Want dat is wat ik het liefst doe: van de dingen een lachertje maken.

Geen reacties


zaterdag 07 mei 2016

Het was het contrast

Het is zover. Ik zit. Ik moet terugschakelen van een hoop gezelligheid met het gezin, naar het volkomen verdwijnen in mijn werk. Het document zal dadelijk geopend worden. Al staat het nu nog mijlenver van me af. Ik weet dat ik blij zal zijn als ik er eenmaal mee bezig ben, maar nog blijer was ik misschien wel de afgelopen week. Geluk heet dat.

Het was misschien de rust hier. De stilte. De vrede. En dat omringd door zwaarbewaakte gevangenissen waar ik weet niet hoeveel mensen opgesloten zitten.
Het was de temperatuur die elke dag iets omhoog ging.
Het was het ‘eenvoudige’ leven. Wel in een pand dat zo’n slordige vier miljoen zou kosten in onze buurt.
We aten patat toen iedereen dat deed, op de dag dat de patatbus in het dorp stond. We lazen, we speelden een spelletje tennis, er werd heksensoep gemaakt van madeliefjes, we vierden de verjaardag van Deetje en verstopten de cadeautjes in de vele kamers van de pastorie.
Het waren onze fietstochtjes door de bossen. Het viel me op dat we vaak werden toegelachen door gepensioneerde stellen die ons tegemoet fietsten. Een ideaal gezin; zo zagen we er uit. Vader en moeder kaarsrecht op hun Gazelles met allebei een knap meisje aan hun zijde. Vaders hand lag in de nek van de jongste. Moeders rugtas gevuld met broodjes.
De zestigplussers herkenden zichzelf in ons denk ik. Hun eigen gezinnen. Hoe zij daar vroeger fietsten. Misschien ook waren het lachjes ter aanmoediging. Jullie kunnen het! Ga zo door! Jullie zijn leuk!
Het was het geluid van de specht en de pauw.
‘Wat is het hier lekker aan mijn oren,’ zuchtte Jeetje en sloot haar ogen. ‘We hebben eigenlijk zo’n huis nodig. En precies zo’n tuin. Dan zou alles goed zijn.’

Ik heb ze vanmorgen weg zien rijden, de oprijlaan af. Ik heb me omgedraaid, ben de Pastorie binnengegaan. Er moet gewerkt worden. Dat staat in dit dorp op alle huizen geschreven. Werken is leven

Geen reacties


woensdag 04 mei 2016

Afzonderen

Een verhaal over met rust gelaten willen worden, schrijft iemand me net. Of niet met rust gelaten willen worden, denk ik erachteraan. In de kamer hiernaast hoor ik zacht de stemmen van Jeetje en Deetje. Verder weg het gerommel van man in de keuken. Zo is alles precies goed. Zo moet het blijven. Maar toch zal ik binnenkort in deze pastorie alleen zijn. Ik hoef daar niet per se steeds aan te denken, we leven ten slotte in het nu, maar het gebeurt. Steeds herinner ik me de momenten dat ik eerder ergens alleen zat, in een uithoek. Ik herinner me het gefladder van een vleermuis rond mijn hoofd in de nacht. Het gescharrel van – naar wat later everzwijnen bleken te zijn geweest – in de stal onder mijn appartement. In mijn herinneringen word ik op die plekken constant omringd door Duisternis, Stilte – (soms onderbroken door gefladder en gescharrel)
Er zijn een paar momenten in mijn leven geweest dat ik dat deed: ergens alleen naartoe vertrekken. Me afzonderen. Niet al te lang. Ook niet al te vaak. Maar ze waren er. En ik verlangde er naar. Wat bijblijft is vooral het geen hand voor ogen zien, en de angst. Angst is net als pijn, dat herinner je je pas echt weer als het er is. Gelukkig maar.

Geen reacties


maandag 02 mei 2016

Andere omgeving

Ik ben van omgeving veranderd. We zijn van omgeving veranderd. We zijn naar het noorden van het land gegaan. Naar een voormalig gevangenisdorp. We zijn er in een oude pastorie terechtgekomen, met elf kamers en een enorm stuk grond. Het is avond. Buiten loeit/kraait/schreeuwt/roept een pauw. Binnen een vioolconcert van Bach. In één van de kamers op de eerste verdieping ligt de bijna jarige – het bevrijdingskind – Deetje te slapen, beneden in de voorkamer maakt Jeetje alvast een tekening voor haar verjaardag, en in de achterkamer zit man op een stoel met zijn leesbril op. Tegenover hem, boven de bank, hangt een immens schilderij van de pastoor die hier jarenlang in zijn eentje gewoond heeft en wiens geest hier nog altijd is. Dat voel je. Hij heeft een aardige blik in zijn ogen.
Toen ik daarnet de kamer verliet om hier dit stukje te gaan typen, om te kijken hoe of dat gaat in zo’n pastorie, zag ik dat man exact dezelfde houding had aangenomen als die van de pastoor op het schilderij. Alsof hij voor een spiegel zat te lezen. Hij had alleen geen bijbel in zijn hand, maar een ander boek.
Ik zit nu in een kamer aan een bureau waar veel schrijvers voor mij gezeten hebben. In dit huis zijn al heel wat boeken geschreven. Ook dat voel je. Hier moet het mogelijk zijn. Sommige boeken zijn er afgemaakt, andere romans zijn hier ontstaan. Nu zijn ze er nog alle drie. Over een paar dagen ben ik hier alleen.

Geen reacties


zondag 01 mei 2016

Doen Alsof

‘Wat als we in werkelijkheid maar rommelige schepsels in een rommelige en grillige wereld zijn zonder een wezenlijk waar zelf dat we moeten vinden om oprecht te kunnen leven? Wat als we wanordelijke wezens zijn met honderden verschillende emoties en kanten en ons leven grotendeels bestaat uit de interactie met andere wanordelijke wezens. Dat je voortdurend allerlei kanten wordt opgetrokken en dat je geneigd bent te reageren volens een bepaald patroon van vroeger, een momentopname waarin je bent blijven hangen. En dat heel rigide kan zijn geworden?’

Deze vragen worden opgeworpen in een interview in Trouw met een Hoogleraar Chinese geschiedenis – die zegt dat al dat zoeken naar een authentiek zelf onzin is – en dat we iets kunnen leren van een traditionele denker als Confucius.
Het gaat om rituelen.
Het gaat er om om te doen alsof.
Het gaat dus om de verbeelding. De creativiteit. Het spel.

Dat vind ik mooi.
Weg met oprechtheid.
Weg met het ware zelf! Op naar: Doen Alsof.

1 reactie


donderdag 21 april 2016

Doel

Ik was in een lelijk vergaderzaaltje beland waarin niet meer kon staan dan één gigantische ovale tafel.
‘Wat is het doel van je boek?’ De vrouw keek me strak aan.
‘DOEL,’ herhaalde ze.
Er zaten twee vrouwen tegenover me aan de vergadertafel. Het was wachten op de derde die bezig was sollicitatiegesprekken af te nemen. Het was voor het eerst dat ik bij zo’n grote organisatie binnen kwam, overal waren ruimtes waar mensen werkten achter computers. Facebook en twitter op de schermen. Mensen liepen heen en weer met kartonnen bekertjes, ze bezochten het toilet of ze stonden twee aan twee in de gang met elkaar te smiespelen. Een mierenhoop. Het deed me denken aan de middelbare school.
‘Doel?’ vroeg ik zacht.
‘Ja, wat is het doel van je boek?’
‘Eh, gewoon.’
‘HOE KOM JE OP HET IDEE?’ De vrouw dacht misschien dat ik hardhorend was. De andere vrouw staarde me intussen met open mond aan, zakte achterover in haar stoel toen ik weer ‘gewoon’ zei.
‘Het is ontzettend warm hier, hè?’ Ik deed mijn vest uit.
Ze vonden het helemaal niet ontzettend warm daar. Totaal niet zelfs.
‘Je weet dus niet wat je DOEL is?’
‘Ik dacht dat ik hier was gekomen om jullie verhaal te horen?’ Ik hakkelde. De vrouwen keken elkaar aan, trokken hun wenkbrauwen op.
Ik zou met drie dames van deze organisatie gaan praten die problemen hadden met dezelfde leidinggevende en daar een verhaal over maken. 1500 woorden. Dat was het doel. Nu ging het bij het voorstellen – ze hadden gevraagd wat ik deed in het leven – al totaal de verkeerde kant op.
Om een lang verhaal kort te maken: ’s Avonds heb ik de meisjes op het hart gedrukt dat ze nooit maar dan ook nooit voor een baas moeten gaan werken. Dat ze nooit in een bedrijf terecht moeten zien te komen. Dat het daar niet anders gaat dan op de basisschool en straks de middelbare school. Het gedoe tussen mensen: macht, pesten, meelopers en bij de populairste willen horen. Het werk is maar bijzaak.
‘Jullie moeten ervoor zorgen dat jullie later eigen baas worden. Denk erom.’

3 reacties


maandag 18 april 2016

Gisteren

We genoten de zondagslunch in café Krom – man, zijn moeder, Jeetje, Deetje en ik. We zaten aan een ronde tafel met de knakworstjes, de tosti’s, de tomatensoep en het broodje kalfsleverworst. De zon scheen naar binnen. Naast ons zat een stel vermoeide toeristen aan rietjes te zuigen. Er waren nog een paar locals die op hun gemak de zaterdagkranten doornamen. Midden in het café stond de jukebox. Man typte een nummer in en even later schalde ‘Is dit alles’ van Doe Maar door het café.
‘Heb jij dít liedje opgezet?’
‘Een Italiaans liedje,’ zei man, ‘leuk toch?’
Ik knikte. Al vond ik het op zich wel tegenvallen. Dat Italiaanse. Ik nam een hapje van mijn tomatensoep – Is dit alles wat er is aha aha – en keek kort naar mijn schoonmoeder. Ze knipoogde naar me, maar het kan ook zijn dat ze tegen de zon in keek. Toen Jeetje aan de knoppen van de jukebox zat, kregen we een vrolijke wals te horen. Dat paste prima bij de sfeer in het café. We babbelden over de tweeweekse trip naar New York die ik in juni met een vriendin ga maken. Dat het daar zo levendig schijnt te zijn allemaal. New York is life changing, appte iemand me. De wasserettes zijn inspirerend daar, had een ander me gemaild. Je kunt er uren in de wasserettes zitten genieten. Toen ik het waagde een willekeurig nummer in te typen, toverde de jukebox meteen de stem van Paul McCartney tevoorschijn. ‘Yesterday, all my troubles seemed so far away.’
‘Ook al zo’n Italiaans liedje,’ zei ik.
‘Leuk, toch?’ zei man. Weer dacht ik mijn schoonmoeder te zien knipogen.
‘O, I believe in yesterday,’ zong ik zachtjes mee.
Toen gingen we naar de kledingwinkel om de hoek, en kochten twee truitjes, eentje voor Jeetje en eentje voor Deetje.

Geen reacties


vrijdag 15 april 2016

Ik trof twee truitjes

Na het badderen liep ik nietsvermoedend de slaapkamer in en zag mijn twee favoriete truitjes van dit moment, ze lagen messcherp gevouwen, boven op elkaar, op zijn helft van het bed. Op de plek waar ooit een deken lag. Een hoofdkussen.
En ik zag meteen hoe hij, met mijn prachtig gevouwen truitjes tussen zijn handen, van de logeerkamer naar de slaapkamer moest zijn gelopen. Ze op de lege bedhelft had neergelegd. Gewoon neergelegd, zonder enige bijbedoeling, opdat ik het stapeltje zo mijn kledingkast in kon schuiven.
De werkster was vanmorgen geweest. Ze had de was gevouwen en op het logeerbed achtergelaten, we hoefden de kleren alleen nog maar in de kasten terug te stoppen. Dat was geweldig.
Het was het onverbiddelijke feit dat mijn lievelingstruitjes niet op het logeerbed konden blijven liggen. Maar wel hier.
Als ik een dichter was, zou ik over dat gevoel een gedicht schrijven. Nu blijft het behelpen met een stukje proza.

Geen reacties


dinsdag 12 april 2016

Een wens van niks

We liepen van school naar huis, Deetje, haar vriendje, en ik. Ze plukten paardenbloemen onderweg. Ze konden er nog twee afblazen. Ze deden allebei een wens.
‘Ik heb een wens gedaan,’ zei het vriendje.
‘Wat heb je gewenst?’ vroeg ik.
‘Ik zeg het niet.’
Maar na flink aandringen van mijn kant zei hij het uiteindelijk toch. Hij had een skateboard voor zijn verjaardag gewenst.
Ook Deetje wilde haar wens niet verklappen, maar ook zij kon geen weerstand bieden aan de straffe verleidingstechnieken van haar moeder.
‘Ik heb gewenst dat wij voor altijd en altijd vrienden blijven,’ zei ze, ‘óók later als we groot zijn.’

Het vriendje keek haar stomverbaasd aan.
‘Maar we zíjn al zéker voor altijd vrienden, Deetje,’ zei hij. ‘Voor altijd en eeuwig.’

1 reactie


maandag 11 april 2016

Noir Desir

Er was een verrassingsfeestje voor de overbuurvrouw, een authentiek Zweeds salonbootje waarop we met tien vrouwen twee uur door de Amsterdamse grachten voeren. We zaten dicht op elkaar. We leerden elkaar snel kennen. Er was een gigantisch cruise schip dat voor het centraal station op ons lag te wachten. We stapten aan boord en de trossen werden losgegooid. Ik wist bij God niet waar we naartoe voeren, maar dat gaf niet. Er was duisternis, flikkerende discolichtjes. Er waren loungebanken waarop gegeten kon worden, maar het was al voorbij etenstijd. Er was de dj, die ik ken omdat hij mijn buurman is, hij draaide een flard van ‘Le vent nous portera’ van Noir Désir en ik ging even kopje onder in de tijd. Ik kwam weer boven. Er was de travestiet die achter de bar stond met absurde borsten in een klein bh-tje.
‘Ik ben hier voor het eerst,’ zei ik.
‘Leuk,’ zei hij en knipperde met zijn mascara ogen.
Er was gin-tonic. Er waren sigaretten. De serveerster was lang, mager en droeg alleen een bh, een kort spijkerbroekje, blote voeten. Ze lachte niet. Het was niet de bedoeling dat je hier veel kleren aanhad. Dat was helder. Er lagen groepjes mensen op de loungebanken. We trokken onze schoenen uit en gingen er ook op liggen. ‘I am sexy and I know it’, draaide de buurman. Ik moest heel sterk denken aan de film Lost in Translation. Ik weet niet precies waarom. Op deze boot leek alles mogelijk. Hier waren andere regels. Ik kende ze niet. Hier was iedereen verloren of in elk geval – tijdelijk – zonder anker.
Er was het moment dat we weer aanmeerden, de loopplank afliepen, dat we ons gewone zelf weer moesten zijn.

Geen reacties


donderdag 07 april 2016

Voor het te laat is

Over de dingen die me het meest bezighouden, kan ik nu niet schrijven. Al ben ik van mening dat niets te persoonlijk is. Het is nu juist de kunst er iets van te maken dat het persoonlijke gezever overstijgt. Het boven die dooie werkelijkheid uit te tillen. Soms ook schrijf ik iets geweldigs niet op omdat het mensen in mijn directe omgeving zou schaden. Misschien is dat laf. Misschien ben ik te scrupuleus?
Mijn voettype kan daar meer over vertellen. Je hebt namelijk vier voettypes.
Ik heb typ 2. Diagonale voet.
‘Dit is een vorm waarin de tenen geleidelijk kleiner worden, uitgaande van de grote teen. Mensen met dit soort tenen worden gekenmerkt als mysterieus en hebben stemmingswisselingen. Ze zijn vaak angstig en impulsief.’
Deze informatie kwam ik daarnet tegen op de site blijf-positief.com.
Met mijn voeten is het droevig gesteld. De meeste schoenen kan ik niet meer aan. Mijn kleine tenen zijn aan het verdwijnen onder de andere tenen. Mijn voeten worden lelijker en lelijker, het lijkt de realiteit wel. Een grote teen buigt steeds meer af naar rechts, de andere naar links. Knobbels. Knellingen. Eelt. Eén zwarte kleine teennagel die er steeds af valt, er kom al snel een nieuwe nagel op, die dan binnen een paar dagen onherroepelijk weer zwart is en opnieuw loslaat.
‘Je moet echt naar een podoloog,’ waarschuwt iedere pedicure mevrouw me met steeds meer klem, ‘of je krijgt straks last van je knieën, of je kunt over een paar jaar helemaal niet meer sporten, of je belandt nog in een rolstoel of…’

Geen reacties


dinsdag 05 april 2016

Iemand die hielp

Het is onmogelijk om het niet over Wim Brands te hebben.

Wim Brands die me net na mijn debuut voor het eerst voor de radio interviewde, en me in de pauze zei: ‘Je moet niet steeds tussendoor lachen hoor. Je lacht veel en veel te veel uit ongemak. Dat hoeft niet.’

Ik sprak hem voor het laatst op één van die zaterdagmiddagen in de docentenkamer van de schrijversvakschool. Het ging onder andere over zijn epileptische vader. Hoe de meeste volwassenen hem als kind alleen lieten met zijn stuiptrekkende, schuimbekkende pa.
‘Nog altijd als ik ergens ben, check ik de mensen,’ zei hij, ‘zijn het mensen die me helpen of mensen die weglopen.’ Hij keek me aan. Hij checkte me. Was ik iemand die hielp of wegliep?
Ik ben degene die valt, dacht ik. Het lag voor op mijn lippen. Maar in plaats daarvan lachte ik.

Omdat het zo’n aardige man was. Waarbij je je op je gemak voelde. Iemand die hielp.

Geen reacties


vrijdag 01 april 2016

Ik sport

De Schoenmakerij IJburg tas met daarin mijn sportschoenen hangt aan mijn stuur. Ik fiets naar de fitnessschool op Haveneiland. In m’n sportpakje. Mijn knie raakt de tas steeds. De circuittraining is net twee minuten begonnen als ik binnenkom. Er zijn nog twee andere dames en één man.
‘Daar hebben we de verloren dochter,’ zegt de Surinaamse sportinstructeur. En dan zegt hij streng: ‘Je bent laat.’
Ik pak de gewichten op en doe mee met de oefening voor de bovenarmen. Mijn armen naar rechts, naar voren, omhoog. De sportinstructeur, voormalig Nederlands kampioen bodybuilden, komt voor me staan – ‘Zet die gewichten naast je,’ gebiedt hij- en legt zijn armen op die van mij.
‘Wegduwen,’ zegt hij.
‘Moeilijk hoor.’
Hij glimlacht: ‘Waar was je zolang gebleven? Had je problemen?’
‘Nee, hoezo?’ Ik probeer zijn armen opzij te duwen. De muziek is luid. Don’t let me go. Don’t let me go. Don’t let me go. Bij de cardio-oefeningen merk ik meteen dat ik stiekem gerookt heb. Sterk spul. Na een uur is de training afgelopen. Heb ik de gekte weer mooi buiten de deur gehouden vanavond, denk ik.
Ik neem me voor op te schrijven wat ik gezien heb, wat er is, mij te houden aan een precieze beschrijving van de feiten, zoals de schoolmeester van de Nederlandse letteren ons steeds dwingender voorschrijft op zijn weblog. Ik ben gevoelig voor autoriteit. Het is jammer dat ik geen vogels tegenkwam onderweg, maar ik ga er niets bij liegen. Dat ontspoort al gauw.
De instructeur zit achter de receptie en wenkt me als ik wil vertrekken.
‘Kom eens hier.’
‘Wat is er?’
‘Je moet niet zien wat er is, Elke.’ Hij kijkt me strak aan. ‘Je moet kijken naar wat er níet is. Wat je ogen niet kunnen zien. Dáár gaat het om.’
‘Nu fucking dát weer.’
‘Het gaat er om dat je gelóóft dat het er is.’

Na een tijdje laat hij me gaan, maar niet nadat hij me bevolen heeft The book of Enoch te lezen. Er is maar één waarheid, namelijk. Hij vindt het belangrijk dat ik dat begrijp.
‘Jij durft niet buiten jouw God te denken,’ zeg ik.
‘Dat heeft niets met durven te maken, ik wil het niet.’
‘En je dúrft niet, want stel, stel nou dat het niet waar is..?’
Maar daar heeft de sportinstructeur geen boodschap aan.

Geen reacties


woensdag 30 maart 2016

Liefde

We gingen naar Het jaar van de kreeft de voorstelling van toneelgroep Amsterdam in de Stadsschouwburg. Een decor vol opblaaspoppen met stijve piemels.
We stelden ons ons tienjarige Jeetje voor op het gigantische podium. Met Gijs Scholten van Asschat en Maria Kraakman. Tussen de piemels. Ze zou meedoen aan de voorstelling. Het contract was al getekend. We waren op gesprek geweest samen met de ouders van de andere twee meisjes. Met school was alles geregeld. De agenda was vrijgemaakt. Jeetje zou gaan toeren. Ze zou twee avonden per week twee uur lang op het podium staan als het kind Meesje tussen de twee mensen met hun getroebleerde seksuele relatie. Tot laat in de avond. Veel te laat voor Jeetje. Als de voorstelling begon, zou ze normaal al in bed liggen. Maar ze was gevraagd, an offer you can’t refuse.
De dag voor haar repetitie begon werd het afgezegd. In de repetities was gebleken dat het sterker zou zijn zonder kind op het toneel. Het ging niet om het kind. Toen ik het boek las, begreep ik al niet zo goed wat Jeetje zou moeten toevoegen aan het toneelstuk. In het boek was het kind ook niet meer dan bijzaak.
‘Misschien een andere keer,’ zeiden we tegen Jeetje.
‘Echt niet,’ zei ze. ‘Denk maar niet dat ik later ooit nog met Luc Perceval ga werken.’
Het stuk was een dans van mensen die elkaar aantrokken en afstootten, de acteurs gingen uit de kleren en weer in de kleren, ze hadden toneelseks, het was een heftig gebeuren. Jeetje zou in elk geval veel geleerd hebben. Maar of dat nou is wat we haar mee wilden geven? In de Volkskrant werd het toneelstuk afgeserveerd als een saai, repetitief gebeuren en kreeg het twee ballen. In NRC ben je een dief van je eigen geluk als je niet naar die voorstelling gaat en kreeg het maar liefst vijf sterren.
Ik zelf vond het denk ik drie sterren waard. Al die dubbele lagen over onze seksuele moraal, van vroeger en nu, herkende ik er niet zo in. Ik zag gewoon twee ploeterende ongelukkige mensen met een moeizame seksrelatie. Zoals ik om ons heen zoveel ploeterende ongelukkige mensen zie met moeizame slechte relaties. Maar dat is in de werkelijkheid waarin niet op zo’n hoog niveau geacteerd wordt, en waar ook de tekst nooit zo fijn droogkomisch en scherp is. In de werkelijkheid is niets om aan te zien.
Het is wachten op de gelukkige mensen met goede vreugdevolle relaties waar de passie vanaf spat. Het is wachten op liefde eigenlijk. Een enorme berg liefde voor iedereen. Dan maakt het ook geen flikker meer uit hoe er geacteerd wordt, noch de tekst is van belang.

1 reactie


donderdag 24 maart 2016

Essentie

Een overbuurman komt zijn huis uit, zijn gezicht behoorlijk rood, overhemd uit zijn broek. Er lopen een stuk of zes vreemde kinderen in zijn portiek, rond zijn in beton gegoten plantenbak met daarin een olijfboom. Dat wil hij niet. Ook als er in de wereld aanslagen plaatsvinden, hoef je dit grenzeloze gedrag niet te pikken. Misschien juist nu niet.
Ik zou het mijn studenten meteen aanraden. Laat je personage niet ontsnappen aan z’n aversie. Positioneer de man die allergisch is voor kinderen in de kinderrijkste straat van heel Europa.
Maar dit is geen fictie.
Een Aziatische vrouw passeert hem. Duidelijk de overdrachtelijke moeder. De man schreeuwt naar haar dat ze die kinderen bij zich moet houden en corrigeren.
Ik sta het tafereel in mijn deuropening te bekijken samen met de buurvrouw. Er was een pakket voor haar bij mij afgeleverd. Ik vraag haar meteen of ze nagellakremover met aceton heeft. De halve ochtend heb ik al aan m’n gelnagels gekrabt, maar het is er nog steeds niet allemaal af. Ze heeft geen aceton. Een andere buurvrouw die net terug komt van essentrics, – en aan mij een pincet vraagt om haar huis binnen te komen, de kinderen hebben met een stokje in haar slot gepoerd, het slot ontwricht – blijkt óók al geen aceton in huis te hebben.
‘Waarom was jij deze keer niet bij essentrics?’ vraagt ze aan de buurvrouw die het pakje kwam halen.
‘Ze zijn weer eens allemaal vrij.’
‘Ja, ik kon mijn zoon bij haar kwijt.’
‘Ik denk niet dat ze mijn drie jongens er ook nog bij zou willen.’
Ik overhandig het pincet.
De overbuurman staat op wacht voor zijn beknotte boompje en controleert of de party prikkertjes nog allemaal rechtop in de aarde staan. Om de vogels tegen te houden.
Mijn studenten zou ik aanraden de kinderen bij hem, in zijn designhuis, te plaatsen. Alle moeders naar essentrics.
Kijken wat er dan gebeurt.

Geen reacties


dinsdag 22 maart 2016

Hoe ik alles verpestte

Wat ben je toch een zeur! zegt een vader tegen zijn zoontje dat gezellig kletsend voor hem uit de trap oploopt, maar na papa’s opmerking meteen stilvalt.
Ik voel het wezen van het kind gewoon in elkaar krimpen. Wat heb ik toch een teringhekel aan ouders. Ik loop zo snel ik kan die stinkende basisschool uit en denk aan gisteravond na het eten, hoe ik de vaatwasser tegelijk aan het uit en inruimen was, de keuken aan het fatsoeneren, hoe Jeetje en Deetje op de nieuwe gezellige mat eerst nog vredig de lotushouding oefenden maar hoe dat oefenen naadloos overging in schoppen, slaan en ‘ik haat je’ roepen, ik zie weer voor me hoe ik de meisjes met een gore vaatdoek in mijn hand, een foeilelijke, veel te grote spijkerbroek aan m’n reet, toe stond te schreeuwen: ‘Waarom kunnen jullie nou nooit eens een keer normaal doen! Blijf dan uit elkaars buurt! Ik word zo moe van dit gezeik steeds! Jullie verpesten alles! In plaats van mee te helpen! – hoe Deetje toen ineens vlak achter me bleek te staan, – ik struikelde over haar zoals je alleen over een hond kunt struikelen die consequent te dicht op je loopt – met de koelkastdeur in haar hand. ‘Ik ga het toetje vast pakken,’ zei ze. ‘NEE!’ Ik smeet die deur dicht. ‘NU NOG NIET. IK BEN BEZIG. DAT ZIE JE TOCH.’
Hoe ze bevroor.
Het grote ongeloof waarmee de vijfjarige me aankeek.  De bekende trillende lip, voor ze in een oprecht en heel verdrietig huilen uitbarstte. Precies op dat moment kwam vader thuis van het werk.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij.
‘Ik wilde het toetje pakken en mama wordt ineens boos op mij.’ Ze stortte zich in vaders armen. ‘Zo maar.’
‘Het is allemaal mama’s schuld!’ schreeuwde Jeetje vanaf de mat.
‘Het is jammer dat je net nu thuiskomt,’ zei ik, ‘het was gezellig. Het was hier ècht gezellig.’
‘JA, MAAR MAMA VERPESTTE ALLES!’ Jeetje begon ook te huilen.

1 reactie


donderdag 17 maart 2016

Dat is waar ook

Parel van wijsheid, dat is de betekenis van Deetjes (5) echte naam.
We luisteren met z’n allen naar Jeetje (10) die twee brieven voorleest van meisjes die daarin hun spijt betuigen. Ze hebben haar iets gemeens aangedaan. Ze mogen nu enkele weken niet buitenspelen in de pauze. Ze moesten van de juf allebei een brief aan haar schrijven.
Het zijn goeie doch ingewikkelde spijtbetuigingen geworden, de ene brief is oprechter dan de andere, en Jeetje is in vertwijfeling over wat vriendschap betekent, hoe ze hier het beste op kan reageren en wat ze zelf nu eigenlijk wil en voelt. Misschien wil ze een tijdje afstand houden. Misschien wil ze geen vrienden meer zijn. Maar de brieven zijn wel echt heel aardig. We hebben het er met z’n drieën over. Wij, haar ouders, proberen haar zo goed mogelijk bij te staan in deze kwestie die ook in het volwassen leven nog vaak genoeg terug zal komen. Het aanhoudende psychologische machtsspel tussen mensen. De kluwen. De tirannie. Hoe hou je je staande.
Deetje zit er een beetje bij op de bank en kijkt voor zich uit.
‘Wat zou jij doen, Deetje?’ vraag ik als er een stilte valt.
‘Ik zou het ze vergeven,’ zegt zij meteen. ‘Je moet het ze gewoon vergeven, Jeetje.’
Dat is waar ook.

Geen reacties


maandag 14 maart 2016

Schmink

M’n baldate had de jodenster van zijn grootvader in zijn binnenzak. Het thema was Duitsland. Naarmate de avond vorderde, vroegen meer en meer mensen zachtjes aan me: ‘Heb je veel gedronken misschien?’ In het begin zocht ik er niet zoveel achter, het leek me smalltalk over het weer, – ‘Heb je veel gedronken misschien?’ ‘Valt wel mee, jij?’, ‘Valt ook wel mee,’ ‘Een beetje eten erin zou wel handig zijn,’ ‘Er zijn braadworsten,’ ‘O ja? Weet jij waar die braadworsten zijn misschien?’ – maar gaandeweg begon het toch op te vallen. Zo veel had ik namelijk niet gedronken. Ik had me laten make-uppen, omdat ik het zelf niet kan, m’n geweldige jukbeenderen kwamen nu nog mooier uit, en m’n ogen dan, ineens hád ik ogen, het was ongelooflijk, maar zoiets, júist zoiets als make-up, kon zich vermoedelijk ook helemaal tegen je gaan keren.
Op het Ajax-terras zei een Vlaming: ‘Jij hebt je geschminkt.’
‘Dat zeggen jullie zo, hè?’ zei ik. ‘Schmink.’
‘Ja,’ zei hij, ‘Schminken is bij jullie iets voor clowns of niet?’
‘Voor clowns ja,’ zei ik.
‘Moet jij geen braadworst?’
‘Hoezo?’
‘Zal ik je anders even naar de braadworsten brengen?’

Geen reacties


vrijdag 11 maart 2016

Het is goed

We slapen. Het hele huis slaapt. Man, Jeetje, Deetje. In onze eigen kamers. Ik lig op mijn buik, armen en benen wijd. Dan gaat de deur van de logeerkamer open. Voetstappen op de gang. Hij gaat even naar de wc. Ik slaap gelukkig al heel lang en diep, onpeilbaar diep. Helemaal onder zeil ben ik. Schoon in het hoofd. Schoon lijf. Eerst gesport. Ik ben lekker op tijd naar bed gegaan omdat ik morgen – nu ik dit opschrijf vandaag – naar het boekenbal ga. Hij ging nog even het café in met een buurman. Ik heb hem een half uur geleden niet horen thuiskomen. Ik heb zijn naam niet zachtjes gezegd. Ik sliep. Het is goed. Gisteren heb ik een mooi vloerkleed aangeschaft. De bank op een andere plek gezet. Een huiselijk hoekje gecreëerd. Een grote bos bloemen op tafel gezet. Het is lang geleden dat het er beneden zo gezellig uitzag. Ik mag tevreden zijn. De wc wordt doorgetrokken. Zijn voeten op de oude houten gymzaalvloer. Naar links of naar rechts? … Dan wordt de deur van de logeerkamer weer dichtgetrokken. Die moet ook goed dichtzitten, dat moet, anders komen de katten binnen. Het is goed. Zo komen we allemaal aan onze welverdiende nachtrust toe. En aan onze ontspanning. Het is zo, het hoort erbij. Het is alleen mijn hart, alsof ik net heb hardgelopen.

Geen reacties


donderdag 10 maart 2016

Drie vliegen in één klap.

‘Je moet incasseren,’ zegt een vriend me, ‘misschien wel maandenlang incasseren. Dat is goed.’
‘Makkie,’ zeg ik. ‘Incasseren is my middle name.’
‘Incasseren en ontspannen,’ zegt hij.
‘Incasseren en ontsnappen,’ zeg ik. ‘Ben ik fabelachtig goed in.’
‘Ontspánnen.’
‘O. ONTSPANNEN.’
Op de fiets terug langs het water, het zonnetje schijnt, trek ik mijn schouders nog wat op. Maar thuis ga ik meteen op de vloer liggen. Gordijnen dicht om die zon tegen te gaan. Ik voel dat ik moet slapen, misschien wel máándenlang slapen. Dat zou pas goed zijn. Dat incasseert, ontspant en ontsnapt makkelijker.
Voor ik ook maar een oog dicht kan doen, gaat de deurbel. En voor ik overeind gekrabbeld ben, gaat ie alweer.
Drie vrolijke meisjes van een jaar of tien staan op de drempel te trappelen. Te kletsen. Te lachen. Lawaai te maken. Rode wangen. Strakke broeken. Paardenstaarten.
‘Wat gezellig dat jullie hier komen spelen!’ incasseer ik.

Geen reacties


dinsdag 08 maart 2016

Hoe ik wacht

Gezeten tegenover hem, een veertiger en een vijftiger, ze zwijgen, denk ik terug aan de bruine koffer vol brieven die boven ergens ligt, die we weg moeten gooien volgens opruimcoach Marie Kondo, ritueel moeten verbranden, oude brieven zijn ballast, ze hebben hun functie gehad, er moet ruimte zijn voor de toekomst.
‘Vanavond ga ik in het logeerbed slapen,’ zegt hij dan.
‘Ja.’
‘Dan kunnen we tenminste rustig slapen. We houden elkaar wakker. Slaap is belangrijk.’
‘Slaap is belangrijk.’
‘Je moet er niet zo zwaar aan tillen.’
‘Nee.’
Gezeten tegenover hem, – hij rechtop op een stoel, ik op de bank nog in mijn sportkleding – denk ik terug aan de eerste brief die ik op het logeerbed vond, in zijn huis in Culemborg, waar ik mocht blijven tot ik een andere kamer had, hoe ik van het ene op het andere moment dakloos was geworden, hoe ik de ochtend na de politie-inval bij mijn Surinaamse hospita met twee volle vuilniszakken naar de academie liep, op blokhakken natuurlijk, alsof het de normaalste zaak ter wereld was, ik meende als negentienjarige dat alles de normaalste zaak ter wereld moest zijn, hoe de vriendelijke jongeman mij zolang het logeerkamertje in zijn huis aanbood, hoe ik daar thuiskwam, en hoe ik toen een paar weken later de verzegelde brief op het hoofdkussen vond, geschreven op dik, lichtbruin papier, met een zwarte kroontjespen, korte onafgemaakte zinnetjes, veel puntjes, dit is een soort Sam Shepard liefdesgedicht stond er, hoe ik die brief steeds opnieuw bleef lezen, totdat ik de voordeur hoorde opengaan, ik hem oneindig lang in de keuken hoorde rommelen, hem zijn eten hoorde maken, hoe ik toen zeker wist dat hij die brief vergeten was, ik moest er ook niet te veel waarde aan toekennen, die kunsttypes waaiden alle kanten op, hoe mijn hart bonsde en ik doodstil op dat logeerbed zat en wachtte, hoe ik wachtte tot ik zijn voetstappen de trap op hoorde komen, de gang over, tot hij naast me op het bed kwam zitten, hoe we zwegen, en hij minuten later pas vroeg: ‘Heb je de brief..?’, hoe ik iets dichterbij hem ging zitten, nog dichterbij, hoe het niet dichtbij genoeg kon zijn.

1 reactie


maandag 07 maart 2016

Terugtuimeling 2

Doodstil naast elkaar gezeten op de bank in onze woonkamer, hand in hand, een veertiger en een vijftiger, ‘Let it slip away’ van Calexico speelde, dacht ik terug aan de eerste keer dat we elkaar ontmoetten. Ik was een nogal in mezelf gekeerd type van negentien, van het ontheemde soort, niet helemaal van deze wereld, woonde net een paar weken op een piepkleine kamer in een sociale huurwoning in Utrecht, bij een Surinaamse vrouw met een paar gouden tanden, er woonde ook een Marokkaanse man van een jaar of vijftig die ik soms uit haar slaapkamer zag sluipen, regelmatig dreef er een condoom in de wc, naast mij woonde de moeilijke studente Nellie die in het weekend stiekem op mijn Bevercomputer ging en op de zolder boven ons hoofd sliepen elf vluchtelingen op matjes. Ik at ’s ochtends en ’s avonds yoghurt met muesli en wandelende om de avond in sneltempo naar de telefooncel om mijn ouders te bellen die dan zeiden: ‘Wat doe jij zo laat nog op straat? Ga naar je kamer!’
Overdag zat ik bij doorgewinterde kunsttypes in de klas, in de pauze probeerde ik óók shag te draaien of ik dwaalde door de gangen van de theateracademie waar ik de gloednieuwe opleidingen Dramaschrijven en Literaire vorming volgde, het tweede jaar omdat er geen eerste jaar was, net te doen alsof ik daar hóórde te lopen, altijd bang teruggefloten te worden, tot op een zeker moment die flamboyante, in het wit geklede docent ook daadwerkelijk op me af kwam stormen, hij was bezemsteel lang, torende boven iedereen uit. ‘Wat doe jij hier? Jij hoort hier niet!’ zou hij gaan zeggen.
‘Maar ik studeer hier echt.’
‘Jij bent hier illegaal. Wegwezen.’
‘Nee, echt.’
Maar toen hij vlak voor me stond, twinkelende ogen over een leesbril, zei hij: ‘Hij wil je iets vragen, maar hij durft niet.’
Hij wees naar een jongeman van eind twintig, die op een traptrede in de aula zat. In een veel te grote broek en veel te grote houthakkers bloes en een gigantische bos krullend haar.
‘Hij is er te schijterig voor!’ De lach van de docent was hoog en daverend. ‘Daarom doe ík het voor hem.’

Geen reacties


donderdag 03 maart 2016

Precies op tijd

Het zonnetje scheen. We slenterden gezellig met de kinderen over de begraafplaats in Otterlo. Op veel graven stond hun achternaam. Ik maakte foto’s van Jeetje bij de verschillende zerken van haar onbekende voorvaderen en moederen. Misschien zagen ze ons? Misschien zagen ze dat alles gewoon doorgaat. Misschien waren ze trots op hun nakomelingen?
‘We doen even een familiebezoekje,’ zei ik.
Jeetje (10) poseerde bij een steen zoals sommige jongedames bij sportauto’s poseren. Alsof het een geliefde is. Na de derde of vierde zerk begon ik me af te vragen of het goed was om een kind bij een grafsteen op de foto te zetten. Al gauw maakte ik niet meer van álle graven met de achternaam van mijn kinderen een foto. Tot ik er helemaal geen meer maakte. Ook Deetje (5) die in het begin nog enthousiast naast ons stapte, steeds weer haar achternaam spellend en daarbij trots haar eigen drie voornamen reciterend plús natuurlijk die vermaledijde achternaam, begon steeds langzamer te lopen. Haar neusje op te trekken. Te vragen wanneer we nou terug naar de auto gingen.
‘Je moet wel oppassen. De dood kan je besmetten.’ Haar grote zus zette een griezelige stem op.
‘Echt? Kunnen we besmet raken?’
‘Nee, joh, de dood is niet besmettelijk,’ zei ik.
‘Jawel hoor,’ zei Jeetje.
‘Ze pest je,’ zei ik.
Maar Deetje koerste al richting uitgang. Haar nieuwe kleurige wandelschoenen in vlotte pas over het witte grind. Ze wilde weg, familie of niet. Eigenlijk begon ik toen ook wel genoeg te krijgen van de zwijgende voorouders.
Zodra we in de auto zaten, begón het me toch te stortregenen en te hagelen. Niet normaal.
‘We zijn precies op tijd terug,’ zei man.

Geen reacties


maandag 29 februari 2016

Ben jij er ook bij?

Het was zondagmiddag, we reden met z’n vieren naar oma. We draaiden ‘Smoorverliefd’ van Doe Maar en ‘Diamond’ van Rihanna. Dat wilde Jeetje horen. De zon scheen op onze gezichten. Deetje dommelde in haar kinderstoel. ‘I Follow Rivers’ van Lykke Li. Het was bijna jammer dat we er waren.

‘Ben jij er óók bij!’ riep de zus van man vanaf de wc toen we het huis van mijn schoonmoeder binnenkwamen.
‘Ja? Hoezo?’ Had dat soms niet gemoeten, dacht ik.
Een paar seconden viel alles stil. Ik was er ook bij. We stonden in de gang met onze jassen aan. Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn schoonmoeder en schoonbroer. Ze lachten naar me. Ik kwam hier al zo’n drieëntwintig jaar. De grootste verrassing moest er nu toch af zijn. De wc-deur ging met een zwaai open. De zus hees haar Adidasrok omhoog.
‘Ja, nou ik dacht dat je zíék was,’ zei ze snel, ‘dat las ik op je blog!’ Ze begon ons één voor één te begroeten en gaf aan dat ze niet gekust moest worden vanwege verkoudheid.
Ik ging mijn blog na, kon me geen recente ziekte herinneren. Het gevaar van zo’n weblog is dat mensen denken dat ik bén wat ik hier opschrijf.
‘Ik was laatst wel moe,’ zei ik aarzelend. ‘Bedoel je dat?’
‘Iedereen is er!’ riep de zus toen. ‘Gezellig! Het lijkt wel kérst!’
Tijdens de Indonesische maaltijd, bekeek ik de titels in de boekenkast van mijn schoonmoeder. Vanuit de diepte heb ik geroepen. En: De eenzaamheid van een vrouw. Grote gotische letters.
We aten kipsaté en hadden het over vegetarisch worden. Sinds Jeetje en ik de boekpresentatie van Dierentalen bijwoonden van Eva Meijer, wilden we eigenlijk helemaal geen vlees meer eten. We waren diep geroerd door haar toespraak. Man en zijn broer verwijderden de dode én de dementerende mensen uit de contactenlijst van hun moeders mobiele telefoon. Daarna ging het gesprek over opruimen. Ik vertelde dat ik het boek van de opruimcoach Marie Kondo gekocht had en dat we thuis begonnen waren aan een grote opruiming. Ik had de speelgoedkast en de badkamerkastjes geleegd. Man had al zeven vuilniszakken met kleding weggegooid. Het criterium: word ik hier blij van of niet? Alles waar hij niet blij van werd, belandde zonder pardon in een vuilniszak.
‘Jullie moeten een televísie kopen,’ zei de zus. ‘Jullie moeten met z’n vieren televisie kijken. Dat is pas goed.’

Geen reacties


donderdag 25 februari 2016

Tot hier en niet verder

‘Tot hier en niet verder vind ik een betere titel,’ zei de producer. ‘Dat dekt de lading van het hoorspel helemaal.’
‘Ja,’ zei ik, ‘Tot hier en niet verder. Dat is mooi.’
Het was half tien in de ochtend en ik had een werkoverleg in het Lloyd hotel over de laatste versie van het radiodrama Tot hier en niet verder dus. De nacht ervoor was weer een slapeloze geweest. In mijn hoofd leek alles door elkaar te lopen. Draadjes smolten samen. Het was een kolkende, bubbelende massa. Een vulkaan op het punt van uitbarsten.
‘Hoe gaat het eigenlijk met jou?’ vroeg de producer.
‘Ja, het gaat!’
‘Everything fine zeker,’ zei de regisseur en grimaste.
‘Precies.’
We bespraken het scenario: het moest een lichtvoetig vertelde nachtmerrie worden.
De meest vreemde beelden en fragmenten uit mijn leven trokken aan me voorbij, alsof dit mijn sterfscène was. Ik dronk muntthee, mijn vier ochtendlijke espresso’s had ik al gehad – die leken de boel alleen nog wat meer op scherp te zetten in plaats van enige klaarheid te verschaffen – dus nam ik muntthee, en nog een, en nog een.
De regisseur en de producer spraken off the record over hun pubers en over porno. Dat veertienjarigen tegenwoordig allemaal enorm veel porno kijken. Ze hadden het over de seksuele burnt-out van tieners. Het schijnt nog nooit zo slecht gesteld geweest met het seksleven van de tiener vanwege die enorme hoeveelheid pornobeelden. Een buurvrouw stuurde een berichtje dat ze vast had gezeten in de glazen lift bij Rietlandpark en uren later door brandweermannen werd gered.
Op de terugweg nam ik de trap bij Rietlandpark. Ik zag de rood-witte afzetlinten bij de lift.
Thuisgekomen ging ik naar bed, ik zei de les af, legde een kruik op mijn onderrug en bestond niet meer.
Deze ochtend ziet alles er anders uit. Werkelijk alles in het leven valt of staat bij s l a a p.

Geen reacties


maandag 22 februari 2016

Vaderlijk

‘Ik moet naar de Veerlaan.’ Ik zit in de taxi naast een wat oudere Oost-Europese taxichauffeur. Het regent. Het waait verschrikkelijk. Hondenweer. De aansluiting met de tram heb ik gemist. Ergens in deze stad zal ik iets gaan doen.
‘Waar is de Veerlaan?’ vraagt hij.
Ik haal mijn schouders op.
‘In Rotterdam?’ vraagt hij.
‘Daar zijn we toch?’
Hij geeft me zijn navigator en ik typ daar de Veerlaan in, het nummer waar ik moet zijn en de juiste stad. De dikke vingers van de chauffeur zijn ook niet toereikend voor dit soort apparatuur. Dat zie je meteen.
‘Is dat een privé adres?’ vraagt hij.
‘Nee, een boekhandel.’
‘Wat moet je in een boekhandel.’
‘Daar ga ik voorlezen.’
Ik heb geen zin in meer vragen, maar al gauw ontspint zich toch een gesprek over wat ik ga voorlezen, dat ik het boek zelf geschreven heb, waar dat dan wel niet over mag gaan?
‘Over mensen,’ zeg ik nogal kortaf.
‘Ja, over mensen, logisch.’ Hij laat zich niet afschepen. Dat is leuk. Terwijl we rijden moet ik van hem meekijken op de routeplanner. Hij vertelt dat hij 65 jaar is, net zo oud als mijn vader dus.
Over een paar maanden krijgt hij AOW, dan kan hij het rustiger aan doen. Hoeft hij zijn boterhammetje niet meer helemaal te verdienen met taxi rijden.  Maar stoppen zal hij niet, zegt hij, dan weet hij niet wat hij moet doen. Hij vertelt over mensen. De mensen die hij in de auto krijgt, het verschil tussen mensen die van maandag tot vrijdag in zijn auto stappen, de mensen op zaterdag en zondag overdag zijn ook weer heel andere types, en de mensen die hij ’s nachts rondrijdt zijn meestal dronken of crimineel. Veel te snel rijden we de Veerlaan in. Samen zoeken we het juiste nummer, hij zegt steeds dat ik naar links moet kijken.
‘Dat zijn even nummers,’ zeg ik, ‘we moeten bij oneven zijn.’ Maar hij doet niet aan even en oneven. Ik kijk braaf naar links. Aan de rechterkant ligt de Fenix Food Factory met de boekhandel.
Hij wenst me succes. Hij wil me straks weer komen halen. Ik hoef hem maar te bellen. We zwaaien. Hij had me vast willen horen voorlezen. Als hij zijn boterhammetje niet had moeten verdienen.

Geen reacties


donderdag 18 februari 2016

Niet doen!

Op een verlaten stukje van de Zeeburgerdijk, aan de overkant van waar ik fiets, staan een man en een vrouw tegenover elkaar, onder het licht van een lantaarnpaal. De man heeft een capuchon op en een flesje in zijn hand, hij neemt een slok, draait zich om en loopt van haar weg. Het flesje slingert naast zijn lijf.
‘Loop je nou weg!’ schreeuwt ze. ‘Loop je nou weer weg!’
Hij loopt door in de trefzekere, nonchalante en hoogst irritante pas van iemand die van weglopen zijn leven heeft gemaakt. Van iemand weet dat hij tegengehouden zal worden. Van iemand die weet dat hij uiteindelijk zal winnen. Ook al heeft hij geen gelijk. Zij kijkt naar zijn rug, de capuchon die uit haar zicht verdwijnt, roept iets, geen reactie, dan begint ze te rennen. Van hem weg! Steeds harder. Haar hakken klakken op het trottoir. Ze rent voor haar leven.
Goed zo!, denk ik. Weg van die kerel! Ik wist dat je het kon.
Tevreden over deze onverwacht goede afloop, fiets ik door.
Als ik nog één keer omkijk – omdat ik de hakken niet meer hoor – staat ze een eind verderop over een fiets gebogen. Haar tengere silhouet. Ze maakt het slot los en racet als een gek achter die slampamper aan. De duisternis in.

Geen reacties


maandag 15 februari 2016

Tien Jaar

Op vrijdagavond deed ik mascara op haar trillende oogleedjes, lippenstift, verdween ze om half acht met een schaal worstjes in een vreemd huis om er pas om elf uur weer uit te komen.
Op zaterdag hing ze in pyjama, met spierwit snuitje, voor de computer en deed een online spel. ‘Misschien is dat aardige meisje dat jou steeds cadeautjes geeft, wel een vieze veertigjarige man,’ zei ik. ‘Pas erop! Denk erom.’
Op zondagavond stond ik bij de halte op ons eiland te wachten op tram 26. Het was donker. Het regende. Het was koud. In de verte zag ik de twee felle koplampen uit de richting van centraal station komen. Het rood/zwart geblokte jasje stond voor de deur. De blonde paardenstaart. De hand met de tramkaart in de aanslag. De concentratie op haar gezicht. De deuren gingen open.
Ze lachte, gaf haar portemonneetje. De tramkaart. De hele verantwoordelijkheid. Het was allemaal weer voor mij.

Geen reacties


vrijdag 12 februari 2016

Mag ik iets zeggen?

Ik wil net naar bed gaan als er wordt aangebeld. Het is half elf ’s avonds. Ik denk aan een buurvrouw die iets nodig heeft. Maar door het glas zie ik dat er een onbekende Surinamer van een jaar of vijftig/zestig voor de deur staat. Hij kijkt een beetje lodderig uit zijn ogen. Hij lijkt op mijn opa die volgens mij precies vandaag, 25 jaar geleden is overleden. De opa in de Mercedes die tot zijn eigen ellende altijd aangehouden werd bij de grens om zijn paspoort te laten zien. De opa met het bruine hoofd en de melkflessen als benen.
We kijken elkaar aan door de ruitjes van de voordeur. Nooit bellen er vreemde mannen aan. Nu zit man in Zweden en meteen – tring -. De man gebaart dat ik open moet doen. Hij heeft ook iets verdrietigs of hij speelt verdrietig.
‘Doe eens open.’ Hij staat bijna met zijn neus tegen het glas. ‘Ik wil iets zeggen.’
‘O?’
‘Mag ik iets zeggen?’
‘Nee.’
‘Mag ik iets zeggen?’ Hij praat harder.
‘Eigenlijk niet,’ roep ik.
Ik draai me om en loop het halletje snel uit, doof de lichten en verdwijn snel naar boven. Als opa mij na een kwart eeuw nog iets wil komen zeggen, moet ie dat niet om half elf ’s avonds doen.
Dat weet hij zelf ook wel.

Geen reacties


donderdag 11 februari 2016

Ontwikkelingen

Er zijn ontwikkelingen gaande.
De laatste tijd is het bijvoorbeeld net alsof ik leef. Heel apart. Het is niet zo dat ik eerst niet leefde. Meer dat ik het nu ook merk. Mijn personages overkomt zoiets al heel lang. Van het ene op het andere moment, meestal als het net te laat is, leven ze. En wat dan!
Nu ben ik mijn eigen personage geworden. Het gaat precies zo als ik bedacht had.
Ik sprak laatst met een schrijver die een verhaal had geschreven over zijn ( inmiddels ex) vriendin. In het verhaal beschreef hij hun prille verliefdheid en hoe de relatie uiteindelijk uit zou gaan, en een jaar later ging het op precies die manier uit.
Het was heel gevaarlijk wat je daar deed, zei zijn redacteur.
Schrijven is ontzettend gevaarlijk, zei ik.
In het nieuwe boek van Nell Zink dat ik net las, werd korte metten gemaakt met schrijvers die dachten dat ze bezig waren met Zeer Belangrijke Zaken. Een gedicht: een speelgoedmuis in de dode hoek van het wereldtoneel. Dat stond er heel wat beter. Maar ik heb nu geen zin dat op te zoeken.
Ontwikkelingen hebben iets onheilspellends, mailde iemand me.
Dat is waar. Je weet niet waar ze zich heen ontwikkelen. Maar zonder ontwikkelingen geen roman. Zonder ontwikkelingen geen leven. Zo zou je het kunnen zeggen. Leve de ontwikkelingen, misschien?

Geen reacties


maandag 08 februari 2016

Krankzinnig universum.

Vlak voor sluitingstijd liepen we het Stedelijk binnen. En van het een op andere moment waren we in een krankzinnig universum. De expositie van Isa Genzken. Mach Dich Hübsch. Een idiote wereld. Kleurrijke installaties en objecten. In geen enkele zaal iets wat in de lijn der verwachting lag. Nergens houvast. Of iets waarop je kon voortborduren. Ook al kwam het me allemaal heel bekend voor. En was er tegelijkertijd niets geks aan.
Er overviel me, dwalend van ruimte naar ruimte, iets wonderlijks. Ik vond het prachtig. (Heel wonderlijk voor mij, zo ineens iets prachtig te vinden) En: Ik bevond me er middenin. Niet aan de rand. Niet als toeschouwer. Nee.
Dit is de binnenkant van mijn hoofd, dacht ik. Ik ben door mijn hoofd aan het wandelen. Ja, als het er daar zo uitziet, is het niet zo gek dat het niet altijd even duidelijk is welke draad ik volgen moet. Maar vervelen zal ik me niet.
Gelukkig zag ik ook hier en daar Michael Jackson. Wat die daar nou weer deed bij Isa Genzken? Wat die in mijn hoofd doet? Het is leuk verbanden leggen. Steeds andere verbanden. Alles is mogelijk. Alles verandert. We waren daar helemaal alleen, man en ik. We wandelden door andere zalen, maar het bleef dezelfde expositie.
Precies een half uur later werden we eruit gebonjourd. Het stormde daarbuiten ontiegelijk.

Geen reacties


vrijdag 05 februari 2016

Hoe Lang Nog

Ik heb de laatste tijd tijd om te wandelen, ik heb tijd om een verhaal af te maken, ik heb tijd om een hoorspel te schrijven, ik heb tijd om les te geven, ik heb tijd om boodschappen te doen, ik heb tijd om te koken, ik heb tijd om een verjaardag te bezoeken, ik heb tijd om naar de kapper te gaan, ik heb tijd om koffie te drinken met een vriend, ik heb tijd om te lezen, ik heb tijd om een spelletje met de kinderen te spelen, ik heb tijd om met man te praten, ik heb tijd om te sporten, ik heb tijd om..
Waar komt die tijd ineens vandaan? Er zitten niet meer uren in een dag. Een uur duurt niet langer dan een uur. Ik heb het drukker dan ooit, daar heeft het ook al niets mee te maken.
Tijd is beweging. Tijd is alleen nu. Ik moet de filosofen eens naslaan op het begrip tijd, als ik daar tijd voor heb.

1 reactie


dinsdag 02 februari 2016

Het woei

Mijn drie buurvrouwen zaten al in de wagen op mij te wachten.
‘Je bent twee minuten te laat,’ zeiden ze toen ik instapte.
‘Ja, ik was m’n fietssleutel  heel lang aan het zoeken, maar dat was dus niet nodig.’
‘Nee,’ zeiden ze. ‘Dat had je kunnen weten als je je app gecheckt had.’
‘Ja, maar er kwamen zoveel berichtjes voorbij en ik moest mijn fietssleutel nog zoeken..’
‘Dat was dus niet nodig als je je app gecheckt had.’
‘Nee, als ik m’n app gecheckt had, was ik op tijd geweest.’
We reden naar de sportschool.
We sportten.
Een buurvrouw moest binnenkort in haar bikini passen en in zomerjurkjes. We hadden het over calorieën. De immense hoeveelheid calorieën die al in één glas wijn bleek te zitten.
‘Ja dag, ik kan niet ook nog zonder wijn,’ zei ze. ‘Het moet wel leefbaar blijven.’
‘Al die modellen drinken champagne,’ zei ik. ‘Misschien is dat wat?’
‘Je moet gewoon gaan genieten,’ zei een andere buurvrouw. ‘Met een vrolijk gezicht erboven staat die bikini altijd goed.’
‘Ja,’ zeiden we. ‘Met een vrolijk gezicht staat alles goed.’
‘Als ik weer ga roken, ben ik ook zo vijf kilo kwijt,’ zei ze. ‘Ik woog ooit vijfenveertig kilo. Toen dronk ik alleen maar bier en ik rookte.’
We liepen over het grasveldje terug naar de auto. Twee buurvrouwen liepen recht door de hondenpoep.
‘Sukkels,’ zeiden we.
We reden terug. Die twee met de voeten omhoog.
Na vijfhonderd meter waren we er. Mijn autodeur vloog open omdat het zo woei.
‘Kijk je wel uit met die deur,’ zeiden ze.

Geen reacties


donderdag 28 januari 2016

Wandelen

Het regende zachtjes en ik wandelde naar mijn Crea klasje. Het was een uur lopen van mijn huis tot aan de Artis-buurt. Deze route heb ik een miljard keer gefietst, maar dan zie je blijkbaar niets. Het viel me voor het eerst op dat er erg veel mensen alléén ergens naartoe op weg waren. Gebogen door de regen. Elk hun eigen weg. Jonge vrouwen. Mannen. Ze zagen er allemaal een beetje verloren uit, ze hadden geen keuze. Een oudere man passeerde me, keek me aan, zijn kleine hoofd diep verscholen in zijn capuchon. Hij had veel spullen bij zich. Achter een raam zaten twee verpleegsters op de puntjes van hun stoelen naar een soap op televisie te kijken. Een bejaarde dame zat een stukje van hen af, in een sta-op stoel, voor zich uit te staren. Ik dacht eraan hoe het was om oud te worden en er dan maar een beetje bij te zitten. Ik snelwandelde drie slenterende jongeren voorbij. Dat gaat fietsend veel beter.
Op de terugweg regende en woei het nog harder. Het stukje van de camping naar huis waar geen huizen stonden, was veel enger dan normaal. Een hummer, misschien was het een andere grote auto, reed me langzaam voorbij. Mij, eenzame wandelaar, doorweekt, met m’n zware rugzak.
In de verte zag ik de lichtjes al van het nieuwbouweiland waar ik moest zijn. De verhalen van Tsjechov, Lydia Davis en Robert Walser bonkten op mijn rug.

Geen reacties


maandag 25 januari 2016

Trumanshow delusion

De leeuwen komen er aan. Ze brullen om het hardst. Er is een stolp over ons heengezet. Een koepel die de hemel moet voorstellen. Het is allemaal nep. De wereld is nagebouwd. We spelen met z’n allen in een realitysoap. Don’t dream your life staat met grote letters op de muur in de toiletruimte. Iemand wil ons waarschuwen.
De olifanten trompetteren. Ze zullen ons verpletteren.
De maan is prachtig vol, of hangt die ook hierbinnen? Het onweer barst in de jungle om de zoveel tijd met een enorme kracht los. Net zoals de regen steeds weer bij bakken uit de hemel valt, maar nooit bij de lodges waar we logeren; mijn moeder, Jeetje, Deetje en ik. Wij worden nooit echt nat. Dat is juist fijn.
De tropische vogels die hier vliegen zijn echt, ja die zijn zeker wel echt. Je kunt ze voeren. Die zijn zo mooi. Die zie je hierbuiten niet. Of is er geen binnen en buiten soms? Is dit het? 
Het water dat over de rotsen stroomt, is echt water, je kunt er nat van worden, maar de waterval is gemaakt en ook de rotsen zijn hier speciaal zo neergelegd zodat wij erover en eronder kunnen kruipen. Zonder scherpe randjes.
Mijn moeder is mijn moeder en van vlees en bloed. Dat is fijn. Ze is bijna vijfenzestig jaar. Dat vieren we. Ze zit naast me op de veranda. We zitten er samen. Zij en ik. Met echte wijn. In een plastic glas. Het is rond middernacht. Binnen liggen de meisjes te slapen onder hun klamboe. Hele echte dochters. Toch?
Een zoveelste krijs van een mensaap in nood. De leeuwen komen er steeds weer aan. De krekels blijven hysterisch krekelen. De olifanten trompetteren in mijn nek. Misschien word ik gek. ‘Dit zal een ervaring worden om nooit meer te vergeten’, hoor ik de mevrouw in safarikleding keer op keer zeggen.
‘We zitten in een stolp,’ zeg ik rustig tegen mijn moeder. ‘De lucht is hier niet echt. Hoe moeten we ademen? Hoe komen we hier eigenlijk uit? Weet jij dat? Weet jij misschien waar de uitgang is, mama?’

Geen reacties


donderdag 21 januari 2016

De lokvrouw

Het was half elf ’s avonds, ik racete naar huis met de number ones van Madonna in mijn oren. Papa don’t preach. Vlak voor Juttersdok zag ik iemand op de weg zitten. Er lag een fiets naast. Ik dacht eerst dat het een man was, of dan zeker een lokvrouw, en dat hij of zij expres midden op de weg was gaan zitten om mij te doen afremmen, te grijpen en aan flarden te raggen.
Het was een donkere uithoek. Doodlopende weg. In de verste verte niemand te zien. Er was alleen de gewonde vrouw en ik. Haar ogen deden me denken aan die van een schrijfster die ik op het boekenbal een paar keer redelijk diep in de ogen gekeken heb, een verlaten blik, de ogen van een eenzaam vierjarig meisje in plaats van die van een vrouw van toch zeker vijftig.
‘Gaat het wel?’ Ik haalde Madonna uit mijn oren.
‘Ik kan niet meer opstaan.’
‘Je kan hier niet blijven zitten.’
Ze glimlachte vanonder haar zwarte muts. Ze droeg een extravagante grijs met zwarte bontjas. Strak leren rokje. Panty’s. Eén lange blokhaklaars viel steeds naar rechts. Dat zag er niet goed uit. Ik begon onder haar oksels te sjorren.
‘Laat dat maar,’ zei ze zacht.
‘Wat wil je dat ik doe?’
‘Ik wil mijn vriend bellen. Als je mijn tas wil pakken?’
Ik was allang blij dat ze haar vriend ging bellen. Ik wilde ook best graag een goede hulp zijn, maar kon niet veel anders bedenken dan 112 bellen. Ze leek me te kalm voor 112. Als je 112 belde, moest het slachtoffer op z’n minst gillen van de pijn. Life is a mistery, klonk zachtjes uit mijn oordopjes. Ik stond daar op het spekgladde wegdek naast een licht verweesde maar vriendelijke vrouw. Ik had het net zo goed kunnen zijn. Misschien was ik het.
Er stopte nog een vrouw met een pet en bergschoenen en een ex-politieagent die meteen kon zien dat haar enkelbanden gescheurd waren. ‘Je moet gips,’ zei hij.
‘Maar ik moet dit weekend op een jaren vijftig beurs staan,’ zei ze.
‘Het komt nooit gelegen,’ zei ik.
‘Ik krijg deze week ook nog een puppy.’
‘Niets komt ooit gelegen.’
Met z’n vieren wachtten we op de vriend die uit IJburg moest komen.
‘Misschien komt-ie niet,’ zei ik na een tijdje.

 

Geen reacties


woensdag 20 januari 2016

Waarheid, Vorm en Voorbeeld

‘Sommige van deze dingen zijn echt gebeurd, en sommige waren dromen. Ze zijn allemaal waar, zoals ik waarheid begreep. Ze zijn allemaal reëel, zoals ik de realiteit begreep.’
Uit: De Pompoeneter van Penelope Mortimer. Zaterdag kun je mijn stukje hierover lezen in Trouw.
Voor een artikel ben ik aan het nadenken over waarheid & leugen & eerlijkheid in je werk. Komt ook de waarheid & leugen & eerlijkheid op deze plek om de hoek kijken. In de Elke Dag wereld ben ik alweer een jaar of negen. Ik heb geen zin om het na te kijken. Het is allemaal ‘waar’ wat ik hier opschrijf. De beste stukjes zitten zo dicht mogelijk op de huid van ‘de waarheid’ zoals ik die begrijp.
Soms moet ik me in bochten wringen, rekening houdend met omstandigheden, familie, mensen die ik ken, om toch op te kunnen schrijven wat me op dat moment bezighoudt. Dan zoek ik het b.v. niet direct in de woorden, maar vooral in de vorm. Dat kan net zo goed werken.
Penelope Mortimer is wat dat betreft een voorbeeld. Wat alles betreft eigenlijk.

2 reacties


dinsdag 19 januari 2016

Ik wil óók baby zijn

Wil jij ook een kopje thee met gember? En jullie warme chocolademelk met slagroom? Wacht nou even, dan kom ik helpen met die bus. Wacht. Niet te hard met die kat. Je weet dat Ronnie krabt als je daar aait. En jij, trek jij je dikke kleren maar vast aan nu, anders bevries je zo op je paard.
O, had jij ook chocolademelk gewild? Sorry, dat wist ik niet. Ja en nu is de bodem al verbrand. Hoe was het dan op je werk. Wat hebben jullie precies besproken? Wat zeiden ze bij Carglass? Hoeveel kost zo’n ingeslagen raampje, zei je. Plastic is toch ook prima. Misschien moet je het op de autodeur zetten: ‘ik ben gewoon open hoor. Ik kan niet op slot.’ Hee, jullie chocomel wordt koud. Wat zijn jullie daar eigenlijk aan het doen? Hoe was het met jou op school? Nee, jij wil geen boter op je ontbijtkoek, jij en jij wel, dat weet ik, en voor jou een broodje Humus. Wacht, ik was even niet aan het luisteren, sorry, stel: een kilo drop kost 1 euro 80, zei je, hoeveel kost dan dan 225 gram. Een hectometer, ja, ja, dat is ook iets met afstand. Het kleinste land in Europa? Zeg, je had je paardrij-shit allang bij elkaar moeten hebben. Zonder handschoenen gaat het echt niet. In de gang, zei ik toch. In de gang. O, en jouw meester heeft afscheid genomen ja, en toen kregen jullie, wat zei je, hebben jullie óók nog stoelendans gedaan, wat mega ontzettend leuk. Ik denk vanavond andijvie met spekjes. Nee, ga jij maar in bad, neem je tijd, neem alsjeblieft de tijd, neem zoveel tijd je nodig…Ho, pas jij wel op met de fiets in de gang. Niet huilen, ik kom al. Die fiets staat daar inderdaad verschrikkelijk klote. Heb je je handschoenen nu wel? Hee, geen ruzie maken, kinderen, jullie moeten gewoon om de beurt baby zijn. Om de beurt! Horen jullie me?

Geen reacties


donderdag 14 januari 2016

I do this for you

‘Wat moet ik aan?’ Jeetje trekt haar pyjama uit. We staan in de logeerkamer. We staren naar de wasberg op het bed. Ik vraag me af of die ooit eerder zo hoog is geweest. Op het rek hangt alles over elkaar heen. Op de radiator liggen kleren. Over de bedrand hangen ze. De vloer is bezaaid met losse sokken.
‘Wat moet ik aan?’ Deetje komt de kamer binnen in hemdje en onderbroek.
‘Zoek maar iets uit.’ Ik wijs. Ze kijken me aan met hun knappe slaapgezichten, de gefronste wenkbrauwen, het warrige slaaphaar.
‘Dit is voortaan jullie klerenkast, goed?’
Dat vinden ze niet goed. Ik weet dat ook de droogtrommel nog propvol zit. Er komt alleen maar steeds meer bij, meer bij, elke dag meer bij. Tot er niets meer in de kasten ligt.
Maar als ik ze naar school gebracht heb, en naar boven loop om aan het werk te gaan, is het wonder geschied. De meeste was ligt in keurige stapeltjes op het bed. Gesorteerd op maat en soort kledingstuk. De schoonmaakster zit op haar knieën in de kleine kamer en vouwt en vouwt en vouwt.
‘I do this for you,’ zegt ze. ‘I do this for you.’

1 reactie


maandag 11 januari 2016

Anders doen

Een borreltje bij de buren. We staan met z’n allen in de huiskamer met een glas wijn in onze handen. Er gaan hapjes rond. Het is hetzelfde huis als het onze, maar het is het hunne. De mannen praten met de mannen en de vrouwen staan in een groepje bij elkaar, zoveel is er sinds de jaren ’50 niet veranderd – boven ons hoofd de voetstappen, het gelach en geschreeuw van de kinderen. Er zijn meer kinderen dan volwassenen. Ze zijn ons in de loop der tijd de baas geworden. We houden van ze, dus dat geeft niets. Ze horen ons de baas te worden.
Twee buurvrouwen willen er misschien nog wel eentje bij, zo’n kleintje, nu het nog nét kan, een ander is bezig de babyspullen rigoureus de deur uit te doen, bij ons is – buiten de allereerste babypakjes van J. en D. – alles wat naar baby ruikt allang weg.
Op de bank hangen de twee beginnende tieners J. en Z. Ze observeren de volwassenen, met een mengeling van spot en interesse. Ze kijken naar de kinderen, met een mengeling van verveling en plezier. Zij zullen later in elk geval alles anders doen. Dat zouden wij ook. Nee, dat zullen wij ook.

Geen reacties


zaterdag 09 januari 2016

Dertig

Mama, van binnen ben ik dertig. Deetje (5) zit op de rand van het bed en trekt haar lange gebloemde nachtpon aan.
Dertig?
Ja, van binnen.
Dat kan wel, zeg ik.
Zo gek klinkt het niet. Als ik er over nadenk, werd zij als dertigjarige geboren. Hoe vervelend moet het voor een dertigjarige zijn om bij een toets in groep 2 de juiste afbeelding van een leeuw of een dolfijn te onderstrepen.
Hoe wéét je dat eigenlijk? vraag ik.
O, dat vertelt mijn boer mij. Ze laat een enorme boer.

Geen reacties


vrijdag 08 januari 2016

Liefdesverdriet

Jaren terug in de tijd getuimeld. Bij een afscheidsscène terechtgekomen. Een ochtend in 1994 zal het zijn geweest, of 1995, ik weet het niet, jaartallen zeggen me niets. Ik weet dat ik door hem op de trein gezet werd. En vooral dat het geheel tegen mijn gevoel in was.
Het was in mijn leven nooit eerder zó klip en klaar geweest wat ik voelde en wat ik wilde.
Maar zijn volgepakte Citroën CX stond al klaar op de oprit van de boerderij, de neus richting het zuiden. Hij was afgestudeerd. Later die dag zou hij vertrekken met twee vrienden naar Italië. Voor minstens een jaar. Een nieuw liefje paste niet in de planning.
We stonden op het perron, weg van de andere mensen, onder het blauwe bord ‘Culemborg.’ Hij in de eeuwige houthakkers blouse en enorme krullenbos en ik op mijn eeuwige blokhakken en een grote rugzak. We stonden alleen maar dicht tegen elkaar aan, elkaars geur op te snuiven, elkaar vast te houden, tot de trein eraan kwam, dat walgelijke gele boemelding, en hij die stap naar achteren echt zette.
De hele treinrit naar mijn ouders heb ik gehuild. Overstappen in Utrecht op de intercity naar Nijmegen, de stoptrein naar Boxmeer. Het was ook voor het eerst van mijn leven dat er in al die drie treinen geen enkele andere passagier zat. Er was alleen ik en mijn verdriet in een lege trein die steeds verder wegreed van de man waar ik zijn moest.

Geen reacties


woensdag 06 januari 2016

Wie het sterkste is

Het is hels als je er steeds op let. Als je het nooit vergeet. Als de adem in je keel stokt. Niet verder komt dan het middenrif. De yogaoefeningen ten spijt. In de nacht van eerste op tweede kerstdag schoot het er in. De aanleiding: een verstopt neusgat. Sindsdien hijg ik bij elke beweging als een ouwe hond óf ik zweef een stukje boven de grond. Ademloos. Sindsdien ben ik zogenaamd niet bezig met het in- en uitblazen van lucht. Zuurstof. Niet. Niet. Niet. Vierentwintig uur per dag Niet.
Vandaag is het anders. Ik ben wakker geworden en moet een tijdje geademd hebben zonder dat ik het weet. Mijn lichaam is ook dieper in het matras gezakt.
Ik durf er over te schrijven of nou ja: ik waag het erop. Eigenlijk: ik provoceer. Ja, een lefgozer ben ik. Ik daag mijn eigen ademhaling uit. Als die er nu maar niet mee stopt uit protest. Als die maar niet…

Geen reacties


maandag 04 januari 2016

Verandering

’s Avonds laat wandelen Jeetje ( 10) en ik nog naar de supermarkt.
‘Ik wil nooit gaan studeren,’ zegt ze, ‘en ik wil ook niet werken.’
‘O, wat wil je dan?’
‘Niets.’
‘Dat is weinig.’
‘Jawel, ik wil dat het elke dag oud & nieuw is.’
‘Dat gaat op den duur ook vervelen. Dan moeten we die tafel steeds opnieuw van boven naar beneden sjouwen en…’
‘Die tafel kunnen we dan gewoon laten staan,’ zegt ze. ‘Duh!’
‘Toch gaat het vervelen.’
‘Ik wil gewoon niet ouder worden, ik wil kind blijven, precies zoals ik nu ben.’
‘Tja.’
‘Ik wil niet dat er iets verandert. Er mag nooit iets veranderen, nooit! Jij moet zo blijven. Jullie moeten zo blijven. Mijn vriendinnen moeten zo blijven. Alles moet precies zo blijven. Alleen Deetje mag wel iets minder irritant.’
Hand in hand lopen we door het donkere Diemerpark. De tiener en ik. Ik wil dat ook wat zij wil. (Alleen Deetje hoeft niet minder irritant)

Geen reacties


woensdag 30 december 2015

Beeldvorming

Mijn schoonzus was op bezoek. We hadden het over verandering. Zij was in de loop der tijd wel veranderd, maar geen ander mens geworden, concludeerden we. Het doet er uiteindelijk voor je persoonlijkheid niets toe dat je vroeger niet van golf hield en nu wel.
‘En wij?’ vroeg ik toen, ‘zijn wij veranderd? Of helemaal niets?’
Het bleef even stil. Ze keek van man naar mij en weer terug. Ik vroeg me af of het niet veel erger was om niet te veranderen.
‘Jij bent wel echt ontzettend veranderd!’
‘O ja?’ Ik veerde op.
‘Ja. Je was vroeger echt de scháduw van R.’
‘Zijn schaduw?’
‘Ja, je verschool je achter hem. We wisten totáál niet wie jij was. En nu, nu…’
‘Nu sta ik zeker constant in het zicht,’ zei ik.
R. glimlachte.
Ik dacht aan mij als zijn schaduw. Ik herinnerde me ook ineens iemand die lang geleden tegen me zei: ‘het lijkt wel of ik je iets áándoe, door alleen maar koffie met je te willen drinken.’
Dat ging dus over mij.
‘Pas toen je zwanger werd, kon je je écht niet meer verstoppen,’ lachte mijn schoonzus.
We lachten. We weten alledrie hoe grotesk ik was. Met mijn lijfelijke aanwezigheid alleen al overschaduwde ik toen met gemak de hele schoonfamilie.

Geen reacties


dinsdag 29 december 2015

Kerst en zo

Man en ik gingen naar Berlijn. Drie dagen in een hotel in Prenzlauerberg. Daar waar je moet zijn, kennelijk. Of alweer niet moet zijn. Het gaat heel snel met plekken waar je wel en niet moet zijn. Het was interessant in Berlijn. Elke stoeptegel ademt geschiedenis. Dat is belangrijk voor mensen die op IJburg wonen en niet meer weten dat er een verleden was.
Nog voor ik ‘Het jaar van de kreeft’ uit had, landden we op kerstavond alweer in Dusseldorf en reden naar opa en oma en de kinderen. De kaarsjes brandden. De gevulde eieren stonden klaar. Daar had ik op gehoopt omdat wij vroeger altijd gevulde eieren aten op kerstavond. Bij elke feestelijke gelegenheid vulde mijn vader eieren.
Op eerste kerstdag waren het deze keer de twee zusjes die voor de traditionele kerstruzie zorgden.
Het ging over het toneelstuk dat ze dagenlang met z’n tweeën hadden voorbereid. Deetje durfde op het moment supreme niet meer op te treden. De zusjes schreiden, schreeuwden, gilden hoog, en scholden elkaar uit. Het ging van kwaad tot erger.
‘Ik wil Maria niet zijn,’ snikte Deetje.
‘Jij verpest alles,’ riep Jeetje in opperste wanhoop, ‘waarom doe je dat doekje nou niet gewoon om?’
Uiteindelijk heeft man de hele middag met z’n iPhone het toneelstukje van de geboorte van Christus opgenomen en na het gourmetten bekeken we met de hele familie – vader, moeder, broer en vriendin, man en ik – hoe de kerstengel de boodschap aan een prachtig gehoofddoekte Maria zond. De oogjes helder en klaar van alle tranen die gevloeid waren. We zouden met z’n allen meer moeten huilen.

Geen reacties


donderdag 17 december 2015

Expliciet

We aten pasta carbonara bij Gerard van Emmerik. Zijn roman De nieuwe Kratz is nog niet zo lang geleden verschenen. Het gaat over een jongen die nieuwe ouders krijgt en probeert zich zo goed mogelijk aan te passen in de hoop niet weggestuurd te worden. Een herkenbaar boek. Niet alleen voor wezen. Het gaat ook over vader en moeder Kratz die een nieuwe zoon in huis nemen nadat hun eigen zoon zelfmoord gepleegd heeft.

Ik moet nu ineens denken aan een column die ik laatst schreef waarin een paar boektitels voorkwamen – waaronder die van mijzelf – en die niet geplaatst werd omdat het teveel reclame zou zijn. Ik moest meteen huilen toen ik het mailtje las. Te véél reclame voor boeken.
Het zou mooi zijn als iedereen nu daadwerkelijk naar de boekwinkel rende om De nieuwe Kratz aan te schaffen omdat ik het zeg.
Ikzelf kom om de dag wel een keer langs de Bruna op IJburg gefietst en zie steeds vooraan op de tafel dat kleine, onveranderlijke stapeltje van vier liggen. Mijn verzamelbundel Lastmens en andere verhalen.

Gerbrand Bakker, die net een enorm dik Privé domein boek heeft afgerond en er ook was, natuurlijk met zijn hond Jasper, zei dat hij dit boek van Gerard anders vond dan zijn andere boeken omdat het min of meer ‘goed’ afliep. Er zat meer mededogen in. Hoop.

‘Heb ik jou al wel eens gezegd wat ik van jouw boek vond?’ zei hij toen. ‘De weg naar zee.
‘Nee,’ zei ik en stak een handvol pinda’s in mijn mond.
‘Ik vond het zo naar,’ zei hij. ‘Wel goed geschreven en zo, maar ik werd er zo ontzettend naar van.’
‘Dat is het misschien ook wel,’ zei ik glimlachend.

Ik las een interview met Gerard van Emmerik waarin zoiets stond als: ‘Ik vind het leven best leuk zolang ik de donkere kant ook maar ergens kwijt kan.’
Ik kon me daar in vinden.
Maar de neiging om de zwarte, onverbiddelijke kant op te gaan, is bij mij wel heel groot. Iets anders uitproberen, of er alleen al over nadenken, is op z’n minst interessant. (Al vind ik het niet per se slecht als mensen zich naar voelen bij het lezen van een boek.)

Ook Ellen Heijmerikx en Anja Sicking waren op het etentje. Van Ellen kwam een tijdje terug En nooit was iets gelogen uit. Een prachtige, en ongelooflijk knap geschreven, caleidoscopische roman over de vluchtelingen van de Spaanse Burgeroorlog. Zij heeft wel veel mededogen voor haar personages, maar hen overkomen de vreselijkste dingen en ze proberen zich staande te houden. Bij mij denken ze vaak de vreselijkste dingen.
Van Anja Sicking komt in februari Ferrari’s in de hemel uit. Haar vierde roman. Die kun je vast nu al bestellen. Ik weet niet precies hoe het in haar boek zit met de verdeling narigheid en hoop.

Dit stukje is heel anders geworden dan ik van plan was.
Ik wilde het hebben over hoop en liefde en identificatie met je personages en je leven.
Maar het werd dit stukje. Waarin ik oefen expliciet te zijn.

Geen reacties


maandag 14 december 2015

Weekend observaties

Tijdens mijn zondagochtendrondje door het Diemerpark – het was prachtig weer, heel IJburg rende er voor zijn leven, met oordopjes in, maar goed, ik holde daar dus ook en ik luisterde naar een Nooit Meer Slapen Podcast tot mijn telefoon leeg was. Een Belgische schrijver vertelde over een vriendin die met een fles tomatenketchup in haar handtas rondloopt, zodat ze zichzelf er – bij een aanslag – meteen mee kan besmeuren en voor dood kan doorgaan.

Ik rende langs een kraai die in een dood konijn (zijn oortjes stijf rechtop in de lucht) aan het pikken was. ‘Dat is nu eenmaal de natuur,’ legde een moeder uit aan haar kind. Ze rekte de u op ondraaglijke wijze. Zoals alleen moeders dat kunnen doen.

De Kerstboom staat weer in ons huis.  Compleet met knipperende gekleurde lichtjes en eronder een kerststal. Ik denk dat wij de enigen in heel Nederland zijn met een wc’tje in de kerststal. In een discreet hoekje gepositioneerd. Wcdeksel naar beneden.

Op zondagavond wordt het onderwerp ‘zomervakantie’ aangesneden. De meisjes waren vorig jaar met hun vader op een theaterkamp in Frankrijk. Het was de leukste vakantie van hun leven en ik was lekker alleen thuis. Een win-win situatie zou ik denken.
‘Maar ga jij dit jaar wél mee?’ vraagt Deetje dan.
‘Ik?’
‘Ja?’
‘Ik denk het niet nee. Waarom?’
‘Omdat… anders mís ik jou zo.’
‘O.’ Ik lach.
‘Ik heb jou zó gemist,’ zegt ze. ‘Ik heb jou gemist, mama.’
Ze kijkt me aan. Ik moet ervan giechelen.
Deetje barst in huilen uit, schuift haar bord opzij, legt haar hoofd op tafel en schreeuwt: ‘Dat is écht waar. Ik heb je écht gemist.’
‘Ik lach je niet uit,’ zeg ik snel. ‘Ik lach omdat ik niet verwacht had dat jij mij gemist had.’
Ik lachte denk ik ook omdat ik zoveel plotselinge, onversneden, rechtstreekse liefde aan mijn adres helemaal niet aan kon. Als dit meisje mij mist, zal ik met haar mee gaan, overal naartoe. Net zolang tot ze me zat is.

’s Avonds, als ik haar haren aan het wassen ben, kom ik er nog op terug: ‘Waarom zeg je het nu pas?’
‘Ik durfde het niet. Ik wou het wel, maar steeds als ik het bijna ging zeggen, was jij alweer met iets anders bezig.’
Ook dat nog.

1 reactie


donderdag 10 december 2015

Vreemde dingen

Het is voor negenen in de ochtend. Het is niet druk in de Albert Heijn. Ik ben de enige bij de kassa. Op de loopband heb ik een fles Glorix, Antikal en Ajax gelegd, een tros bananen, een zak peren, appels en rijstnoedels (om eens Van Mersbergen-precies te zijn).
De caissière haalt de producten razendsnel langs de scanner. Ik stop mijn pasje in het pinapparaat. Ik heb mijn drie espresso’s al op, maar kan mijn ogen nauwelijks open houden. Ze lijken extreem zwaar. Staand aan de kassa komt de droom van vannacht terug. Mijn oogleden en wallen zijn zodanig opgezwollen dat ze aan elkaar plakken en mijn zicht belemmeren. Het is ouderdom. Niets aan te doen.
Voorzichtig bevoel ik mijn ogen.
‘Wilt u sekszegels erbij?’ vraagt de caissière.
‘Sorry?’
‘Wilt u sekszegels erbij?’
‘Nee, bedankt.’
Ik stop de spullen geroutineerd in mijn tas en verlaat de winkel.

Op mijn telefoon komt een mail binnen van een boekhandel die mij een datum voorstelt om voor te komen lezen.
‘Ik hou van je,’ staat er onderaan het bericht. En dan de naam van de boekhandelaarster.

Geen reacties


dinsdag 08 december 2015

Onheilsprofeet

Een half uur te vroeg kom ik de sportschool binnen, de sportleraar leest de bijbel op z’n e-reader. Hij vertelt me dat mensen niet geschapen zijn om dood te gaan. Sterven is iets voor zondaars.
‘Potdorie,’ zeg ik. ‘Veel zondaars around me.’
Hij zegt dat er mensen bestaan van wel 930 jaar oud.
‘Alles bestaat bij de gratie van geloof,’ gaat hij verder. ‘Als je een zaadje in de grond stopt, dan geloof je dat er een plantje uit groeit. Waar of niet?’
‘Daar ga ik van uit,’ zeg ik, ‘als je het water geeft.’
‘Ergens vanuit gaan, is hetzelfde als geloven.’
Dat het plantje ook groeit als ik er geen lor van geloof, gelooft hij niet.
‘Als je het niet gelóóft, groeit er niets.’
Ik kan nu wel weer een geinig stukje gaan schrijven over de sportleraar & zijn geloof. Maar dat is veel te makkelijk. Hij gelooft dat mensen 930 jaar oud kunnen worden. De eeuwigheid bestaat. Hij heeft het nodig om niet zwart te worden van binnen. God is liefde, volgens hem. Hij gelooft dus in de liefde.
Ik wilde opschrijven ‘en ik geloof in niks’. Maar dat is niet helemaal waar, of helemaal niet, ik ben behoorlijk gelovig. Ik geloof namelijk dat alles mis gaat. Dat het niet goed komt. De onheilsprofeet, dat is de mijne.
Dat is in feite net zo goed ridicuul als het geloof in een god die het beste met je voor heeft. Nog veel ridiculer. Je hebt er zelf veel minder profijt van. In de 930 jaar dat je leeft.

Geen reacties


maandag 07 december 2015

Jonathan Heather de Serrano

Ik rende vannacht naar beneden voor een pen om de naam Jonathan Heather de Serrano op te schrijven. Jonathan Heather de Serrano was, in mijn droom, de échte naam van mijn zwijgende cursist.
Ik heb namelijk, in de realiteit, een cursist  die zwijgt.
Na zeven lessen heeft de jongeman nog altijd niets gezegd. Hij geeft geen commentaar op de anderen, hij schrijft niets, hij praat niet, hij zit daar maar kaarsrecht in de klas. Met een leeg schrift.
Ik weet niet wie hij is, wat hij komt doen als hij ook niet schrijven wil en besluit na een paar lessen hem maar een beetje te negeren, – misschien gaat-ie op een dag wat zeggen, misschien heeft-ie een lange aanloop nodig, ikzelf heb tenslotte het eerste jaar op de kleuterschool óók alleen gezwegen, gekeken en niet gespeeld, hij is nog jong, hij zou uitzonderlijk verlegen kunnen zijn, je moet daar nooit al te veel nadruk op leggen, weet ik uit ervaring – maar hoe meer ik hem negeer, hoe groter het mysterie en hoe meer aandacht hij in feite trekt.
Nu verschijnt hij zelfs al in mijn dromen als Jonathan Heather de Serrano. Maar ik weet nog altijd niet wat hij wil. Waarom hij met een schuilnaam in mijn schrijfklasje zit.

Geen reacties


donderdag 03 december 2015

Aardgaswinning

In de vroege ochtend, we wandelen met z’n drieën naar school, wil de vijfjarige weten hoe het gas in de auto komt. Waar het gas vandaan komt eigenlijk? Hoe het eruit ziet.
‘Waarom wil ze dát nou weten?’ vraagt de tienjarige. ‘Gas.’
‘Ja, gas,’ zeg ik.
Het wordt steeds duidelijker hoe verschillend de zusters zijn. De tienjarige was al jong met allerlei existentiële kwesties bezig. Wie is de mens en waarom. Met dat soort vragen kon ik ook heel goed uit de voeten.
De vijfjarige kan niet nalaten mee te rijden als ze in de auto zit. Ze houdt in de gaten hoeveel benzine er nog in zit. Of we weten dat er bijna getankt moet worden. Of we wel de goede kant op gaan. En dus ook waar het gas vandaan komt. Wat gebeurt er als het op raakt?
Terwijl de tienjarige en ik dromerig voor ons uit staren. Het zal ons een zorg zijn hoe het ding rijdt, als het maar rijdt.
’s Avonds kijken we een Klokhuis-aflevering over aardgaswinning. Het blijkt behoorlijk interessant voor ons alledrie. Als je je er maar in verdiept.

Geen reacties


woensdag 02 december 2015

Te laat

Ik mailde dat het echt goed met me ging. Beter dan ooit eigenlijk. Je kon van opbloeien spreken. Leven. Dat soort woorden gebruikte ik. Zodra je zo nodig meent te moeten melden dat het echt goed met je gaat, moet je oppassen. Dat wist ik toen ik het schreef al. Ook wist ik dat dit soort beweringen onzin waren. Kinderachtig. Ze behoorden definitief tot het verleden. Net zoals de onheilsgedachte: alles zal mislukken als ik niet vóór ze op de bel gedrukt heeft, de voordeur al heb geopend.
De bel ging. Op exact hetzelfde moment trok ik de voordeur open. Te laat. Vandaar.

Geen reacties


zondag 29 november 2015

Bot

Tijdens het rennen luisterde ik naar het radioprogramma Nooit meer slapen. Een interview met de documentairemaakster Marijn Frank die aan vlees verslaafd is en net een documentaire over vlees gemaakt had. (Die ik nu heel graag wil zien. Wat een boeiend onderwerp! ) De presentatrice vroeg op een gegeven moment of ze ook zo van het afkluiven van kippenpoten hield – ja – en dat dat misschien iets zei over haar karakter. Misschien was ze iemand die letterlijk tot op het bot wilde gaan?
Ze wilde weten hoe het zat. Ze nam geen genoegen met halve waarheden. Elke steen zou bovenkomen.
Meteen zag ik mijzelf en de karbonade in de keuken van mijn ouders. Botjesvlees noemde ik het vroeger. Je kon mij als kind niet gelukkiger maken dan met botjesvlees. Het werd pas echt interessant als ik in de buurt van het bot kwam. Het punt waarop het echte kluiven begon. De allerlaatste vetrandjes die ik er met mijn tanden afschraapte. Hoe ik aan die keukentafel zat met zo’n bot in mijn smalle, kleffe handen. Ik weet nog hoe ik zat te azen op de botten van mijn ouders. Hoe ik scherp in de gaten hield of ze die niet te ver aan het afkluiven waren.
Meestal kreeg ik ze wel, omdat ze niet zo veel van bot hielden als ik, en al helemaal niet van vettige handen.

Geen reacties


woensdag 25 november 2015

Niets met liefde

We stonden in de boekhandel naast de hapjes, we hadden een glas wijn in onze hand. Het was net na de presentatie van ‘Meer Oost’. Ik had een deel van het Het schot voorgelezen, een verhaal dat in ‘Lastmens en andere verhalen’ staat en ook in die bundel is opgenomen. Het gaat over iemand die op een nacht plotseling getroffen wordt door een kogel. Het moment waarop leven en dood elkaar raken en alleen de spijt overblijft.
We hadden het over de nieuwe verhalenbundel ‘Er moet iets gebeuren’ van Maartje Wortel. Het verhaal De schrijver 2 waarvan we zwaar onder de indruk waren. We spraken over het onderzoek naar de liefde dat in haar werk vaak terugkomt.
Ikzelf heb juist helemaal niets met liefde, zei ik. Ik hoorde mezelf nogal flink de nadruk leggen op helemaal niets.
Ze zei: Nee, jij hebt weer heel veel met ziekenhuizen.
Ziekenhuizen?
Ja, waarom schrijf je eigenlijk zo veel over ziekenhuizen?
Hier had ik nooit over nagedacht. Ik had niets bijzonders met ziekenhuizen. Ja, ik was er geboren. Maar in enkele van mijn verhalen kwam inderdaad een ziekenhuis voor. Daar had ze een punt.
Er gebeurt altijd wel iets in een ziekenhuis, zei ik snel.

Dit en de zin ‘ikzelf heb juist helemaal niets met liefde’ is de afgelopen drie dagen rond blijven zingen.
Zoals de zin ‘je moet de juiste engelen volgen’ me nu al zeven dagen achtervolgt.
Totdat ik het verband eindelijk zie, misschien.

1 reactie


vrijdag 20 november 2015

Oorsprong

‘Wie is eigenlijk de moeder van Sinterklaas?’ vraagt de vijfjarige als ik haar in bed leg.
‘De moeder van Sinterklaas.’
‘Ja?’
‘Sinterklazina misschien?’
‘Sinterklazina? Heet ze zo?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Of heeft Sinterklaas geen moeder?’
‘Iedereen komt inderdaad uit een moeder.’
‘Ja,’ zegt ze. ‘Behalve … de wereldbol.’
‘Waar zou díe dan vandaan komen?’
De vijfjarige heeft werkelijk geen idee.
‘Sommigen denken dat God de wereldbol heeft gemaakt,’ zeg ik.
‘Wie is God?’
‘Sommige mensen geloven in God.’
‘Van godverdomme?’
‘Ja, van godverdomme.’
‘Maar wie ís God dan?’ Ze kijkt me vragend aan. Ik haal mijn schouders op.

Geen reacties


woensdag 18 november 2015

Leesbevordering

‘Wanneer komt je boek?’ vroeg een collega die naast me stond in een stampvol Paradiso. Er werd een nieuwe uitgeverij gelanceerd. Het deed me denken aan het boekenbal. Maar dan een hipper en jonger publiek. Het was lang geleden dat de literatuur op één avond meer dan duizend mensen trok. Al weet ik niet of het alle aanwezigen puur om de literatuur ging. Ver weg, waar anders de popsterren staan, stonden nu de nieuwe uitgevers. De één in pak met wit vlinderdasje, de ander droeg gewoon een zwart t-shirt met jeans.
‘Ik gok op het najaar,’ zei ik tegen de collega, ‘maar er is net een verzamelbundel uit. Met oud en nieuw werk.’
‘Wanneer?’
‘Twee weken geleden.’
‘Daar heb ik helemaal niets van meegekregen.’
‘We willen het ook een beetje stilhouden.’
Het programma begon. Toen we met onze handen het teken van de nieuwe uitgeverij moesten maken, kreeg het geheel een sektarisch trekje. Op het podium de overdonderde sekteleiders. Superemotioneel waren ze. Een spelletje was uit de hand gelopen, nu keken ze naar een zaal vol volgelingen. Nu runden ze een uitgeverij. Door hun vier schrijvers werd gesproken over vertrouwen, liefde, geluk, lezers en aandacht.

We kregen hun eerste boek ‘Er moet iets gebeuren’ van Maartje Wortel mee naar huis. Ver na middernacht kwam ik thuis en begon te lezen. Daar is het tenslotte allemaal voor bedoeld.

Geen reacties


zaterdag 14 november 2015

Oorlog

Is het oorlog?’ vraagt de vijfjarige aan de ontbijttafel.
‘Nee, hier niet.’
‘Is het wel ergens oorlog?’
‘Ja.’
‘Komt de oorlog hier naartoe?’
‘Nee, daar letten we goed op.’
‘Maar wat ís oorlog eigenlijk?’
Ik leg uit wat oorlog is. Ook de vluchtelingen in ons land (in onze stad, om onz hoek, in een sportzaal aan de Polderweg)  komen aan bod.
‘Hier in de straat staat nog een huis te koop,’ zegt ze.
Ik vertel haar over vluchtelingen en de groeiende huizenmarkt.
‘Als wij moeten vluchten, nemen we dan wel NoeNoe en Ronnie mee?’ vraagt ze.
‘Ja.’
‘En de bank?’
‘De bank niet.’
‘Als Ronnie maar weer terug is, als wij moeten vluchten.’ Ze kijkt zorgelijk om zich heen.
Na het ontbijt, gaat ze op de grond liggen. Het is oorlog bij playmobilpoppetjes in het ingestorte playmobilhuis. Iedereen moet vluchten. Hoge stemmetjes.

Geen reacties


vrijdag 13 november 2015

Bezinken

Ik laat dingen bezinken. Ik heb het de laatste dagen zo druk met het laten bezinken van dingen dat het lijkt alsof ik nergens anders meer tijd voor heb. Het kan op een bepaald moment in je leven zo lopen dat alles op hetzelfde moment ineens bezinken moet.
Dat moment is voor mij kennelijk nu aangebroken.
Alles dwarrelt maar. Ik wacht netjes tot het bezinksel ergens op een bodem terechtgekomen is. En dan nu wat minder cryptischer zaken: ik werkte vandaag aan een hoorspel, ik belde de kapper af omdat er ineens een gruwelijk noodweer uitbrak, ik zag het Sinterklaasjournaal dat op sommige scholen verboden is omdat het over duivelse krachten gaat.
Het artikel Nader tot Hem in de Groene heb ik nog niet gelezen. De briefwisseling tussen Stephan Sanders en Yvonne Zonderop over hun nieuwe hang naar het religieuze. Morgen in Trouw staat mijn stukje over het debuut van Nell Zink. Hoe toepasselijk.

Geen reacties


dinsdag 10 november 2015

Boek

De marketingdame, de redacteur en ik zitten in de IJsbreker. Alledrie doorweekt. Want op weg naar het café middenin dezelfde hoosbui beland. Nog voor de muntthee er is, wordt de plastic tas over tafel naar me toegeschoven. Alsof het hier om een geheime drugsdeal gaat. Het gaat om boeken. Er zitten er vijf in de tas. Lastmens en andere verhalen. Een keuze uit eerder gepubliceerd- en nog niet eerder gepubliceerd werk. Een heruitgave met wat extra’s, plus een mooie inleiding van Esther Gerritsen. We zitten middenin het verhalentijdperk, dat is goed. Al lees ik ook overal dat de dikke roman weer helemaal terug is van weggeweest. We zitten waarin we willen zitten, dat is nog beter.
Op de terugweg, in het duister, een nog veel hevigere stortbui. De wind duwt me alle kanten op. Met fiets en al druip ik de brugtrap af. Er hijgt een man in mijn nek. Een raar mannetje. Loopt veel en veel te dicht op me. Ik denk aan ongewenste intimiteiten en drijfnatte boeken.
‘Je eigen boeken op je rug dragen, is natuurlijk niet erg,’ had de redacteur gezegd.
‘Nee,’ had ik geglimlacht.
Het rare mannetje roept iets en ik spring opzij.
‘Ik heb geen remmen!’ Hij spurt me voorbij met zijn fiets aan zijn hand. ‘Je zult wel denken dat het een smoes is.’
Geen remmen en geen tanden, dát is pas erg.L en andere verhalen

1 reactie


zaterdag 07 november 2015

Lakens

In een liefdeloze kroeg zat ik op een vriend te wachten die te laat was. Afgrijselijke achtergrondmuziek.
‘Ga je mee lakens kopen in Caïro? Het lijkt me leuker om met jou lakens te kopen dan alleen,’ appte een vroegere vriendin die in Kenia woont.
‘Is goed,’ typte ik.
‘Of wil je liever naar Dubai?’
‘Nee, Caïro.
‘Cairo, it will be!’
‘Wanneer?’
‘Over twee en een halve week. Ik heb lakens nodig voor mijn nieuwe guesthouse.’
‘Prima. Ik moest toevallig op korte termijn naar Caïro voor research.’
‘Komt dat even goed uit.’
‘Wat ik niet helemaal begrijp, waarom moet je die lakens in Caïro kopen?’

De vriend ging tegenover me aan het tafeltje zitten. We bestelden koffie.
‘Ik ga lakens kopen in Caïro,’ zei ik.
‘Goed verhaal.’
We kletsten. Na een tijdje zei ik: ‘Het punt is ik vertrouw je niet.’
Het was voor het eerst dat ik zoiets hardop tegen iemand zei. De wereld verging niet. De ander ontstak niet woede. Ikzelf ook niet. Niemand was compleet van de kaart. Hij knipperde kort met zijn ogen en zei dat hij het niet leuk vond om te horen. Ik zag dat hij dat meende. Maar helemaal vertrouwen deed ik het niet.

Geen reacties


dinsdag 03 november 2015

De echte parallelweg

De jongens en meisjes van de Parallelweg in Culemborg reageren enthousiast op het gelijknamige verhaal uit de verzamelbundel Lastmens en andere verhalen die maandag in de boekhandel ligt.
Het is alleen de naam die ik gebruikt heb. Vanwege de dubbele betekenis, denk ik.
De Parallelweg. De plek waar iedereen die daar terechtkwam zich meteen thuis voelde. Zo erg thuis dat sommigen meteen besloten er te blijven. ‘Dit huis is van niemand, dus het is ook mijn huis!’
Nooit ben ik ergens meer thuis geweest dan aan de Parallelweg. Dat is waarschijnlijk een behoorlijk geromantiseerd beeld. Romantiek, melancholie & vrijheid, dat was de sfeer daar. Een oude, gekraakte boerderij aan het spoor in Culemborg. Met natuurlijk een geest in de kelder. De oude Denenkamp floot en zong op stormachtige dagen. Ik studeerde nog, sommigen waren net klaar met studeren. Allemaal theateracademie. We dronken veel brandnetelthee. We lagen in het hoge gras met tijdschriften. We droegen klompen. Ik schreef een toneelstuk waarin de schapen die in de weilanden ronds ons huis graasden een belangrijke rol speelden. Sindsdien is er nooit meer een schaap in mijn werk voorgekomen. Er was de hooizolder waar de jongen was gaan wonen die verdriet had – volgens mij was het liefdesverdriet – en die zijn motor in de deel stalde. Het is De Deel, maar we noemden het Het Deel. Omdat we geen echte boeren waren.
Met een paar van de jongens en meisjes van de Parallelweg maakten we een toneelstuk. Voederbieten & Schuimende Melk. Ik schreef het stuk n.a.v. improvisatie. Ik maakte er mijn afstudeerstuk van. Het ging over twee boerenbroers met een extreem dominante moeder op zolder, en op een dag arriveerde er een meisje uit de stad dat bij hen introk. Er kwam onderling wel gedoe van. Het stuk is nooit ergens opgevoerd. Ik geloof dat iedereen dat ergens nog steeds wel jammer vindt. Er was verschil in ambitie, het was het begin van het einde van die periode aan de Parallelweg.

Geen reacties


maandag 02 november 2015

Mist

Kwetsbaarheid is één van de grootste talenten van de mens. Kwetsbaar durven zijn opent de weg naar verbinding en contact met de mensen om ons heen. Dit zei Dirk De Wachter in een artikel in de Morgen. Ik zag daarnet ook al een TEDx filmpje over kwetsbaarheid & schaamte. Het wordt vaak verward met zwakheid. Het tegendeel is waar. Het is sterk en getuigt van moed.
Ik kan heel goed sterk en moedig zitten zijn, zo in mijn kamer hier. Als de hele wereld is verdwenen in een dikke grijze mist en er niets of niemand is om je voor te schamen.

Geen reacties


woensdag 28 oktober 2015

Power of not yet

‘Mama, ken je de Power of not yet?’ vraagt Jeetje (10) als ik haar naar bed breng.
‘Not yet.’ Ik ga naast haar zitten.
Ze vertelt over de theorie van Carol Dweck die ze vandaag op school hebben geleerd en dat er twee manieren zijn om over problemen na te denken. Dit probleem is te moeilijk voor mij, ik ben te dom. Of je denkt: Dit probleem heb ik nog niet opgelost. Leuk.
‘O ja,’ zeg ik. ‘Dat kan ook! Leuk!’
Het meisje naast me praat geestdriftig over de hersenstam, weggetjes die er gemaakt worden, neuronen, dendrieten en axonen. Over manieren van leren, haar eigen manier van probleemoplossen.
‘Dendrieten en axonen?’ Ik voel ergens vaag iets oplichten en meteen weer uitdoven. Dendrieten. Ik kan haar nu al niet meer volgen en ze zit nog maar in groep zeven. Wat heeft ze aan mij?
‘Ik denk eerder negatief, mama,’ zegt ze. ‘Al was negatief niet het goede woord volgens de juf.’
‘Nee, dat zal wel niet.’
‘Ik ga het gewoon nog leren,’ zegt ze. ‘De power of not yet.’
‘We gaan het leren.’ Ik stop haar strak in. Zoals mijn moeder dat vroeger bij me deed.
’s Avonds zit ik op de bank, met een deken om me heen, in het pikdonker, en bekijk TEDx filmpjes van die Carol Dweck – The power of believing you can improve – alsof het porno is.

Geen reacties


vrijdag 23 oktober 2015

Honderden gelukzoekers

‘Honderden gelukzoekers naderen Gennep. Zeer waarschijnlijk: honderden alleenstaande moslimmannen.’
De VVDfractie van die gemeente waarschuwt haar inwoners in een plaatselijke krant voor een dergelijke inval.
Toine Heijmans schrijft er vandaag over in een column in de Volkskrant.
Ik kom er zo ongeveer vandaan, daarom ben ik er altijd als de kippen bij als ik Gennep in een landelijke krant tegenkom. Mijn Gennep.
Ik zie de honderden alleenstaande moslimmannen de Maasbrug over komen, schreeuwend, moordend, de Gennepse vrouwen verkrachtend, waaronder natuurlijk mijn moeder die net op de markt was om leuke, gekleurde stofjes uit te zoeken voor een nieuwe patchworkdeken.
– Sorry moeder, ik weet dat je allang geen patchworkdekens meer maakt. Dat was ooit een hobby. Maar het paste nu zo mooi in het stukje. Snap je? Patchwork. –
Het zit er dik in dat het kleine stadje binnenkort bestuurd wordt door de arabieren. Het heeft in de loop der geschiedenis al onder Pruisisch, Frans en Belgisch bestuur gestaan en nu komen daar die honderden alleenstaande moslimmannen om het roer over te nemen. Het boek van Houellebecq wordt waarheid en het begint allemaal in Gennep.
De messcherpe visie van de VVDfractie van de gemeente Gennep op asielzoekers is dan ook ‘Ga weg.’

In Heijmans’ column lees ik: ‘In Gennep wonen geen asielzoekers, maar de kans dat ze komen is groot.’

Geen reacties


zondag 18 oktober 2015

Spelen

Er zijn mensen die spelen en er zijn de anderen. Ik hoor het liefst bij de eerste categorie. Maar tegenwoordig – het zijn natuurlijk ook ernstige tijden – blijk ik hoe langer hoe meer één van de anderen te zijn. (Mijn moeder denkt veel na over haar werk, schreef Jeetje voor iets op school.) Er is de neiging mij bloedserieus op De Zaak (of wat dan ook) te richten. In plaats van te doen wat er in mij op komt, mijzelf te vermaken, er al pingelend op de toetsen achterkomend wat het is, waarom het is, erop vertrouwend dat het iets is.

Gisterochtend na de training hield de sportleraar me staande.
‘Hoe voelde je je na ons gesprek?’ vroeg hij. We bevonden ons tussen het sportzaaltje en de kleedruimte in. We keken snel om ons heen alsof we het over een drugsdeal hadden.
‘Interessant,’ zei ik.
‘Ja, hè.’ Hij lachte opgelucht. ‘Het helpt echt. Je zal zien. Het maakt je minder sloom en somber en…’
De sportleraar straalde.
‘Dat jij zei dat je wist wie ik was, vond ik interessant,’ zei ik. ‘Dat moet je me een andere keer nog maar eens uitleggen.’
Hij lachte weer.
‘Maar ook een beetje eng,’ voegde ik eraan toe.
‘Het ís ook eng,’ zei hij.

’s Avonds deed ik mee met de Vorlesebühne in Utrecht. Daar had de sportleraar niets te zoeken.Korte absurdistische teksten, dialogen, vreemde muzikanten, bij elkaar gekomen in een oude molen. Ergens was er een overeenkomst. Het had allemaal iets met spelen te maken, verzinsels, wendingen, verhalen, toeval, volgorde, publiek. Erop vertrouwend dat het iets is.

Geen reacties


donderdag 15 oktober 2015

Wie wil dit lezen?

We zaten in carrévorm, ik achter de lessenaar. De weg naar zee stond twee uur lang pontificaal op haar tafel. Ik keek er steeds tegenaan.
‘Mag ik het uitlenen aan iemand anders van de groep?’ had de cursiste me gevraagd.
‘Het is jouw boek, toch?’ zei ik.
Ze zette haar boek rechtop. Daar stond het.
We waren bezig met de onderhuidse spanning van een tekst. Hoe zorg je ervoor dat je door wil lezen terwijl er niets bijzonders gebeurt. Hoe zet je spanning op een tekst?
Na de les pakten we onze tassen in, de cursiste zwaaide met het boek: ‘Wie wil dit lezen? Wie wil dit lezen?’
Sommigen zeiden nooit iets te lezen, anderen hadden al genoeg boeken op hun nachtkastje liggen.
‘Het leest héél makkelijk weg,’ zei ze. ‘Het zijn drie verhalen.’
Ik dacht aan de titel van de nieuwe bundel van Sylvia Hubers: Hier moet ik ingrijpen.
‘Het zijn geen drie verhalen. Dat niet.’
‘Jawel,’ zei ze.
‘Nee.’
‘Je hebt ze zo uit,’ ging ze door. ‘In één ademtocht. Echt vlot geschreven.’
‘Mijn vorige boek, dat waren drie verhalen.’
‘Geef maar aan mij,’ zei tenslotte iemand. ‘Ik wil wel eens iets van de juf lezen.’

Die avond zag ik de priester Antoine Bodar in een tv-programma die over de 1200 boeken in zijn kast sprak alsof het zijn vrienden waren.

1 reactie


dinsdag 13 oktober 2015

Geloof

We hadden een half uur gesport en dronken nog een kopje thee, twee buurvrouwen en ik. We hadden het over rape-drugs. Onze sportleraar van honderdzes kilo schoof bij ons aan tafel.
‘Jullie gebruiken toch geen drugs?’ zei hij.
‘Natuurlijk niet.’
‘Je moet elke dag van het leven genieten,’ zei hij.
Dat vonden wij ook.
De sportleraar nam een kussentje voor in zijn holle rug en daar kwam het geloof om de hoek kijken. Er volgde een sprookjesachtig verhaal over zijn wonderbaarlijke genezing en oude mensen die als engelen op zijn pad kwamen toen hij het echt niet meer zag zitten. Er kwamen dromen in voor waarin god tot hem sprak. Het was mooi. Ik ben altijd geïmponeerd door mensen die echt in iets geloven. Door hun zelfverzekerde voorkomen. De waarheid die zij wel kennen en ik niet.
Toen de boze geïntroduceerd werd, werd de sfeer allengs beklemmender. De gipsen wand moest dicht omdat de mindfullnesstraining in het belendende zaaltje begon. We bevonden ons in een afgesloten, spierwitte ruimte. Een wachtkamertje voor de hel óf de hemel, leek het. De thee was allang op. De sportleraar begon Engelse spreuken te zeggen. God verloor zijn mildheid een beetje vond ik. Als je je niet aan hem overgaf, waren zijn straffen niet mals.
‘Ik weet wie jullie zijn.’ Eén voor één wees hij ons tenslotte aan. ‘Ik weet wie je bent.’
‘Wat goed,’ zei ik zacht.
‘De volgende keer vertel ik het.’ In één keer schoof hij de muur tussen ons en de rest van de wereld open. Voor hij de nacht in verdween, zei hij nog: ‘er wonen veel meer mensen in jullie. ‘

Geen reacties


vrijdag 09 oktober 2015

Schuld

Ik scheurde in tweeën van binnen.
Een buikspieroefening in de sportschool. Ik lag voor een gozer op de vloer, hield zijn enkels vast, ik had al niet zo’n zin om de enkels van die gozer vast te pakken, maar daar had ik geen enkele reden toe, hij wenkte me, dus ging ik aan zijn voeten liggen, met mijn benen in de lucht. Hij gaf er een rothengst tegen, en er scheurde een buikspier doormidden, het zal wel verrekken zijn geweest, ik zou er nooit zo cool bijgezeten hebben als er echt iets gescheurd was. Hoewel het mijn specialiteit is om onder alle omstandigheden cool te blijven.
‘Ik voel me wel schuldig,’ zei de gozer.
‘Ben je gek. Het is jouw schuld niet,’ zei ik. ‘Ik ben ook veel te oud aan het worden. Dan gebeuren die dingen.’
De gozer verdween, ik had last van die kolere buikspier en kon geen arm strekken zonder ineen te krimpen. Ik dacht aan het principe van de schuld op je nemen. Sommigen geven de rest van de wereld de schuld als er iets mis gaat, anderen wijten het aan zichzelf. Ik hoor bij de laatste categorie. Alles ligt helaas altijd alles aan mij. Laatst had ik een nieuwe groep cursisten die ik toesprak, een wat oudere man zei steeds ‘ik versta je niet’ en ik kreeg het almaar warmer. Ik dénk dus dat ik normaal praat, dacht ik, maar ik ben de hele tijd aan het brabbelen. De groep zat me ook al zo blue aan te staren. Ze hadden nog nooit zo’n vreemd gebrabbel gehoord. Ik was niet meer in staat contact te maken, het spreken verleerd, definitief in het land der idioten terechtgekomen.
Die man bleek doof.
Ik heb het zelfs met computers. Ik moest van mijn computer bewijzen dat ik een mens was. Dat lukte me niet. Dus was ik geen mens.

Geen reacties


dinsdag 06 oktober 2015

Blauw vlammetje

Ik probeerde vandaag het blauwe vlammetje zachtjes op te stoken. Zonder al te veel dwang.

‘Dan ga jij maar eens heel snel gezellig doen!’ hoorde ik in de namiddag een moeder roepen tegen het ontroostbaar huilende jongetje. ‘Jij zit niet op een troon en denkt hier alles te bepalen.’
Ik stelde me voor dat ik het tegen een vriend zou zeggen, die diep in een depressie zat.
‘Dan ga jij maar eens héél snel gezellig doen! Jij zit niet op een troon en denkt hier alles te bepalen.’

In een interview met de gouden griffelwinnares las ik daarnet: ‘Hoe meer ik ‘moet’ van mijn opdrachtgever, hoe minder ik uiteindelijk te spreken ben over het eindresultaat.’
Dat is waar, dacht ik. En dat dat ook gewoon geldt als je je eigen opdrachtgever bent.

1 reactie


zondag 04 oktober 2015

Doel

Het is doodstil in de sportschool. De les begint pas over een half uur. Als ik me om wil draaien, zegt de sportleraar dat ik vast op de fiets kan gaan zitten. Daar fiets ik, in mijn eentje, met uitzicht op het water. De kade. De zon die blikkert op de golfjes. Blauwe lucht. Joggers hollen voorbij, twee aan twee, kletsend. Mijn fiets staat op level 12 en ik kom niet vooruit. Ik zie elke minuut, elke seconde verstrijken, de hoeveelheid calorieën die ik verbrand, mijn hartslag. Daar ga ik, rijdend over fictieve bergen.
‘Praat eens.’ De sportleraar komt bij me staan. ‘Jij moet praten.’
‘Waarom?’
‘Gewoon praten.’
‘Waarover?’
‘Vind je het leuk op IJburg?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Allemaal dezelfde mensen.’
‘Allemaal Nederlanders?’
‘Allemaal Nederlanders inderdaad.’
‘Vind je je leven saai?’
‘Ja.’
‘Heb je een doel in je leven?’
‘Gelukkig wel.’
‘Wat is je doel?’
‘Boeken schrijven.’
Hierna weet ik het tij te keren en begin over zijn levensdoel. Doelen, altijd leuk. Maar dan heeft hij ineens iets anders te doen. Ik vraag me af of levensbeschouwing op de zaterdagochtend er ook bij hoort. Ergens was ik steeds bang dat hij over god zou beginnen. Die neiging hebben mensen vaak als ze mij even alleen spreken.
Na het fietsen, geeft hij me halters.
‘Jij gaat leven, lieverd.’ Hij grijnst.

Geen reacties


woensdag 30 september 2015

Tegen die tijd

Ik vroeg me steeds af wat Campert er zelf van dacht. We luisterden met z’n allen naar een briefwisseling tussen hem en Simon Vinkenoog van zeker zo’n 50 jaar terug. Het werd licht ironisch voorgedragen door twee jonge dichters. Het waren goeie nonsense brieven. Dat zeker. De wereld was één groot spel. Maar daar zit je dan. 85 jaar oud. Er worden at random wat van je brieven voorgelezen. De zaal lacht om je boude beweringen van toen.
Een paar keer betrad Remco Campert zelf het podium. Een magere man met een stok en die eeuwig jeugdige uitstraling. Hij is er, maar niet helemaal. Nooit helemaal.
Ik dacht steeds dat degene die hem begeleidde net te vroeg zijn arm losliet. Hij moest nog één traptrede en dan alleen verder op het podium met al die draden en dingen. Maar hij viel niet. Hij droeg voor uit zijn nieuwe bundel met een Jazz band. De camera’s zoomden nog verder in toen hij zijn gedicht over de dood voorlas. Het laatste gedicht. De broze man op het podium. Zijn stem. Zijn woorden. Er gebeurde iets magisch in de zaal. Dit zal het fragment zijn dat we keer op keer op het journaal terug gaan zien, tegen die tijd. Ik denk dat hij dat zelf ook wist.

Geen reacties


maandag 28 september 2015

Geen

Het lichaam bewandelt oude paden. Automatisch sloeg ik af op de afdeling gynaecologie, om pas terug te deinzen toen ik al die buiken zag en die ogen, zoals Edvard Munch ze schilderde.
Een trapje hoger moest ik zijn. Op de afdeling neurologie bleek niets veranderd. Hier kwam geen kunstenaar in me op. Helemaal niets kwam in me op. Alleen de hulk. Ik bladerde in de JAN, de MAMA, luisterde naar de namen die werden omgeroepen en keek wie er bij hoorde. Niets om te beschrijven. Ik wachtte totdat een frisse co-assistente me kwam halen. Blond, blozend, sneakers. Ze had sterke armen, een roeimeisje misschien. Ze leidde me naar een benauwd kamertje met systeemplafond en ging het vragenlijstje af. Met mijn ogen volgde ik de pen die ze heen en weer bewoog voor mijn gezicht. Ik bekeek haar. Dit wordt er geen, dacht ik. Ik zag het aan de kleur van haar huid. Aan alles. Ze had iets geestdriftigs. Ze wilde leven, iets betekenen, méér wilde ze.

1 reactie


zondag 27 september 2015

En passant

Ik ging weer eens rennen. Op zondagochtend fietsten er veel moeders met kinderen achterop door het park. ‘Mama, waarom bestaat pijn?’ was de eerste vraag die ik opving.
‘Tjaa,’ riep de moeder uit. ‘Waaróm, hè?’ De rest van haar antwoord kon ik helaas niet horen omdat we elkaar al gepasseerd waren.
‘Mama, verliefd op elkaar worden, hoe dóén volwassenen dat dan?’ vroeg een ander kinderstemmetje. Een moeder met haar witblonde zoon achterop racete voorbij.
Het leek erop dat alle kinderen vandaag vastbesloten waren om en passant meer te weten te komen over het leven.
Waarom bestaat er pijn?
Hoe worden we verliefd op elkaar?
Kauwend op deze kwesties wandelde ik door het zonnetje terug naar huis.

Geen reacties


donderdag 24 september 2015

Mist in de AH

Ik was erg aanwezig toen ik opstond, zo aanwezig als ik in jaren niet geweest was. Glashelder. Het was 06.00 u, dronk m’n eerste espresso, las Brieven aan een jonge dichter en als wereldse tegenhanger NRC. ‘Sommige mensen hebben yoga nodig om tot rust te komen, wij het geloof,’ stond er. Het was een artikel over Jihadgangers meen ik. Ik zag verbanden tussen dingen. Misschien had ik moeten weten dat het in mijn geval niet per se iets goeds is. Maar ik vond het wel iets goeds. Ik maakte notities voor mijn roman.
‘Ik ben erg wakker,’ zei ik tegen man.
‘Nou!’ zei hij.
Ik ruimde het huis op. De kinderen bracht ik naar school en ik zag ze echt. Zo echt zie je ze niet vaak. Er zou een heel nieuwe, échte episode in mijn leven aanbreken, wist ik. Voor negenen betrad ik de Albert Heijn al. Daar mistte het behoorlijk. Al gauw zag ik geen hand voor ogen meer. De schappen aan mijn linkerkant golfden en helden over, dus hield ik me bezig met de schappen rechts. Dan was er nog genoeg te koop. Bij de vuilniszakken knielde ik even om aan de golfslag te ontkomen, maar hoe diep ik ook bukte, hoe goed ik de verschillende soorten vuilniszakken ook bestudeerde, ik werd erdoor overspoeld. Koffie, dacht ik. Ik denk heel vaak: koffie. Ik ging op zoek naar de koffieautomaat, ergens in het rampgebied, in de hoop dat die rechtop was blijven staan.

Geen reacties


dinsdag 22 september 2015

Sesam open u

Ik wilde een muziekje opzetten.
Van de ochtend tot de na-middag probeerde ik de Belgische servieskast in de kamer te openen. Twee deurtjes, één zou naar links- en de ander naar rechts openklappen en daarachter stond de versterker. De deurtjes klemden, nee zaten muurvast. Er kwam geen millimeter beweging in, hoe ik er ook aan trok. Mijn tweewekelijks krachttraining ten spijt. Deze kast was een onbegonnen zaak. Ik moest nu accepteren dat het een dag zonder muziek werd. Maar berusting voelde ik niet. Ik dacht: brandhout. Goedkoop is duurkoop. Daar had mijn oma zaliger gelijk in. Wat heb je aan zo’n authentieke kast als de f*cking deuren niet opengaan.
Tegen half vier kwamen Jeetje (10) en Deetje (5) thuis uit school en moeder stond nog altijd aan die kast te rukken.
‘Probeer jij eens Jeetje,’ zei ik.
Nee, ook Jeetje lukt het niet. Ze sjorde, hing en trok eraan. Had het bloed in de kussentjes van haar handen staan. We hebben het zelfs nog samen geprobeerd. Met vier handen. Tevergeefs, dacht ik, alles tevergeefs op deze regenachtige, doodstille rotdag.
‘Laat mij eens,’ zei Deetje.
En ze stond op van haar kleurplaat, liep naar de kast. En trok de deurtjes open.
Er was muziek.
‘Hoe heb je dat gedaan?’ bleef ik maar vragen. ‘Hoe kan dat?’
‘Ja, jullie doen het alleen met jullie hoofd,’ zei Deetje. ‘Het moet met je hele lichaam.’

Geen reacties


zaterdag 19 september 2015

Raar

Op zaterdagochtend sportschool. Leuk. Een klasje. Fris het weekend in. Om 10.00 u klaar. Daarna naar de biologische winkel voor brood. En een Trouw kopen waarin m’n bespreking staat van het boek van Luiselli. Toch leuk om te zien. Naarmate je meer bespreekt zal dat wel niet meer zo nodig hoeven. Afijn. We hingen aan de gewichten. Deden buikspieroefeningen. Sprongen als kikkers door een ruimte. So far, so good. Moeite met links en rechts heb ik. Coördinatie. Ik stagneer soms omdat ik hier en daar wat verwissel. Maar what the heck?
‘Even nadenken,’ zegt de trainer dan tegen mij. Prima. Al is het vermoedelijk eerder: even niet nadenken. Goed. Het springen in de kikkersprong, het laatste onderdeel, ging me goed af. Dat is wel aan mij besteed. Daar ging ik. Spring. Spring. Spring. Als eerste was ik klaar. Fit genoeg dacht ik zo.
‘Jij doet altijd alles zo ráár!‘ roept de trainer. ‘Waarom doe jij alles zo raar?’
‘Ik probeer het goed te doen,’ zeg ik.
Zijn schaterende, sprankelende lach. Aardige vent. Hij geeft me een high five.
Ik mompel nog iets van dat ik dacht dat ik normaal deed. Trek m’n jas aan. Arm in mouw. Andere arm in mouw. Doodop. Zeldzaam vermoeid. Een zombie ineens. Wat is dat toch met sommige zinnetjes die veel en veel dieper gaan dan andere zinnetjes?

1 reactie


vrijdag 18 september 2015

Iets

Gisterochtend trok ik ineens Rilke uit de kast. De aantekeningen van Malte Laurids Brigge. Rilkes eerste roman. Ik had het boek in 2001 van een vriendin gekregen. Voorin schreef ze: ‘Dit boek werd aangeraden door iemand die stotterde én met zijn ogen knipperde, dus dit moet wel goed zijn.’
De laatste maand haal ik elke dag een paar boeken uit de kast om ‘iets’ te vinden. Ik weet niet wat. Mijn ogen scannen de pagina’s. Geen enkel boek krijgt een eerlijke kans. Het is een koortsachtig, rusteloos zoeken aan de oppervlakte. In de hoop op iets dat verder rijkt. De ene dag verrijzen er stapels in m’n kamer die ik de dag erna weer terugzet en zo maar door. (Zo ook met muziek trouwens. Ik hops van Cash naar Bach, naar Lykke Le, naar Arvo Pärt, naar top 2000. )
Maar gisterochtend pakte ik Rilke en las de eerste zin: ‘Zo dus hierheen komen de mensen om te leven, ik zou eerder denken dat hier gestorven werd.’
En toen gebeurde het. Ergens. Iets. Mijn ogen vonden rust. Ik zakte terug in mijn stoel, ontspande.
‘Ik leer zien. Ik weet niet waaraan het ligt, alles gaat dieper bij me naar binnen en blijft niet staan op de plek waar het vroeger altijd ophield. Ik heb een innerlijk waar ik niets van wist. Alles gaat daar nu heen. Ik weet niet wat daar gebeurt. (…) Ik wil ook geen brief meer schrijven. Waarom zou ik iemand vertellen dat ik verander? Als ik verander blijf ik immers toch niet wie ik was; en ben ik iets anders dan tevoren dan is het zonneklaar dat ik geen kennissen heb. En aan vreemde mensen, aan mensen die me niet kennen, kan ik onmogelijk schrijven.’
Ik hoor nu allerlei versie van ‘I follow you.’

Geen reacties


dinsdag 15 september 2015

Tuin

We zijn net afgebeuld door de man van honderdzes kilo. Vier buurvrouwen en een jonge vrouw die twee jaar geleden haar nek brak op een skateboard. Ik kijk steeds of ik de knak nog ergens kan zien, maar nee.
We zitten nog in onze sportkleren en blazen in onze thee.
‘Jullie tuin gaat er mooi uitzien,’ zegt mijn rechterbuurvrouw tegen mijn linkerbuurvrouw. ‘Ik spiek af en toe even.’
‘Ja, we hebben de trampoline verplaatst.’ De linkerbuurvrouw kijkt naar mij. ‘Dan hebben jullie er geen last meer van.’
‘Ik had geen last van jullie trampoline hoor,’ zeg ik snel.
‘Maar je man voelde het trillen zei hij als erop gesprongen werd.’
‘Mijn man ja. Die voelt alles.’
We lachen over mijn man die alles voelt.
‘En jij dan,’zegt mijn overbuurvrouw tegen mijn rechterbuurvrouw, ‘hoe zit het met júllie tuin?’
‘Die moet nog betegeld worden.Het gras is niet mooi.’
‘Zitten jullie er weleens?’
‘Nooit,’ zegt ze. ‘Ik ga niet rechtop op een gewone stoel in de tuin zitten. Dan moet je toch een fijne bank hebben.’
‘Nou, als je een bank in de tuin hebt, ga je er ook niet zitten hoor!’ zegt de overbuurvrouw. ‘Ik rook een sigaretje, drink een kopje koffie en weg ben ik weer. Wat moet ik in de tuin?’
We weten het ook niet. We schenken nog een kopje thee in.
‘Hoe zit het met jouw tuin?’ vraag ik aan de jonge vrouw.
Ze heeft een balkon. Ze heeft wel een tuin op Bali. Een tuin op Blijburg. Een tuin in Frankrijk. Een tuin op Ibiza. Ze woont een paar maanden per jaar hier en een paar maanden daar. Haar kinderen zitten op een internationale school. De wereld is haar tuin.

Geen reacties


vrijdag 11 september 2015

Iedereen op iedereen

‘Is er nog iemand verliefd geworden?’ vraag ik. Jeetje is teruggekomen van het kamp met haar klas.
‘Ja, iedereen is verliefd op iedereen!’ Ze heeft een hese stem, maar oogt levendiger dan levendig.
‘Wow! Iedereen op iedereen.’
‘Ja, ik heb zo’n honger!’ Ik wist niet dat het woord ‘honger’ in haar vocabulaire voorkwam.
‘Je hebt zeker zin in iets vets?’
‘Ja.’
Ik geef haar twee euro om een Turkse pizza te gaan kopen. Voor ze weggaat, trekt ze haar skinny jeans naar beneden.
‘Ik wil je iets laten zien.’
‘O?’
Ze wijst naar de grote huidkleurige pleister op haar knie. Tijdens de bonte avond is ze gevallen op de stenen. Iemand uit een andere groep zeven heeft haar laten struikelen. Ik denk dat dit was voordat iedereen op iedereen verliefd werd.
‘Moest je huilen?’
‘Ja,’ zei ze, ‘maar het was heel leuk.’ Toen ging ze pizza kopen. Naar buiten. De zon in. De wereld aan haar voeten.

1 reactie


woensdag 09 september 2015

Orde

‘Ga even naar jezelf,’ zei de boekhoudster. We zaten samen achter mijn computer op mijn werkkamer. Ze was onverwachts langsgekomen met de spullen. De ramen zaten vol spinrag, er kroop net een dikke spin tegen de muur omhoog, het bureau bezaaid met tandenstokers. ‘Wow. Lekker licht hier,’ had ze gezegd toen ze het luik opende. Ze stapte over boeken en mappen heen en liep naar me toe. Het geeltje ‘Autonoom zelf is sterker dan twijfel’ hing nog altijd aan de radiator, de krantenkop ‘Ik strijd, ik ben iemand’ aan de muur.’De ideale moslimvrouw’ lag naast me, snel legde ik ‘De geschiedenis van mijn tanden’ er bovenop.
Het was lang geleden dat er iemand hierboven naast me had gezeten.
‘Ga even naar jezelf? Hoe bedoel je?’ Ik bewoog wat met de cursor heen en weer over m’n bureaublad.
‘O ja, jij bent nu natuurlijk bij jezelf,’ zei ze. ‘Ik heb een mapje met jouw naam.’
We keken naar de wirwar van mapjes op mijn computer. We zochten het juiste mapje. We klikten erop. Na een tijdje stond ze op en zei: ‘Je hebt het goed op orde, als je het niet verder uit de hand laat lopen.’
Zodra ze weg was, opende ik het raam en pakte de bezem. De zon scheen, ik veegde en veegde en oefende de stabiele basishouding die ik vanavond in de sportschool zou gaan perfectioneren.

Geen reacties


dinsdag 08 september 2015

Wandeltherapie

Tegen negenen in de ochtend rende ik het universum van Woody Allan in.
Drie vrouwen met dure gebreide vesten, herfsttinten, gebroken wit, stoere bruine laarzen, stonden op het schelpenpaadje in het Diemerpark te praten. Hun rashonden dartelden om hen heen. De vierde vrouw met hond kwam er aangewandeld.
‘Goedemorgen Tjitske, jouw energie is heel anders dan gisteren en eergisteren!’
‘Echt?’ Tjitske maakte de riem van haar hond los. Hij stoof weg.
‘Ja, en ook héél anders dan de gisteren daarvoor,’ zei Cate Blanchett uit Blue Jasmine. De film die ik gisteravond keek.
Cate gaf Tjitske met de bad vibe een knuffel. De vier honden renden alvast achter elkaar aan over het open veld. Vrolijk. Uitgelaten. Voor de zoveelste keer.

Geen reacties


maandag 07 september 2015

Opeens was daar ergernis

Opeens was daar ergernis, zei Deetje (5). Haar hoofd lag op haar handen op de ontbijttafel.
Mooi, zei ik, heel mooi gezegd.
Heb je wéér een idee voor een verhaal zeker, zuchtte Jeetje (10) (Denkt u er gerust DUH achteraan)
Opeens was daar ergernis vind ik een mooie titel.
Schrijf maar eens een keer iets af, zei Jeetje. Je moet ook dingen áfmaken, mama.
Ja, ja. Doe ik. Doe ik. Weet ik. Weet ik.
Wanneer schrijf je je boek voor kinderen nou af?
Ik kan niet alles tegelijk.
Volgens mij werk je daar helemaal niet aan.
Eerst dit. Eerst dit. Dan dat.
Volgend jaar zit ik in groep 8. Ik wil m’n boekbespreking over jouw boek doen.
Ja. Ja. Ja. Ja.
Waar ben je precies mee bezig? Hoeveel bladzijdes heb je al?
Hoe spel je Bosnië-Herzegovina?
Deetje richtte haar ultra-zware hoofd op. Is het vandaag een lange of een korte dag? vroeg ze met stroperige stem.

Geen reacties


woensdag 02 september 2015

Interpretatie

Op zondagochtend had Deetje (5) een schilderij gemaakt.
‘Mooi,’ zei ik toen ik beneden kwam. ‘Wat is dat precies?’
‘O, een dood meisje.’
‘Wow. Goed idee!’
Sindsdien slingert het dode meisje hier rond, op de tafel, het aanrecht, de vloer. Overal kom ik het tegen, raap ik het op, leg ik het maar weer ergens neer. Met haar anonieme grijze gezichtje. Een grote omcirkelde 5 op haar buik. Steeds opnieuw moet ik denken aan de aangespoelde Syrische kinderen die ik op een foto op Facebook zag. Dode meisjes en jongens. Drijvend in de branding.

Gisteren, toen ik al bellend met mijn moeder door de kamer liep, dook het meisje ook weer op.
In haar 40jarige loopbaan als onderwijzeres was zij nooit een kind tegengekomen dat dode meisjes schilderde, zei ze. ‘Kinderen doen nooit zomaar iets.’
Man ging er vanuit dat Deetje zomaar wat geschilderd had en toen pas zag dat het een dood meisje was.
Ik dacht dat ze het einde van haar ‘schattigheid’ getekend had, dat verklaarde ook die 5.
‘Ik ben nu 5, ik ben niet schattig meer,’ had ik haar laatst tegen het buurmeisje (11) horen zeggen. ‘Jij vindt me ook niet meer schattig, toch?’
‘Maar mijn papa en mama vinden jou nog wel schattig,’ zei het buurmeisje.
‘Ze zijn gewoon met cijfers bezig op school,’ zei man. ‘Daarom die 5.’

Geen reacties


maandag 31 augustus 2015

Joris alias Ronnie

Ronnie werd op een avond door een ouder kunstenaarsstel uit het Dierenpark geplukt. En in een mandje naar een geweldig mooi huis vol designmeubels en schilderijen gebracht. Met alleen een balkon. Daar zat hij veel.
Het stel vond dat Joris flink gegroeid was tijdens zijn afwezigheid. Ook likte hij ineens yoghurt uit bakjes en was van zijn schuwheid niets meer te merken. Hij sprong op de tafel wanneer hij wilde, beet als iets hem niet beviel en maakte een harder geluid. Het was een aanhalig type geworden. Joris gedroeg zich tegenwoordig een beetje als een hond. Maar de vier witte haren op zijn borst zaten er nog. Daar hielden ze zich aan vast. Ze wenden ook aan de veranderde Joris. Ze hechtten zich aan hem. Het duurde niet lang of ze wilden helemaal geen andere meer.

Geen reacties


woensdag 26 augustus 2015

Kies voor jezelf

‘Ik ben vroeger ook heel dik geweest,’ zegt de sportinstructeur voor hij de les start. Hij lacht ons bemoedigend toe. Het zweet drupt van het puntje van zijn neus. Op zijn grasgroene t-shirt staat in witte letters: ‘kies voor jezelf.’ Daar moet ik steeds naar kijken tijdens het springen. Kies voor jezelf. Benen wijd, sluit, spring, armen in de lucht, boven mijn hoofd klap ik in mijn handen.
Het is voor het eerst dat ik mijn drie buurvrouwen zo lang achter elkaar zie springen en klappen. Mijn t-shirt prop ik steeds opnieuw in mijn broek. De instructeur kijkt op z’n I-phone, maar we nemen kennelijk de tijd. Of misschien bestaat die niet meer. We kiezen voor onszelf. We springen en springen en springen. Ergens komt een windje vrij.

Geen reacties


maandag 24 augustus 2015

Vergeten

Het is maandag. Dat weet ik nog. Maar de woordvindproblemen verergeren. Daarnet zocht ik minutenlang naar het woord ‘illustraties’ en alleen ‘artificaties’ zong door mijn hoofd.
De artificaties zijn heel mooi geworden.
Zo gaat het met veel meer woorden, alleen zijn die al uit mijn geheugen verdwenen. Ik kan nog geen drie zinnen spreken of schrijven zonder er eentje kwijt te zijn.
Het focussen wordt duidelijk lastiger. Terwijl ik dit schrijf, ben ik tegelijkertijd de nieuwe Rabo Scanner aan het uitproberen, ik probeer iets te uploaden voor een freelancer bestand, ik gooi oude papieren over lesgeven weg, schrijf data op in mijn agenda, hoop tevergeefs de stem van ene Alain Bashung te horen en denk aan citroengras.
De laatste dagen is iedere kat een lookalike van onze Ronnie. Zelfs als die niet echt zwart is.
Jonge dementie begint rond mijn leeftijd. Ik heb thuis doorgegeven dat ik euthanasie wil zodra het moment daar is gekomen dat ik maar blijf zoeken en zoeken naar de naam van die twee leuke meisjes die voor me staan.
Hoewel ik gisteren nog een gezicht van een jonge man herkende bij wie we koffie bestelden.
‘Hee, ik ken jou,’ riep ik uit.
‘O ja?’ Hij nam de bestelling op en vertrok verder geen spier.
‘Het zal wel niet.’
Toen hij ons de koffie bracht, vroeg hij: ‘maar waar ken je mij dan van?’
‘Jij bent toch schrijver?’
Hij knikte bedachtzaam, en wachtte tot ik het betreffende werk zou noemen waarvan ik zo genoten had.
Het is eervol om als schrijver herkend te worden, realiseerde ik. Maar wat hij geschreven had wist ik niet. Was het een dichter, essayist, een romancier? Geen idee.
Ik keek hem aan. De schrijver maakte een licht buiginkje.
‘Ik heb een keer met je over sex gepraat,’ zei ik.
‘O, ik onthou geen gezichten.’ Met het lege dienblad op z’n hand liep hij weg.

1 reactie


dinsdag 18 augustus 2015

Zoeken naar Ronnie

Na vier weken afwezigheid is Ronnie, onze zwarte kater, een paar straten verderop gesignaleerd maar hij blijkt schuw geworden. Hij mauwt heel anders en doet alsof hij ons niet meer kent. Hij verstopt zich onder geparkeerde auto’s. Misschien omdat het regent. Ronnie en ik spelen verstoppertje. Ik lig steeds naast de auto waaronder hij ligt, zijn naam zachtjes prevelend, en toch weet hij er weer tussenuit te knijpen en onder een andere auto te gaan liggen. Ik lok hem met brokjes. Karakterverandering, psychisch niet in orde, Ronnie heeft rust nodig, zoveel is duidelijk. We moeten Ronnie veiligheid bieden.
‘Haal je vader,’ zeg ik tegen Jeetje.
Vader komt en grijpt hem uit de struiken.
We weten hem in een plastic curverdoos te stoppen en dragen hem naar huis. Zijn zusje blaast meteen naar hem. Ronnie gaat naar boven verstopt zich onder ons bed. Er is niets over van onze macho.
‘Het is Ronnie niet,’ zegt Man.
‘Wat een onzin,’ zeg ik, ‘natuurlijk is het Ronnie.’
‘Hij had niet zo’n lange nek,’ zegt Jeetje.
‘Ik weet het niet,’ zegt Deetje als ze thuiskomt. ‘Hij is wèl lief.’
Ik blijf volhouden dat het Ronnie is, oké Ronnie is Ronnie niet meer, maar dat ligt aan zijn geestelijke toestand. Onze stem klinkt allemaal weleens anders. Maar in de nacht houdt Ronnies vreemde geluid me uit mijn slaap. En als we oog in oog staan, Ronnie en ik in de duisternis, kijk ik in zijn ogen als schoteltjes. Grote knikkers staren me aan. Waar zijn die geniepige spleetoogjes van hem? We zijn elkaar wezensvreemd. Ik haal het schaakbord weg dat voor het kattenluik stond.
De volgende ochtend is deze Ronnie verdwenen.

Geen reacties


zondag 16 augustus 2015

Kunst

Jeetje (10) betaalt haar eigen paardrijles door achter glas te zitten. In ondergoed. Ze heeft al in allerlei Europese steden gezeten en is er zelfs een keer voor naar Canada gevlogen.
Ik heb het daar natuurlijk niet over op deze plek want het zou weleens verkeerd uitgelegd kunnen worden.
Goed, ze zit samen met haar vader achter het raam. Bij hem op schoot. En ook hij draagt alleen een onderbroek. Of maakt dat beeld het juist dubieuzer?
Twee dagen geleden, in Kopenhagen, zag ik ze voor het eerst live in hun glazen kooi, iets smaller en hoger dan een telefooncel, op een druk plein aan een doorgaande winkelstraat. Met de ijzeren rolluiken nog gesloten was het een onopvallend ding waaraan iedereen argeloos voorbijliep. Alleen Deetje (5) en ik zaten op het muurtje bij de fontein vol spanning te wachten.
Het moment waarop de luiken voor het eerst omhoog gingen en de passanten stil bleven staan, keken. Nog eens keken. Eropaf liepen. Fronsten. Hun fototoestellen en telefoons op hen richtten. Op mijn dochter. Haar uitstekende schouderbladen, haar ribben, de ruggengraat, het littekentje van een hondenbeet, de schrammetjes, een blauwe plek op haar hiel omdat ze zich die ochtend aan een stoelpoot gestoten had. Binnen een mum van tijd had zich een menigte om het hokje verzameld.
‘Ja hee! Zo kan ik niets meer zien!’ zei Deetje en sprong van het muurtje. Ze liep er naartoe.
Man las voor uit een groot Deens sprookjesboek van Andersen, waar een boek van Tonke Dragt in geplakt was. Jeetje keek steeds iemand uit het publiek strak aan. Ernstig. Vader en dochter zaten hoog. Ze waren van het ene op het andere moment Kunst geworden. Artiesten waarnaar je van een afstand keek. Onderdeel van een kunstproject van een Nederlandse kunstenaar. Tien dagen lang, elke dag een ander confronterend beeld in de kooi.
Deetje stond met haar neus tegen het glas naar haar vader en grote zus te kijken.
‘Jij mag niet dichtbij komen,’ zei ik en trok haar terug.
‘Waarom mag ik niet dichtbij komen?’
‘Jeetje moet serieus blijven kijken,’ zei ik, ‘ze moet lachen als ze jou ziet en ze mag niet lachen.’
‘Waarom mag ze niet lachen?’
‘Dit is een kunstproject,’ zei ik.
‘Aha,’ zei ze. ‘Maar ik wil dat niet, hè? Ik wil daar niet in.’
‘Dat hoef jij ook niet.’
Na tien minuten gingen de luiken naar beneden om twee minuten later weer omhoog te gaan.
En toen gingen Deetje en ik snel weg van het kunstproject om ze zes uur later weer op te halen. Toen waren ze weer normaal.

2 reacties


dinsdag 04 augustus 2015

Deetjes wanhoop

In de kapsalon bladeren we door de Story. Deetje spelt hardop: w a n – h o o p
‘Wanhoop,’ zegt ze dan, haar wenkbrauwen fronsend. ‘Maar wat ís wanhoop eigenlijk?’
Er staat in rode koeienletters: Estelle’s wanhoop. Een mooie titel voor een verhaal. Hoe dan ook.
Maar hoe leg ik wanhoop uit. Het is geen verdriet, geen vrees, geen woede. Voordat ik het uit kan leggen, is het Deetjes beurt al. Ze wordt op een gigantisch sky-lederen kussen gezet en bekijkt zichzelf in de spiegel. Ze houdt er niet van om naar de kapper te gaan, maar na een half jaar gesteggel zitten we er dan toch. Voor de dode puntjes. Voor de kapster begint, controleert ze Deetjes enorme bos haar op nieuw leven. Haar vingers glijden systematisch door het haar.
We wachten ademloos af.
‘Bingo!’ roept de kapster na een tijdje. ‘Neet.’
‘Ik heb haar eergisteren behandeld.’
‘Ik kán haar wel knippen, maar ik moet haar eerst behandelen, mevrouw!’
‘Oké, dat is prima.’
Ze kijkt nog even verder. ‘Best véél neten!’ roept ze dan.
Deetjes spiegelbeeld bijt op haar lip. Ze wil niet huilen, maar de tranen biggelen al over haar wangen. Ze snikt zachtjes en schokschoudert daarbij licht.
‘Ach pop! Je hoeft niet te huilen hoor!’ schreeuwt de kapster. ‘Het is niet erg! Het is helemáál niet erg. Je hoeft je niet te schamen. Het komt alléén op schoon haar voor. Jij hebt dus heel erg schone haartjes, pop, moet je maar denken! Je hoeft je to-taal niet te schamen. Niet huilen!’ toetert ze door de zaak.

Geen reacties


vrijdag 24 juli 2015

Kalmerende spray

Gisteravond na tienen dwaalde ik zachtjes fluitend, met mijn tong klakkend, door het Diemerpark en als er niemand aankwam, riep ik op hoge toon zijn naam. In mijn ooghoeken steeds opnieuw iets zwarts. Maar dan was het weer een kraai, of een konijn. Nooit Ronnie.

Deze ochtend bezocht ik het Dierenpunt voor advies.
‘Hij is nu alweer vijf dagen weg,’ zei ik. ‘Heeft u enig idee waarom Ronnie dat doet.’
‘Tja,’ zei de mevrouw, ‘dat kan al aan hele kleine dingen liggen. Misschien kan hij het niet met de andere poes vinden.’
‘O juist wel, Ronnie en zijn zus spelen altijd samen. Of denkt u dat ze ruzie hebben?’
‘Het kan ook heel goed zijn dat hij iets in uw huis niet zo fijn vindt.’
‘Ja, hij is wel heel gevoelig denk ik.’
‘Soms is het alleen al de verplaatsing van een voerbakje,’ zei de mevrouw, ‘of als u andere werktijden heeft.’
‘Nu u het zegt! Het is begonnen toen ik een week naar Duitsland ging,’ zei ik, ‘sindsdien is hij steeds weg.’
‘Daar heb je het al,’ zei de mevrouw.
‘Ronnie en ik zijn wel heel close.’
‘Het zou goed kunnen,’ zei de mevrouw, ‘dat hij daarom vertrokken is. Als u weg bent, voelt hij zich onveilig.’ Ronnie is zijn veilige haven kwijt. Ze gaf me een folder mee over een spray met een geruststellende werking. Door een hoge concentratie geruststellende feromonen, kan ik mijn kat extra ondersteunen in ‘zijn veilige haven’.

Mijn gezin daarentegen ziet er op de camping foto’s die ik binnenkrijg, extreem goed uit. Meer ontspannen en blij dan ik ze in jaren gezien heb. Allemaal. Het is zelfs de vraag óf ik Deetje wel ooit eerder zo open en gelukkig zag. Een ander kind. Alsof er een last van haar schouders is gevallen.
Het komt er bij ons thuis op neer dat alleen Ronnie zich ontheemd voelt als ik er niet ben. Op de anderen lijkt de afwezigheid van hun ‘veilige haven’ juist een tegenovergestelde uitwerking te hebben. Daar kan geen relax spray tegenop.

‘Het kan goed zijn dat jullie een entiteit in huis hebben,’ zei een vriendin van mijn moeder. ‘Dat ze thuis daarom zo veel agressiever zijn. Kinderen zijn heel gevoelig.’
‘Ja,’ zei ik.
‘Zal ik de entiteit weghalen?’ vroeg ze. ‘Daar ben ik voor bevoegd.’
‘Kan dat ook op afstand?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat kan heel goed.’
Dat mag ze van mij best doen. Maar ik vrees dat ik de entiteit ben in dezen, die weggehaald dient te worden. (Floep..weg was ik.)

Geen reacties


maandag 20 juli 2015

Geloof

‘Veel stoornissen hebben te maken met zekerheid. Of althans met een gebrek aan zekerheid. Filosofisch gezien is het de mens onmogelijk om ergens zeker van te zijn. Elke vorm van zekerheid berust op het geloof dat er iets zeker is.’

Dit zegt psychiater en filosoof D. Denys in NRC weekendbijlage. Nu ben ik nergens zeker van, en het is fijn dat dát blijkbaar klopt (filosofisch gezien dan). Wat rest is weer dat merkwaardige woordje ‘geloof’. Hoe langer ik over dat woord nadenk, hoe onwaarschijnlijker het me voorkomt. Hoe fictiever alles wordt.

Geen reacties


zondag 19 juli 2015

Egocentrisch

Een verhaal van Lorrie Moore om de dag mee te beginnen uit de bundel Vogels van Amerika. Het eerste wat ik van haar lees. In dat ene verhaal weet ze me hardop te laten lachen, meteen daarna in tranen te krijgen, en ik heb m’n eerste koffie nog niets eens op. Dat is wat een verhaal op z’n best kan doen. Op mijn telefoon komt een foto binnen van Deetje met een indianenvlecht op een Franse theatercamping en een foto van hun drieën voor onze tent. Zij daar. Ik hier. De drie meter lange keukentafel is bezaaid met papieren – de verschillende versies duizelen – en overal liggen boeken. Beneden het ene verhaal afmaken, voor ik naar boven ga voor het andere verhaal.
In mijn hoofd een dagindeling waarmee ik nu al niet meer synchroon loop. Dat geeft niet. Een dag die je helemaal zelf te besteden hebt, lijkt oneindig lang. Maar toch is het nu alweer 10.31 u. Voor me ligt een kleine week die ik op eigen wijze door kan brengen, m’n volkomen egocentrische eigen wijze, in m’n volkomen egocentrische eigen wereld. En dan de trein naar een plaatsje in Bretagne waar de werelden weer samen zullen komen.

Geen reacties


zaterdag 18 juli 2015

Over het lezen van fictie

‘Ik heb vaak gemerkt dat een wezenlijk op een romanachtige manier doorgronden van drijfveren me heeft geholpen enigszins te begrijpen wat iemand van mij of van iemand anders wil. Het is soms bijna beangstigend te beseffen hoe slecht de meeste mensen zichzelf kennen; het lijkt je een bijna religieus voordeel te geven met betrekking tot iemands ziel. Dit is een andere manier van zeggen dat we in literaire fictie het grote privilege hebben op te kunnen merken hoe mensen zichzelf gestalte geven – hoe ze zichzelf construeren met behulp van fictie en verzinsels en er vervolgens voor kiezen dat element van zichzelf te onderdrukken of te vergeten.’

Het is komkommertijd dus geen zelfgeschreven stukkie, maar weer een citaat uit Tintelingen van James Wood.

Geen reacties


vrijdag 17 juli 2015

Een kwestie van geloof

‘Het echte in fictie is altijd een kwestie van geloof – het is aan ons, lezer, om fictie te bekrachtigen door ermee in te stemmen. Er wordt geloof van ons gevraagd, een geloof dat we op elk moment kunnen weigeren. Fictie beweegt zich op het terrein van de twijfel, fictie is een ware leugen, fictie is zich er op elk moment van bewust dat ze kan falen overtuigend te zijn. Geloof is in fictie is altijd ‘doen alsof’. Ons geloof is metaforisch en lijkt alleen maar op echt geloof.’

Bovenstaand citaat kwam ik net tegen in Tintelingen van James Wood. Het lezen en schrijven van Literaire fictie.

Twijfel. Geloof. De thema’s van het werkje waar ik nu aan bezig ben. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Wat als één van de twee de overhand neemt?

Geen reacties


donderdag 09 juli 2015

Ronnie

Ronnie, de zwarte kater, was acht dagen lang verdwenen. Ik weet nog dat hij vorige week, op een vroege ochtend in de Eifel ergens diep in het bos, mijn pad leek te kruisen. Ronnie is me achterna gegaan, dacht ik. Ronnie is de enige die echt niet zonder me kan. (Of ik niet zonder Ronnie)
Op diezelfde dag verdween hij hier.
Gisteren rond een uur of drie vonden Jeetje en een vriendinnetje hem tussen het riet en de struiken in het Diemerpark. Hij kwam luid mauwend op het voer af, maar wilde verder blijkbaar niets meer van ons weten. Hij keek gek uit zijn ogen vond ik. Ronnie was Ronnie niet meer. Alsof hij psychisch niet helemaal in orde was. Iets groots te verwerken had.
Alleen in een grote plastic Curverbak, het dekseltje op een piepklein kiertje, heb ik hem tenslotte de brug over gekregen. Het wilde zwarte dier op een drafje naar ons huis gedragen. Het kattenluik gebarricadeerd omdat hij meteen weer wilde ontsnappen.
‘Logisch,’ zei een buurman, ‘hij heeft het daar fijn aan de waterkant. Ronnie lijkt me wel een type dat vogeltjes vangt en beestjes.’
‘Heeft hij het daar fijner dan bij ons?’
De buurman knikte.
‘Dus Ronnie wilde gewoon weg?’
‘Ik weet het natuurlijk niet zeker,’ zei de buurman snel.

Geen reacties


dinsdag 07 juli 2015

Stilte

Ik had hier korte, grappige stukjes kunnen schrijven over mij en de veelal Belgische bejaarde stellen in de eetzaal, of over de in zichzelf gekeerde mensen die werkten in het familiehotel, waarmee ik na een dag of drie toch stilzwijgend een band kreeg. Alleen omdat we op hetzelfde moment daar waren en ik ‘gutemorgen’ tegen ze zei en zij tegen mij. En ’s avonds knikten we. Na een paar dagen merkte dat ik blij was ze te kunnen begroeten. Mijn kameraden met hun oververhitte hoofdjes en de gezwollen aderen op het slappe witte vlees. De toekomst.
Negen dagen huurde ik een appartement, ontbijten en dineren deed ik in het hotel dat erbij hoorde. Het viel me de eerste dag al op op dat ik niet de enige was die daar in stilte zat te eten. Er was alleen het tikken van het bestek. Het donkerbruine meubilair. De oudere stellen begrepen elkaar na al die jaren kennelijk woordeloos.
De woorden moesten uit mezelf komen. Buiten mijn dagelijkse hardloop en/of wandelrondes door het bos, was er niets anders te doen dan schrijven en lezen. Ja, er was het zwembad in de kelder waar ik als enige mijn baantjes trok. Het wandelen leek in het begin nog vaak op marcheren, het zwemmen op dwangmatig heen en weer crowlen. Als ik me niet vergis kwam daar allengs een rustiger tempo in. Ook was ik op den duur niet meer bang om in het bos te verdwalen. Elke nacht vroeg ik me wel een paar keer af: wat doe ik hier? En waar zijn Jeetje en Deetje? Maar intussen voltrok zich iets, was zich iets aan het voltrekken. Iets kalms en goeds. Tegen het eind van de week, om half vijf ’s ochtends, had ik zomaar gevonden wat ik bleek te zoeken.
(Op vrijdagavond kwamen de bezwete collega’s voorrijden en hebben we het nog twee dagen op een enorm praten en zuipen gezet)

Geen reacties


woensdag 24 juni 2015

Anderhalve dag voor vertrek

‘Mama, waarom ga jij eigenlijk in Duitsland werken?’ vraagt Deetje.
Ja, waarom ook alweer?
‘Het is toch leuk om eens in Duitsland te schrijven?’ zeg ik. ‘Wie wil dat niet?’
De laatste keer dat ik drie dagen alleen in een ander land verbleef, heb ik mij drie dagen opgesloten in de hotelkamer, mailt een vriendin me. Daarom durf ik dat niet meer zo goed.
De laatste keer dat ik twee weken alleen in een kasteel in een Frans gebergte zat om te schrijven, sliep ik geen enkele nacht en stond ik de grootste doodsangsten uit die ik ooit heb meegemaakt, herinner ik me.
De dagen van de komende week zie ik ook ineens voor me. Meestal vliegt de tijd, soms ook kruipt-ie voorbij. In het Eifel dorpje waar 127 mensen wonen, is het dat laatste waarschijnlijk. Als je je iedere seconde bewust bent van jezelf kan iets eindeloos duren.
Hele lange dagen waarin ik me ’s avonds van mijn appartement naar het hotel begeef. Alwaar ik in mijn eentje ga zitten eten. Aan een ronde tafel, gedekt voor vier personen. Tussen de bejaarde vakantiegangers. Met opgeheven hoofd natuurlijk. Mijzelf opperbest vermakend. Het laptopje binnen handbereik. Er moet in het hotel ergens WiFi zijn, las ik al bij de klantbeoordelingen. In een bepaald hoekje bij de bar. Een hele trage verbinding. Alles is er traag.
Het is er muisstil. Voor het boodschappen doen is een auto vereist, las ik. Dat is jammer voor mij, zonder rijbewijs. Hoe kom ik aan brood en andere dingen?
Ik moet denken aan Het Buitenleven van Rachel Cusk. In die roman laat het hoofdpersonage huis en haard achter zich en begint een totaal nieuw leven in een gehucht ergens. Maar dat was niet mijn bedoeling.

Geen reacties


zaterdag 20 juni 2015

Dood

Deetje (5) zegt: ‘Ik wou dat jullie dood waren.’ Ze wijst haar liefhebbende ouders aan. ‘Jullie gaan toch dood of niet?’
‘Nu nog niet,’ zeg ik. ‘Maar iedereen gaat een keer dood, hè.’
‘Ik wou dat iederéén nu dood was.’ Ze maakt een weids armgebaar.
‘Mooi is dat.’
‘Iedereen, behalve ik!’
‘En wat ga je dan doen als iedereen dood is, behalve jij?’
‘Televisiekijken.’ Ze kijkt er gelukzalig bij. ‘Alleen maar televisiekijken en snoep eten.’

‘Ja daarvoor hoeven ze niet dood,’ merkt Jeetje (10) op, ‘als je achttien bent mag je het ook zelf weten. Dan mag je de hele dag televisiekijken en snoep eten. En dan wil je het niet eens meer, Deetje.’
Dat zal allemaal wel, zie ik Deetje denken. Maar nu wil ik het. Dus als het toch gebeuren moet, laat die uitsterving dan nu beginnen.
Moeder vraagt zich af waarvoor de ouders volgens Jeetje dan wel dood zouden moeten, als het niet is voor het kijken van televisie of het eten van snoep.

Geen reacties


donderdag 18 juni 2015

Werkproces

Over een week vertrek ik naar een appartement in Zendschijt, zoals ik het plaatsje in de Eifel noem, om eens te kijken wat het me brengt. In Zendschijt verwacht ik geen wonderen. Wel valt daar alles op z’n plek wat hier nog net niet op z’n plek gevallen is. De roman waaraan ik werk krijgt daar het juiste tikje, het hoeft maar een tikje te zijn, om voortgezet te kunnen worden. Het vordert gestaag maar in Zendschijt met op de achtergrond het kabbelen van de Kil, zoals ik de rivier noem, zal het stormen, ik bedoel: stromen. De Duitse degelijkheid moet wel een goede invloed hebben.
Ik zie alleen nog voordelen.Ik kan niet wachten.
Nu ben ik eerst nog bezig met een verhaal voor in de bundel verzamelde verhalen in oktober. Het schrijfproces is, in mijn geval, een grillig gebeuren dat je soms met fluwelen handschoentjes aan moet pakken, maar soms ook is het vooral een kwestie van niet loslaten. Ik hou enorm van loslaten en weggooien. Ik hecht me bijvoorbeeld ook nauwelijks aan spullen. Het is zaak niet steeds aan al je verlangens toe te geven.
Ik gaf laatst een bootcamp herschrijven in Nijmegen waarin ik mezelf hoorde zeggen: accepteer en respecteer je eigen werkproces, ga niet iets heel anders doen, besef wat jouw manier van werken is en vervolmaak dat. Bovenal: heb vertrouwen.
Dat is het mooie van lesgeven. Je hoort het weer eens van een ander, die je zelf blijkt te zijn.

Geen reacties


donderdag 18 juni 2015

Buik

Deetje wilde zich niet laten insmeren op het strand afgelopen vrijdag. Ze kreeg ter plekke een woedeaanval en verkoos een legging en een jurk met lange mouwen boven het badpakje. Het was zeker dertig graden. Ik vroeg haar vanochtend waarom ze zich eigenlijk niet gewoon in liet smeren.
‘Ik wil niet dat iedereen dat ziet,’ zei ze. ‘Als jij me insmeert.’
‘Waarom niet?’
‘Ik wil niet dat de mensen mijn buik zien.’
‘Maar wat is daar erg aan? Iederéén heeft toch een buik? Alle mensen hebben er één.’
‘Niet! Oma D. niet!’ zei ze meteen. ‘Oma D. heeft geen buik.’
‘Nee, oké, zij heeft geen buik, maar…’
‘Oma D. is alleen nog een skelet,’ zei Deetje.
‘Dat is waar, maar…’
‘Dus niet iedereen heeft een buik, mama!’
‘Nee,’ zei ik.

Geen reacties


zondag 14 juni 2015

Kunstenares

De verkoper van de kledingwinkel geeft me een klein zwart T-shirt met witte verfspatten.
‘Hier. Trek eens aan,’ zegt hij. ‘Hierin lijk je precies een kunstenares.’
‘Nou, dát hoeft niet hoor,’ zegt man. Hij zit op een krukje toe te kijken. ‘Dáár moeten we juist vanaf.’
Ik glimlach op mijn gebruikelijke wijze, trek het zwarte T-shirt met de verfspatten aan en meteen weer uit.
‘Ik vind het té,’ zeg ik.
‘Dus geen kunstenares?’
‘Nee.’
Hij kijkt me glazig aan. Meewarig misschien eerder.
De vorige keer wou dezelfde verkoper me ook al een blouse verkopen omdat ik daarin op een kunstenares zou lijken. Wat is daar toch het voordeel van? vraag ik me af. Weet die man wel wat hij zegt? En waarom ik?

Geen reacties


dinsdag 09 juni 2015

Grens van het betamelijke

Ik wilde iets radicaals doen. Ik dacht: ik hef dit weblog op. Nou, dat was me een gedachte wel. Ik moest er even van bijkomen. Dus dacht ik even aan andere dingen: de grens van het menselijke. Waar lag die grens? En waarom trok me dat zo aan? Iemand had me gezegd: ‘dan bereik je de grens van het menselijke.’ En ik wist meteen: Ja! Dat is het. Daar moet ik naartoe! Alsof het toverwoorden waren. Een vakantiebestemming. Het paradijs.
Maar wat wil ik daar precies gaan doen? Bij de grens van het menselijke? Ik zie me er al staan, in mijn nieuwe bikini.
Gisteravond Belle de Jour van Bunûel gezien. De film werd ingeleid door een psychoanalyticus. Hij sprak over spiegeling, leegte en perversie. De film moesten we zien als een droom, verinnerlijking, van een volkomen gestoorde vrouw die probeert ‘heel’ te worden.
We zagen volgens de analyticus haar gevecht met haar demonen op het witte doek. Ik geloof niet dat het een film was die eigenlijk een droom is van het hoofdpersonage. Zoals ik niet geloof dat ons leven eigenlijk een droom is van onszelf. Maar ik ‘geloof’ sowieso nogal weinig. Dus misschien moet ik daar niet al te veel waarde aan hechten.
Goed, ik hef dit blog niet op. Het enige radicale wat ik doe is dit weekend in een strandhuisje op camping Bakkum doorbrengen.

2 reacties


donderdag 04 juni 2015

Het verwaarloosde paard

Ik werd die dag pas rustig toen ik oog in oog stond met het verwaarloosde paard. Het regende dat het zeek. Ik schuilde bij haar in de stal. Het paard wilde nog niet draven, had mijn tienjarige verteld. Het wilde alleen op haar gemak lopen. Het had tijd nodig. Ze begon hooi te eten, ik maakte een foto van haar.
Om ons heen verwerd alles langzamerhand tot één grote modderzooi. De blubber strekte zich uit. Ik zag dat er zich een eilandje om het verwaarloosde paard en mij heen begon te vormen.
Mijn dochter was in geen velden of wegen meer te bekennen. Zelf ben ik nooit een paardenmeisje geweest. Om de huizen van mijn opa en ooms liepen vroeger overal paarden. Ik kan wel zeggen dat ik ben opgegroeid tussen de cowboys, maar naar hun paarden keek ik niet om. Ook mijn beste vriendin was er zo eentje. Ze had een verzorgpaard op de manege waar ze elk vrij moment naartoe ging om mest te scheppen, de staarten te borstelen, stallen schoon te maken. Ik vroeg me af wat daar nou precies de meerwaarde van was. Nee, dat vroeg ik me niet af. Ik vond het idioot. En dat ze er ook nog voor betáálde. Ik zou me daar wel gek zijn.
Maar eergisteren, toen het paard en ik elkaar in de ogen keken, begreep ik er misschien iets van.

Geen reacties


woensdag 03 juni 2015

De beproevingen van het huwelijk

Man zit aan de keukentafel achter zijn laptop als ik beneden kom. Hij is met zijn identifier in de weer, vraagt hoe mijn dag was. Ik  vertel hoe mijn dag was. Halverwege begint man driftig te typen, zijn wenkbrauwen gefronst.
‘Hoor je me wel?’
‘Wat?’ Hij kijkt me kort aan door zijn leesbrilglazen en tuurt dan weer naar het scherm. Met twee vingers ramt hij op de toetsjes.
Zodra ik weer achter mijn computer zit, drie verdiepingen hoger, begint hij dingen naar me te roepen.
‘Ik kan je niet verstaan,’ roep ik.
‘Zal ik J. en D. zo halen? Of doe jij dat?’
‘Nu praat je wel tegen me. Nu ik hier helemaal zit.’
‘Ja, ik moest even iets afmaken.’
‘Je vroeg net zelf hoe mijn dag was.’
‘Ik had op een kort antwoord gehoopt.’
Zo blijven wij naar elkaar schreeuwen, de longen uit ons lijf, met al die kamers en trappen tussen ons in.

Geen reacties


dinsdag 02 juni 2015

De beproevingen voor de kikkervis

We houden kikkervisjes in een bak in de tuin. Onze vijfjarige heeft ze meegenomen uit Limburg.
Ze hebben volgens mij een groeiachterstand. Dat komt omdat onze poezen elke dag wel een paar keer hun pootje in het water steken. Ook heeft onze vijfjarige al één van hen geofferd.
Vanuit de kamer zag ik hoe ze razendsnel met haar handje het water inging, er ééntje pakte, en hoe ze het arme ding daarna aan Ronnie voerde. Onze zwarte kater begon er aan te likken. Ze bleef gebiologeerd staan toekijken hoe het kikkervisje, tot de helft, door hem verorberd werd.
‘Voer jij nou een kikkervisje aan de poes?’ vroeg ik.
Ze huilde dat ze dat niet gedaan had. Echt niet! Hoe kom ik daar nou toch bij? Ze haat me! Alleen de stomste moeder die er bestaat, verzint zoiets. Dat halve kikkervisje is helemaal geen kikkervisje!
Het is geruststellend dat ze hier blijk geeft van iets als een geweten.
‘Kikkervisjes keren altijd terug naar waar ze geboren zijn,’ zegt man, ‘mooi is dat hè?’
Ik denk aan het kleine vijvertje in de tuin van mijn ouders en aan hoe mijn kikkervisjes straks in Godsnaam heelhuids, via snelwegen en diepe wateren, de weg terug daarnaartoe moeten zien te vinden.
En daarom willen onze kikkervisjes dus liever geen pootjes krijgen.

Geen reacties


donderdag 28 mei 2015

Autonomie

De cursisten die ik nu lesgeef, hebben autonomie hoog in het vaandel staan, merk ik al vanaf les 1. Toen ik er nog het hardst om kon lachen. Het is nooit verkeerd voor een schrijver om eigenzinnig te zijn, dacht ik. Het is ook grappig dat mensen iets heel anders doen dan de opdracht was. Dat kan iets goeds opleveren. Soms.
Het valt me op dat er binnen dit clubje, behalve autonomie, ook een sterke hang is naar regels, structuur en controle.
Vandaag mogen ze zelf met een verhaalidee komen.
Een cursist zegt: ‘Het moet gaan over iemand die een nieuwe religie bedenkt.’
‘Oké,’ zeg ik, ‘laten we beginnen met de concrete situatie. Wie..’
‘Concreet, concreet,’ zegt hij, ‘jij wil het altijd concreet!’
‘Ja,’ zeg ik. ‘Een nieuwe religie op zichzelf is niet interessant, want..’
‘Oké dan zet ik twee personages aan een bar, ze hebben flink gedronken en beginnen een nieuwe religie te bedenken.’
‘Is dit dramatisch interessant?’ Ik kijk de groep rond. ‘Hoe zou je zo’n idee nóg sterker kunnen maken?’
‘Hoe weet ik dat jij ons niet gewoon jouw mening over schrijven probeert op te leggen?’ vraagt de cursist. ‘Hoe weet ik dat?’
Met half dichtgeknepen ogen kijkt hij me aan. Armen over elkaar. Achteroverleunend in zijn stoel. Kauwgom kauwend.
‘Stáát er ergens hoe het moet?’ vraagt hij.
‘Er zijn heel veel handboeken om te leren schrijven geschreven,’ zeg ik.
‘Ja, geef me de titels maar.’
‘Je kunt ze misschien ook zelf opzoeken op internet?’

Geen reacties


maandag 25 mei 2015

Geen bereik

Het laatste teken van leven van man is van 30 uur geleden. Hij en Jeetje hadden hun kunstje gedaan op het festival in Montréal. Het was goed gegaan, mailde hij. Ze vertrokken met een auto naar 130 km verderop. Want een stad was maar een stad. Nee, ze gingen met z’n tweeën naar een Canadees natuurgebied. (Met echte beren, denk ik.) De Europese vader en dochter.  Twee dagen zouden ze in zo’n yurt aan het water vertoeven.
Sindsdien is het stil. Op mijn sms, app, mail en telefoon wordt niet meer gereageerd. Er is daar natuurlijk geen WiFi. Ze slapen. Etcetera.
Maar nu zie ik steeds David Vann-achtige taferelen. Vader en dochter. De ongerepte natuur. Regen. Ver van de bewoonde wereld. Beren. Een tienjarig meisje middenin de wildernis geknield naast haar half opgegeten vader. Nacht. Huilen. Niemand die haar hoort.
Haar moeder die hier dit zit te typen.

Geen reacties


zondag 24 mei 2015

De geest is er

In een flessenhals zat ik. Klemvast. Ik wist niet hoe lang ik daar al in zat en hoe ik daar ooit in terechtgekomen was, maar het begon zo langzamerhand te benauwen. Dat wist ik wel. Te stinken ook.  Steeds als ik naar mezelf keek – zo’n grote geest in de hals van een fles gepropt – moest ik denken aan de baby met ernstige afwijking die ik vorige week op sterk water had zien staan. Het enorme, dode snoetje platgedrukt tegen het glas. Ingemaakt. Ik vroeg me af óf en hoe ik levend ooit uit de fles tevoorschijn zou komen.
Tot ik op deze Pinksterochtend mijn voordeur opende.
Het begon meteen al op de stoep tegenover mijn huis. Er was een zwembad neergedaald met alleen maar lachende kinderen er in. En in het Diemerpark wandelden en fietsten de mensen, ze sportten, kletsten en her en der lagen ze in het gras. Tegen elkaar aan. Als gouden stipjes waaierden ze voor me uit, dansten ze voor mijn ogen, vingen de ene frisbee na de andere. De babykonijntjes hupsend voor hun voeten. Overal om me heen zag ik families met picknickmandjes. Op het strandje waar ik voorbij holde, werden kleine schepjes in het zand gestoken. Emmertjes omgekiept. Water spatte op. Honden renden rond met stokken in hun bek. Ook die hadden de geest gekregen. Het was allemaal vanzelf gegaan.

Geen reacties


donderdag 21 mei 2015

Ver weg

Ik krijg zojuist een berichtje dat vader en dochter in Montréal zijn geland.
Terwijl ik het huis alleen verliet om Deetje op te halen bij een vriendje, vlogen zij duizend zeeën over.
We hebben gegeten. We hebben met een ballon 41 x overgetikt. We zijn naar de glas- en papierbak gegaan, Deetje op de spacescooter en ik lopend, en daarna weer snel naar huis. In bed las ik haar een verhaaltje van Jubelientje voor. Ik keek een programma over Nederlandse vrouwen die zich bekeerden tot Moslima.
En al die tijd was Jeetje ergens hoog in de lucht, vloog ze steeds verder van ons weg.

2 reacties


maandag 18 mei 2015

Veilig

‘Alles wat we van de mens zien, is dood,’ zei de geneeskunde student. Hij droeg een spierwit gekreukt colbertje, een knalrode broek en trok steeds aan de huid van zijn arm om ons het dode te laten zien. ‘Allemaal hartstikke dood,’ grijnsde hij. ‘Maar hieronder leeft het.’
Ik was afgezet voor het AMC, de rest van de familie reed alvast door naar een verjaardag die daar vlakbij gevierd werd op een grasveld. Buiten scheen de zon, hierbinnen was het donker.
Met een klein groepje stonden we voor een vitrine met een baby op sterk water met een vissenhuid. Het meisje had als het ware overal eelt en als ze zou groeien, barstte ze uit elkaar. Hij vertelde over de pijn waarmee dat openscheuren van de huid gepaard ging en de vele infecties waaraan ze binnen een week zou bezwijken.
‘Alles in de buitenwereld is levensgevaarlijk voor ons,’ zei hij, ‘daarom hebben we een huid.’
We luisterden naar de anatomie verhalen van de geneeskundestudent die ons rondleidde door museum Vrolik in het AMC. Overal grote baby’s in kleine flessen. Baby’s met afwijkingen op sterk water, Siamese tweelingen, organen, skeletten met syfilis, de schedel van een man die een trap van een paard gekregen had. Een versteende buitenbaarmoederlijke zwangerschap. We stonden te kijken bij kinderen die serenen werden genoemd, omdat ze een soort zeemeerminnenstaart hadden in plaats van benen, en daarna bij de cyclopen. Baby’s met één oog in het midden van het gezicht en ergens een soort van slurfje dat een neus moest voorstellen.
We zagen het verloop van een zwangerschap op sterk water. De baarmoeder waarin wij allemaal ooit verbleven en ons veilig waanden.
Daarna wandelde ik naar het feest.

Geen reacties


donderdag 14 mei 2015

Vrije dag

We spraken over hemelvaart en dat het een vrije dag is. De kapster vond dat de afschaffing van de slavernij een vrije dag moest zijn. Haar oma was één van de laatste slavinnen.
‘Je oma?’
‘Ja.’
Via de spiegel keek ik naar haar. De kapster leek me hoogstens begin dertig. Ze zei: ‘black don’t crack.’ Ze vertelde over haar oma op de plantage, die, als ze nog leefde, honderdtien geweest zou zijn. De slavernij is honderdvijftig jaar geleden officieel afgeschaft, maar haar oma’s moeder was in gevangenschap geboren en bleef bij haar eigenaar. Ze had een eigen kamertje en kon haar kinderen voeden. Hij was goed voor haar, als ze gehoorzaamde. Ze had geen weet van een vrije wil.
‘Jee,’ zei ik. ‘Zo dichtbij.’
‘Ja,’ zei ze.
Ook vertelde ze dat haar oma later dement werd en dat toen in plaats van het kind, de slavin weer tevoorschijn kwam. Hoe pijnlijk dat was. We communiceerden via de spiegel. Ik zag mijn eigen gezicht, dat van haar, en dacht aan die ene onbekende Afrikaan die onze familie al generaties lang donker kleurt. Ook dacht ik aan de veel voorkomende achternaam van slavenhouders die hetzelfde is als die van mijn moeder.

Geen reacties


dinsdag 12 mei 2015

Boodschappen

We hebben het in de mei maand zo druk met feesten, dat er nauwelijks tijd is om een blog bij te houden. En als we niet aan het feestvieren zijn, doen we boodschappen voor het volgende feest. Ook vandaag staan we weer in de rij met een afgeladen volle kar. Achter ons sluit een vrouw aan met een vrijwel leeg mandje.
‘Zullen we haar voorlaten,’ fluister ik.
‘Nee,’ zegt man, ‘waarom?’
‘Ze heeft maar vier dingetjes,’ fluister ik. ‘Wij minstens vierhonderd.’
‘Waarom zouden we haar voor moeten laten dan?’ Man duwt onze kar nog iets verder naar voren.
De vrouw met het mandje om haar arm, zegt: ‘Nou, wel iets meer dan vier hoor.’
‘Ik probeer je te helpen,’ zeg ik. ‘Ik probeer hem positief te beïnvloeden.’
Ze glimlacht. We kijken naar man. Hij rijdt de winkelwagen naar achter en maakt een kort driftig gebaar dat ze eerst mag. Ze legt haar zes kleine gezonde dingetjes snel op de band voor ons. Ik leg de beurtbalk neer en stapel dozen met zoenen op, blikken sinas, zakken chips, repen chocolade.
‘Ik haat boodschappen doen,’ zegt man.

Geen reacties


donderdag 07 mei 2015

Jong of oud

‘Kun je geen straf geven?’ vraagt de cursiste.
‘Stráf?’
‘Wil je ons straffen als we het huiswerk niet gemaakt hebben?’
‘Ons,’ zegt een andere cursiste. ‘Lèkker dan.’
We zitten in een carré vorm. Het is de vierde les. De groep is volgens mij jonger dan ik gewend ben, maar leeftijd kan ik nooit helemaal goed inschatten. Je merkt het gaandeweg aan bepaalde dingen.
Dat ze op hun eigen tijd binnendruppelen bijvoorbeeld, dat de koffie in het studentencafé te duur wordt bevonden. Liever een automaat. Soms slepen ze grote weekendtassen met zich mee. In de twee uur dat de les duurt, moet er echt een pauze worden ingelast. In hun teksten figureren hele oude mensen.
‘Hoe oud is je personage dan ongeveer?’
‘Héél oud. Iets in de dertig denk ik wel’
‘Iets in de dertig.’
‘Nee, ik denk in de véértig zelfs.
‘Tjonge,’ zeg ik. ‘Dat is kapot oud.’
Ze praten over veertigers met burn-outs, alsof die twee zaken met elkaar verbonden zijn. Afgeschreven. Uitgedaan. Teleurgesteld. Opgebrand. Geestdood. Gesetteld. Niet meer van deze wereld. Nog net niet in een invalide karretje. Maar daar is eigenlijk alles mee gezegd.

Geen reacties


zondag 03 mei 2015

Eenwording

Het is gevaarlijk om observaties over je gezinsleven te noteren, de meeste schrijfsters laten het wel uit hun hoofd, je wordt hoe dan ook in de hoek van de minder validen geplaatst, dat weten we nu zo langzamerhand, dus schrijf ik maar beter niets over het kinderfeestje hier.
We zijn bang te worden weggezet in het mierzoete moederschap hoekje. Ik ben daar door mijn boeken en deze tekstjes vermoedelijk vanzelf in terechtgekomen, al is het bijvoeglijk naamwoord ‘mierzoet’ op mij niet van toepassing. Ergens las ik dat vrouwen niet goed (waarmee ‘slecht’ wordt bedoeld) kunnen schrijven over het ouderschap omdat ze té persoonlijk betrokken zouden zijn. Voor mij ligt het precies andersom.
Wanneer ik weer eens van een afstand naar mijn leven kijk, verbaas ik me er over hoe het zo heeft kunnen lopen met alles. Wat ik zie komt me vaak genoeg vreemd voor.
Op zo’n moment begin ik meestal in te zoomen, nog verder in te zoomen, we moeten dichterbij komen, nog dichterbij, mijn leven en ik. Hier ga ik net zolang mee door tot het beeld glashelder is. Op het oude Perzische tapijt, naast de tafel waaraan ik zit, verschijnt nu een man in kleermakerszit naast hem een meisje in een lange nachtjapon met bloemetjesmotief. Ze spelen. De inhoud van de nieuwe doos playmobil omgekeerd tussen hen in. De man zadelt een gevlekt paard op. Het meisje is bezig het witte paard binnen het hekwerk te houden.
‘Ik heb te weinig hekjes,’ zegt ze tegen het paard, ‘ik kan maar een heel klein weitje voor je maken.’
‘Sluit me niet op,’ zegt het paard, ‘sluit me niet op.’
Het meisje galoppeert met het paard door de kamer. Weg van de man, weg van het kleed. De wereld in.
Pas tijdens het schrijven van zo’n stukje vallen we  samen, mijn leven en ik. Dichterbij kan ik niet komen. Ik kan het niet niet opschrijven. Ze zitten er!

Geen reacties


maandag 27 april 2015

Koningsdag

We gingen in de ochtend naar de Watergraafsmeer en ik viste een goeie spijkerbroek uit de hopen troep, man vond een kookboek, Jeetje een stapeltje Donald Ducks uit 2010 en Deetje pikte Fluttershy (haar favoriete my little pony) uit de rommel.
In de middag thuis brachten de overburen ons saffraanijs met grappa. Dat ontspande onmiddellijk. Er rolschaatste een jongetje van een jaar of vijf heen en weer door de straat met een bordje om zijn nek: voor tien cent mag je mij drie keer knuppelen. (Nee er stond geen knuffelen) Hij rolde ons langzaam voorbij, zijn armen wijd, knieën krom, moeizaam balancerend, steeds net niet vallend.
We hadden op zaterdag een etentje met twintig mensen, dus aten we ’s avonds voor de derde achtereenvolgende dag Indonesisch. Deze keer in onze winterjassen (vanwege de wind) voor het huis, met allerlei buren. De kinderen op de grond – als hondjes – rond een bak friet.
Ik kan de eerstkomende jaren geen Indonesisch eten meer zien. Maar gisteren dacht ik precies hetzelfde. Zo onberekenbaar is een mens.
Tijdens het zaterdagetentje alhier viel het me trouwens op dat de gasten bijzonder veel interesse hadden in mijn alternatieve slaapmiddel. Bijna iedereen had wel last van een druk en/0f malend hoofd in de nacht. Men wilde het adresje weten en nam alvast een drupje wiet als dessert. Ze leken naarstig op zoek naar verlossing, verdoving. Rust. De onrust viert hoogtij, dacht ik. Maar waarom eigenlijk?

Geen reacties


donderdag 23 april 2015

Absurd

We hadden voorgelezen in IJzaal van de Tolhuistuin op de Lange avond van het korte verhaal en stonden aan de bar. Mijn eerste ouwe klare gedronken. Dat was lang niet slecht. Op een dag is het tijd voor ouwe klare. Dat was gisteren kennelijk. Er waren zeven verhalen voorgelezen, of in mijn geval een fragment uit het langere verhaal Lastmens, en er was aandachtig publiek. Leunend tegen de bar spraken we over het vak, over jezelf wel of niet serieus nemen en over meningen verkondigen in je werk. Er kwam een man naar ons toe die goed geluisterd had en een heldere analyse gaf over wat hij had gehoord. In een enkele zin gaf hij me de kern van mijn schrijven. Dit moet ik onthouden, dacht ik.
‘Geen recensent heeft dit ooit beter gezegd,’ zei mijn collega tegen mij. ‘Je kunt nu wel ophouden met schrijven.’
Misschien komt het door die ouwe klare, maar ik onthield het niet. Ik weet wel dat de man het geen absurdisme noemde. Dat vond ik geweldig. Want niets van wat ik schrijf, heb ik ooit absurd bedoeld.

Geen reacties


woensdag 22 april 2015

Doorslapen

Net na zessen stonden we al op om het verjaardagsontbijt voor man te gaan regelen. Mijn oogleden topzwaar vanwege mijn medicinale wietgebruik. (Het is fantastisch spul om mee in slaap te komen, maar bemoeilijkt het ontwaken aanzienlijk.)
De spanning liep meteen al superhoog op. We waren zo zenuwachtig dat we het haast niet voor elkaar kregen om zachtjes te praten. We wisten ook niet meer wat we als eerste moesten doen.
Eitjes koken, croissantje in de oven, cake met kaarsjes. De meisjes drapeerden de tekeningen om het bord van de jarige. Net toen ik met een berg cadeautjes in mijn armen naar beneden wilde lopen, hoorde ik een gigantisch kabaal. Het klonk als een olifant die van de trap stortte.
‘Ik kom al,’ riep ik. ‘Ik kom!’
Hoog gillend en hard huilend lag Deetje op de vloer. De gevallene brulde dat ze echt niet meer meedeed met de voorbereidingen voor het ontbijt. Jeetje schreeuwde dat ze niet zo moest schreeuwen en dat ze meteen op moest houden met huilen. Nu metéén. De jarige sliep door alles, werkelijk door alles, heen. (En dat had niets met wiet te maken)

Geen reacties


vrijdag 17 april 2015

Krijg een leven

We pesten heel wat af hier in huis. We weten van geen ophouden. We spelen het kaartspelletje steeds opnieuw, waarbij het vooral voor Deetje een uitdaging is om niet in woede te ontsteken in het geval van naderend verlies. Ik snap die emotie zo goed, maar ze overvalt me nooit meer bij een spelletje pesten. Er worden hier ook ontzettend veel moppen en raadsels verteld. Heel veel zelfgemaakte moppen valt me op, erg lange moppen, en nog langere raadsels die een clou ontberen.
Ik moest ineens nog even gaan rennen.
Tijdens het rennen, het schemerde al, kwam ik heel lang geen enkel ander mens tegen. Ik dacht dat ik in een schilderij liep. Met een ondergaande zon. En er was ook wel iets dreigends. Er is altijd iets dreigends in het schilderij waarin ik loop. Iets dat zo dadelijk vanuit de struiken voor mijn neus zal springen om me te pakken. Daar kijk ik niet gek van op. Ik naderde de voetbalvelden toen de volgende fase voorbij kwam fietsen. Een hele troep tienermeisjes met golvend haar (het leek wel een twaalf-ling) schuddend met hun lange lokken, wiebelend met hun billen op de zadels, alle twaalf naar links kijkend, schreeuwend naar de voetballers op het veld: ‘Kijk voor je. O joh! Krijg een leven.’

1 reactie


dinsdag 14 april 2015

Alphonse

Elke nacht rond een uur of vier lees ik verder in ‘Dertig dagen’ van Annelies Verbeke. Het gaat over Alphonse die door de mensen waarvoor hij als huisschilder werkt, steeds meer in vertrouwen wordt genomen. Ze vertellen hem hun levensverhalen, ze bellen hem op als ze hem nodig hebben. Alphonse luistert, Alphonse komt. Het is een heel zorgvuldig geschreven, goed en genuanceerd boek over een man die het juiste probeert te doen.
Ik merk dat Alphonse dezelfde geruststellende uitwerking op mij krijgt als op de personages. Of hij nu wil of niet. Als ik niet kan slapen, is Alphonse er. Dat weet ik. ’s Nachts is de goede man er ook voor mij. (Daar zal zijn vriendin Kat niet blij mee zijn. Zij wordt langzaam aan dol van zijn drang tot helpen.) Het boek is bijna uit. Opnieuw beginnen dan maar. Tot we zonder Alphonse de nacht doorkomen.

Geen reacties


vrijdag 10 april 2015

Lekker

Je bent zo lief,’ zeg ik tegen Deetje, ‘ik kan je wel opeten.’
‘Dat moet je niet doen,’ zegt ze, ‘dan kan je me niet meer knuffelen.’
‘O, nee. Dan eet ik je maar niet op.’
‘Het kán ook niet.’
‘Nee.’
Je kúnt mijn botten helemaal niet eten,’ zegt ze.
‘Ik kan ze afkluiven, als kippenbotjes.’
‘Maar je doet het niet.’
‘Nee, ik eet je niet op.’
‘Ik ben ook niet lekker,’ zegt ze.
‘Dat weet ik niet.’
Als ik beneden kom en de krant opensla, lees ik over een moeder die door ISIS gedwongen wordt haar vermoorde zoon op te eten. Zij weet het.

Geen reacties


woensdag 08 april 2015

Kracht v/d verbeelding

In de krant lees ik dat de ontvoerde Sjaak Rijke zijn 1229! dagen detentie heeft volgehouden door elke dag in gedachten steen voor steen zijn huis opnieuw op te bouwen. Of zelfs wanneer hij kon en materialen in de woestijn vond, om er in het zand een maquette mee te maken, om zich te concentreren op wat hem dierbaar is.
Drie en een half jaar lang je concentreren op wat je dierbaar is!

Bovenstaande is toch iets om te onthouden, als het eventjes tegenzit, de dingen. Als het net te hard waait bijvoorbeeld.

Geen reacties


maandag 06 april 2015

Vader of hond

Deetje en haar vriendje spelen in de woonkamer.
‘Mag ik jouw hond zijn, Deetje?’ vraagt het vriendje.
‘Nee,’ zegt ze.
‘Of dan jouw poes?’
‘Nee,’ zegt ze. ‘Je moet mijn vader zijn.’
‘Goed,’ zegt het vriendje. ‘Maar dan ben ik wél een vader die in een hond kan veranderen.’
Dat vinden ze allebei een aardig idee. Het spel begint.
‘Verander je nu dan in een vader?’ vraagt Deetje al snel.
‘Ik ben nog helemaal geen hond geweest.’
‘Nu moet je een vader zijn.’
‘Maar weet je; ik wíl eigenlijk geen vader zijn,’ zegt het vriendje. ‘Ik wil jouw hond zijn.’
De onderhandelingen beginnen opnieuw.

Geen reacties


vrijdag 03 april 2015

Eeuwigheid

Mijn moeder adviseert wiet druppels. Zij stuurt me een link die naar de medicinale wiet leidt. Ze zweert zelf bij wiet om in slaap te komen. Het doet me denken aan een artikel in de Volkskrant over zestigers die aan de drugs gaan. Maar waarom zouden ze niet? Mijn kinderen logeren nu bij die drugskikkers en ik zit aan mijn eerste espresso.
Voor mijn netvlies verschijnen de vijf feloranje mannen weer, met hun enkelbanden en lege gezichten. Gekmakend traag snoeien ze de rozenperken. In alle eeuwigheid. Maar ik weet dat er eentje ontsnapt is. De zesde. Die hangt boven bij mij aan de muur. Dagelijks zie ik het kleine oranje mannetje op de top van een antracietgrijze berg staan, met uitzicht op de mist. Hij vraagt zich af of hij zal springen of niet. Nee, ik weet na jaren dan eindelijk wie hij is, waar hij vandaan komt, maar nog altijd niet wat hij zich afvraagt.

Geen reacties


dinsdag 31 maart 2015

Het stormt

Het stormt buiten en binnen, mailde ik een vriend.
Hij antwoordde: Dat zeg je altijd als het stormt.
Sorry dat ik kennelijk al jarenlang hetzelfde tegen je zeg.
Waarom sorry? Het betekent iets.
Dat zal wel, dacht ik. Natuurlijk betekent het iets. Ik voelde me betrapt omdat het een makkelijke manier is om niets te zeggen terwijl je net doet alsof je iets prijsgeeft. Het is mijn pseudo-diepgang.

Het stormt binnen en buiten.

Ik voeg ook nog een witregel toe om het compleet te maken.
In het boek Verbroken Beloftes, waar iedereen zo hoog over opgeeft, kwam ik dit euvel ook tegen. (Lang niet zo’n ernstige variant) Maar ik wilde het helemaal niet tegenkomen. Ik wilde het het beste boek vinden dat ik het laatste jaar gelezen had. Een nieuwe ontdekking.
Op een literaire avond had ik de schrijfster horen praten over het schrijfproces. Ze leek me grappig en intelligent. Gekozen vorm en onderwerp interesseerden me buitengewoon.
Een schrijver die er ook was, zei tegen me: ‘Ja, ik vond het boeiend. Alleen bij het moederschap haakte ik een beetje af.’
Dat vond ik een domme opmerking, maar ik zal wel naar hem gelachen hebben.
Ook wilde ik het het mooiste boek vinden ooit omdat een heel lief iemand aldaar het me plotseling cadeau deed.
Ze zei: ‘Ik koop het voor jou.’
Dat had ik dus nog nooit meegemaakt.

Misschien omdat we op dezelfde dag jarig zijn.

Geen reacties


maandag 30 maart 2015

Verbeelding

Vandaag was ik een verkoolde man, van binnen en van buiten zwart, en bevond ik me op een plek waar vermoedelijk nooit zon was geweest. In de verte zag ik een klein lichtgevend meisje staan. Zij gaf van binnen en van buiten licht. We stonden aan het begin en het einde van dezelfde asfaltweg. Dus ik begon te lopen over de witte strepen. Vanwege de overbelichting kon ik haar gezicht niet zien. Dat van mezelf trouwens ook niet. Bij mij overheerste het zwart.
De verkoolde man naderde het verlichte meisje. Ik denk om kennis te maken.
Eenmaal heel vlakbij werd ik geëlektrocuteerd. Ik knetterde als zo’ n mugje dat in een lamp vliegt. (Maar dan nu het knetteren van een volwassen man die in een lamp vliegt.)

Geen reacties


vrijdag 27 maart 2015

Ongevaarlijk

We gingen onze vrienden en familie na. Bij wie zou je in het vliegtuig stappen en bij wie niet. De meesten vielen direct af. De enkeling bij wie we het aan zouden durven, bleek toch ooit een burn-out te hebben gehad. Daar zit vaak een complex psychiatrische problematiek achter, lees ik overal. Dus ook de enkeling viel af.
Sinds mijn vijftiende staat het vast dat ik nooit piloot zou mogen worden (zelfs geen stewardess)
noch buschauffeur of taxichauffeur. Ook een carrière in de verpleging, bij de politie of het bouwvakkerschap was voor mij als epilepticus niet meer echt weggelegd. Welbeschouwd bleven alleen ‘de kunsten’ over. Daar was ik geen gevaar voor anderen.
Maar bij mezelf zou ik wel instappen. Als ik een vliegtuig kon besturen, zou ik dat goed en geconcentreerd doen en nooit ook maar een seconde wegvallen. Dat weet ik gewoon. En dat is het verraderlijke.
Wat weten we nou van onszelf en van onze betrouwbare vrienden? Rest voor iedereen alleen kunst. Al kan een cartoonist in je buurt best gevaarlijk zijn.

1 reactie


donderdag 26 maart 2015

Belabberd

Ben je ziek?’ vroeg de baliemedewerker zodra ik het universiteitsgebouw binnenkwam.
‘Nee, hoezo.’
‘Nou, je ziet er belabberd uit.’
Meteen maakte een enorme belabberdheid zich van me meester. Ik liep door naar de docentenruimte en bekeek mezelf snel in het spiegeltje dat aan de muur hing. Inderdaad. Belabberder kon niet. Hoe kreeg ik dit nog ongedaan gemaakt binnen tien minuten?
Op dat moment bonsde er een  student op de deur. Ik deed open. Hij droeg een wijde bontgekleurde broek met print. Een equivalent van de pyjamabroek. Maar het stond hem. Hij hijgde en zweette. In zijn hand een groot stuk ijzer. Om belabberden mee op het hoofd te slaan, natuurlijk.
Mijn probleem was opgelost.
Maar nee, het bleek een gigantische nietmachine. Hij vertelde in één adem dat hij zo naar een repetitie moest, of hij daarna nog even door mocht gaan met nieten.
‘Alsjeblieft. Nieten,’ fluisterde hij. Zijn ogen schoten paniekerig heen en weer onder zijn dikke krulpony.
Zo heeft iedereen wat, dacht ik.

Geen reacties


dinsdag 24 maart 2015

Kindheid

We zitten aan het ontbijt.
‘De geschiedenis van mijn kindheid’, zegt de vierjarige. ‘Is dat geen mooie titel?’
‘Daar kun jij ons nu nog niet veel over vertellen.’
‘Waarom niet?’
‘Jij bént nog een kind.’
‘Ik vind kindheid helemaal niet goed,’ zegt de negenjarige. ‘Kindheid wat is dat nou?’
‘De geschiedenis van mijn jeugd?’ zeg ik. ‘Is dat beter dan?’
Dat vindt zij veel beter, maar ik niet. Ik vind ‘kindheid’ juist wel aardig gekozen. Al maakt de spellingcontrole er steeds kindsheid van. De geschiedenis van mijn kindsheid. Dat is weer een heel ander verhaal. Ik zal  het zelf nooit kunnen vertellen.  Zij misschien wel. Dat wordt dan: ‘De geschiedenis van mijn moeders kindsheid.’
‘Jij vindt het lastig dat ik ouder word, hè?’ zegt de negenjarige dan, ‘je raakt de controle over mij steeds meer kwijt.’
Ik denk aan controle. En aan kwijtraken.

Geen reacties


zondag 22 maart 2015

Bezoek

We gingen op zaterdag bij elkaars ouders op bezoek, we bekeken elkaars dorp, ouderlijk huis. En al het andere wat je bekijkt zonder het erover te hebben. Zonder dat je het weet misschien.
Onze dorpen lagen een kilometer of zestig van elkaar of.
We waren een jaar of twintig bevriend en nu konden we elkaar ook ergens in de ruimte plaatsen. Wat me opviel, was de manier waarop we bij onze ouders naar binnen liepen. Zij liet me meteen het huis zien, de slaapkamers, de zolder, de kelder. Een fotoboek van hoe het vroeger was. Ik vroeg eerst om toestemming en sloeg sommige kamers over. Maar een paar uur later heeft ze alsnog alles gezien.

Geen reacties


vrijdag 20 maart 2015

Verduistering

Het was buiten en binnen onheilspellend donker en stil. Toch was het overdag. Ik zat achter mijn computer, maar kon nauwelijks de contouren van het scherm onderscheiden noch die van mezelf. Al brandden alle lampen. Ik zat in een horrorfilm zonder bedoeling. Zonder begin. Met allemaal losse eindjes. Ik tastte maar wat in het rond. Nergens een herkenningspunt. Tot ineens de vogels en masse begonnen te fluiten. Buiten was de verduistering voorbij.

Geen reacties


donderdag 19 maart 2015

Dichtbij

We staan op een breed trottoir in de Watergraafsmeer. De zon schijnt. Knoppen in de bomen. Ik haal mijn fiets van het slot. Hij vertelt over een vriend uit Libanon die zijn land is ontvlucht vanwege de Jihadisten en die nu ergens in een goedkoop bootje op zee zit met twee anderen. Op weg naar een Grieks eiland. Op weg naar Europa uiteindelijk. Ze hebben te weinig geld om smokkelaars te betalen en geen ervaring met het besturen van een boot.
‘Jee,’ zeg ik.
‘Dat is een heel andere wereld,’ zegt hij.
‘Nou.’
‘Misschien is hij op dit moment bezig met verdrinken,’ zegt hij.
‘Ja, terwijl wij hier gewoon staan.’
Voor ons een plantsoen met rozen. Een grasveld. Drie deuren verderop een raam dat uitbundig versierd is met blauwe slingers. Ik kan de naam van de pasgeborene net niet lezen.
‘Dan komt het wel dichtbij,’ zegt hij.

Geen reacties


woensdag 18 maart 2015

Onzin

s Avonds. We lezen het boekje ‘Allemaal onzin’ van Paul van Loon. Het gaat over een mannetje dat Onzin heet en dat ’s avonds op de slaapkamer van Vladimir verschijnt.
We komen te spreken over het woordje onzin.
‘Wat is onzin eigenlijk precies?’ vraagt ze.
‘Wat denk je?’
Ze zegt: ‘Een pratend bed is onzin.’
‘Ja.’
‘Een monster is onzin,’ zegt ze. ‘Want een monster bestaat niet echt.’
‘Klopt!’
‘Een dinosaurus is geen onzin,’ gaat ze door, ‘maar een prátende dinosaurus wel.’
Ik heb hier niets meer aan toe te voegen.

De volgende ochtend echter heeft Ami – de knuffel – een pony in haar haren geknipt.

( Echt waar! O! Jullie gelóven me niet, hè?)

Geen reacties


maandag 16 maart 2015

Tijd

Op zondag ging ik het huis uit, stapte in tram 26 en wandelde naar de Bijenkorf om een nieuwe wok te kopen. Op de heenweg zaten er twee blonde vrouwen met twee kinderen voor me, op de terugweg dezelfde vrouwen en kinderen, weer zat ik achter hen, zij óók met tassen van de Bijenkorf. Ik dacht dat zij misschien dachten dat ik hen bespioneerde. Al zou het ook andersom kunnen zijn.
Toen ik thuis vertrok lag de koortsige jongste te slapen op de bank, man zat ernaast achter zijn laptop, en de oudste was – samen met het buurmeisje – bezig met de voorbereidingen voor Koningsdag. Dassen breien, troep (spullen waar haar 5 jaar jongere zus nog vaak mee speelt) bij elkaar zoeken die ze wil verkopen. Het duurt nog hartstikke lang voor het zover is, heb ik natuurlijk gezegd. Het is pas half maart. Ze kan niet wachten. Zoals ze ook niet kan wachten tot ze jarig is in mei.
Ik kan wel wachten. Ik kan heel makkelijk wachten. Ik wou zelfs dat de tijd niet voorbijging. Dat het hier stopte. Ik denk dat ik niet nieuwsgierig ben naar wat er verder nog komt. Ik kan het uittekenen. Zo is het goed.
Maar toen ik terugkwam met een wok in een plastic tas zag ik het nieuwe, lege reuzenpapier op de kastdeur al hangen, de vakjes getekend tot zes juni. Bij de highlights een vlaggetje. Onze zelfgemaakte kalender die, na één vingerknip, alweer ingekleurd is tot beneden.

Geen reacties


woensdag 11 maart 2015

Nodig

De vierjarige zei dat ze me nodig had. Het was avond, ik lag, een beetje uitgeput, half op de bank, half op het tafeltje en las in een boek dat uit fragmenten bestond. Ik hou van fragmenten. Ik word er rustig van. De houtkachel brandde. Het was net na het eten. Ze kwam bovenop me liggen en zei het plompverloren: ‘Mama, ik heb je nodig.’
Ik legde het boek opzij en mijn armen om haar warme lijf. Zo lagen we een hele tijd. Doodstil. Tot man zei: ‘Wie wil er een toetje?”
‘Alleen als ik na het toetje nog even bij je mag liggen,’ fluisterde ze.
Ik bleef precies zo liggen als ik lag en las nog een fragment.
Na het toetje vlijde ze zich weer op mij.
Midden in de nacht kroop er een brandend kooltje in mijn bed.
Deze ochtend ligt ze in mijn werkkamer op een matras. My little pony op de Ipad. Ik denk dat ze nooit meer weggaat.

Geen reacties


dinsdag 10 maart 2015

Stommerdje

Ze noemde me ‘stommerdje’ toen ik haar van school gehaald had. Terwijl ik de fiets op slot zette, ging zij vlak voor de voordeur staan, duwde haar gebogen voorhoofd tegen de deurpost. De twee knotjes hingen scheef. Ze had vandaag Taekwondo gehad op school.
‘Noem jij mij stommerdje?’ zei ik tegen de rug.
Ik dacht aan gisteravond toen zij al even in bed lag, ik op de gang stond, ziek zwak en misselijk, en ze me plotseling, vanuit de donkerte van haar kamer, mededeelde dat ze het niet erg vond dat ik haar tas met volle broodtrommel die ochtend per ongeluk weer mee naar huis had genomen. Zodat ze tussen de middag niets had om te lunchen.
‘Dat vond ik helemaal niet erg hoor, mama.’
‘O, gelukkig.’

Geen reacties


zondag 08 maart 2015

Iedereen wilde een boek

De ochtend na het bal, een ochtend van zeer scherp en zonnig licht, liepen we over de markt op het Buikslotermeerplein. We kochten er biologische groente, biologisch vlees, interessant brood. En ik dacht aan de taxichauffeur die me ’s nachts had gezegd: ‘Toen ik je zag staan, wist ik dat je daar naartoe moest. Ik wist het gewoon.’ Ik dacht meteen: deze broek trek ik nooit maar dan ook nooit meer aan. Na vijf jaar hier  (op het eiland) wonen, begin je het aan me te zien.
In het winkelcentrum liepen we de boekhandel in. Er waren een aantal boeken die ik wilde kopen, er zijn altijd een aantal boeken die ik wil kopen. Maar de rij voor de kassa was echt extreem lang. Ik telde elf mensen voor me. Iedereen wilde een boek.
Er zijn nog genoeg ongelezen boeken in je huis, zei ik tegen mezelf, en de titel waarvoor je gekomen bent Voor altijd voor het laatst van Tjitske Jansen, ligt er niet bij. Het is zaak gefocust te blijven. Als je voor het ene komt, moet je je niet af laten leiden door het andere. Begrepen?
Ik begreep mezelf. Dus verliet ik de winkel onverrichter zake. Daarna gingen we naar het Kruidvat om luizenspul te kopen en dacht ik aan een luizenplaag op het boekenbal, al die hoofdjes zo dicht bij elkaar.

Geen reacties


donderdag 05 maart 2015

Vergeten

Ik was op de boekpresentatie van het boek dat Wim Brands samenstelde, De Nederlandse literatuur van de 21ste eeuw, de nieuwe schrijvers van het nieuwe millennium. Daarin was een stuk van Lastmens opgenomen. Dat is leuk. Al had ik liever een stuk uit mijn laatste boek daar zien staan. Maar het is niet mijn keuze natuurlijk.
Het was in de Tolhuistuin. Omdat ik iets later kwam, stond ik buiten te luisteren. Ik volgde het gebeuren door open deur en licht beslagen ramen. Een hok vol schrijvers en aanverwanten. Beangstigend veel, beangstigend dicht bij elkaar. Na het programma was het feestje. We hadden het over mensen waarmee je beter niet om kunt gaan, omdat je je aan ze gaat spiegelen. We hadden het over wie het met wie deed. Tjonge jonge, dacht ik. En: nou, nou.
We hadden het over de toekomst. Het vergeten worden. Je naam die nog weleens opduikt in obscure lijstjes. Veel later – toen ik het klappertanden niet meer kon stoppen – merkte ik pas dat ik tot op het bot koud geworden was. Het vuur in de vuurkorf was gedoofd nog voor het goed en wel gebrand had.
Toen ik vanmorgen de biografieën bekeek, bij mijn naam, zag ik dat De weg naar zee (2013) er niet bij stond.

Geen reacties


zondag 01 maart 2015

Dat jullie me zagen

Zondagochtend. We lezen kranten, de zon schijnt, de ontbijtspullen staan al uren op tafel. De zussen spelen met barbies op het kleed. Allebei apart. Een half uitgepakte koffer op de vloer. We zijn gisteravond teruggekomen van een paar dagen Vlieland.
‘Mag ik meespelen?’ vraagt het kleine zusje dan.
‘Nee!’
‘Mag ik even meespelen?’
‘Ik speel nu niet met jou.’
‘Heel even.’
‘Nee, ik wil niet met jou spelen.’
Het kleine zusje zet haar barbie recht voor de twee barbies die haar grote zus in haar hand heeft.
‘Alléén dat ik keek en dat jullie me zagen,’ zegt ze.

Geen reacties


vrijdag 27 februari 2015

Weer thuis

De dames van de notenwinkel in mijn oude buurt. Ik was hier inmiddels vijf jaar weg en herkende ze meteen bij binnenkomst. (Ik herinnerde me zelf nog het klemmen van de deur. Je moest er een bepaald duwtje tegenaan geven.) Hun haar was veel lichter. Ze waren van aubergine naar blond gegaan.
De dames gaven – zoals gewoonlijk – totaal geen sjoege. Dat was niet gek. Ze waren heel aardig, maar in de twaalf jaar dat ik bij hen kwam, hadden ze nooit blijk gegeven van enige herkenning. (Ik ben van naturen een afstandelijk type, maar aan die twee kan ik niet tippen.)
Het gekke was dat ik in die allereerste flits al zag dat ze dood waren. Er was iets in hen gestorven. De problemen die het leven met zich meebracht waren hen te veel geworden. Nu stonden er twee doden achter de toonbank.
Ik bestelde twee ons pecannoten. Omdat ik dat vroeger ook altijd kocht.
‘Hebben jullie geen brood meer?’ vroeg ik.
‘O nee, al járen niet meer,’ zei de ene.
‘Nee,’ zei de ander. ‘Anders nog iets?’
‘Nee,’ zei ik.

Geen reacties


maandag 23 februari 2015

Kindertijd

Om drie uur vanmiddag besteld en nog niet eens drie kwartier later viel Kindertijd van Nathalie Sarraute bij mij op de mat. Over de kindertijd van de schrijfster, opgetekend op drieëntachtigjarige leeftijd.
Ik zit naast het bad op een houten trapje. Het vierjarige meisje zit erin en speelt wat met een plastic paard.
‘Kom jij dan bij mij in de badkamer zitten, mama?’ had ze gevraagd.
Eerst ging ik voor de badkamer op de grond zitten.
‘Nee, er in,’ zei ze. ‘Met mij samen.’
‘Ja, dat is goed.’ Ik pakte Kindertijd op.
‘Dan kan ik jou vertellen wat ik vandaag allemaal precies gedaan heb!’
‘Ja, leuk.’ Ik liet het boek nog even op mijn schoot liggen. ‘Nou, wat heb je vandaag dan allemaal precies gedaan?’
Ze begon te vertellen dat ze een circus hadden gemaakt. Ze had de handstand en de radslag geoefend maar dat kon ze nog niet alleen. Ze had een boterham met appelstroop gegeten, eentje met plakjes worst en een cracker met smeerkaas. Ze had het meest van de tijd met T. gespeeld maar ook met N. en K. Ze had dit armbandje gemaakt dat nu om haar pols zat, dat zou ze er pas afhalen als ze negen was.

Het meisje zou later opschrijven dat ze, hoewel nog geen vijf jaar oud, zich ervan bewust was dat ze dóór moest praten omdat ze wist dat moeder, zodra ze stilviel, in het boek zou verdwijnen. Of erger nog: gewoon de badkamer uitliep.
De spiegels waren beslagen. De ruimte was mistig. Maar ze kon haar nog zo uittekenen. Het boek op schoot dat steeds heen en weer wiebelde omdat ze haar benen nooit stilhield. Moeder had weer zo’n rare knot bovenop haar hoofd, zoals elke avond. Ze glimlachte wel lief naar haar.

Geen reacties


zaterdag 21 februari 2015

Vragen

Deetje verkeert in de veronderstelling dat ze een onderbroek aan had toen ze geboren werd. (En dat haar vader een bloesje droeg toen hij ter wereld kwam.)
‘Nee, je had geen onderbroek aan,’ zeg ik.
‘O.’
‘Hoe moest die onderbroek nou in mijn buik terechtkomen?’ zeg ik. ‘Had ik die soms eerst in moeten slikken.’
‘Had jij mij wel eerst ingeslikt dan?’

‘Als je winkelmeneer of mevrouw wil worden,’ zegt Deetje, ‘hoe kom je dan aan alle spullen voor in je winkel? Hoe?’
‘Die moet je kopen bij de groothandel.’
‘Wat is dat?’
‘Ook een soort winkel.’
‘O,’ zegt ze. ‘Maar waar komen die spullen dan vandaan?’

Geen reacties


woensdag 18 februari 2015

Het geweldige aan het korte verhaal

Het geweldige aan het schrijven van een kort verhaal is dat het niet zo lang duurt als het schrijven van b.v. een korte roman.
Vóórdat je je eigen schrijfsel totaal af hebt kunnen fakkelen is het verhaal al af. Voordat je je zelfgecreëerde wereld spuugzat bent geworden, zit je alweer in een heel andere wereld. Met nieuwe perspectieven.
Het geweldige aan het schrijven van een kort verhaal is dat het meer aan de verbeelding overlaat, je meer uit kunt proberen, je wendbaarder bent, en vooral dat je veel kunt suggereren.
Je begint ergens halverwege, stopt halverwege en dan zoekt de lezer het maar uit. Of de lezer zoekt het niet uit.
Je zit niet ál te lang opgescheept met dezelfde figuren en hun (on)doorgrondelijke drijfveren. Dat is belangrijk, want je moet wel van ze blijven houden. Ook in een paar regels kun je een personage scheppen met een mogelijk verleden, heden en een toekomst. Voor de goede verstaander dan.
Het lezen vereist misschien meer concentratie, maar wat wil je als schrijver uiteindelijk anders dan een oplettende lezer?
Het geweldige aan het schrijven van een kort verhaal is dat je steeds opnieuw mag beginnen. Je hoeft die lange adem niet te hebben, je mag gewoon lekker kortademig zijn. Je hoeft je niet vast te houden aan één idee, maar mag je steeds in iets anders verdiepen.
Je gelooft in de woorden op je scherm. Op dat moment. Voor de tijd dat het duurt. Precies lang genoeg om de betovering niet te verbreken.
Het gaat om kleine, onderlinge samenhang. Je hoeft geen grote verbanden te leggen die er in de werkelijkheid ook niet zijn.

Daarnaast is het genre geknipt voor deze tijd.
Het geweldige aan het lezen van een kort verhaal is namelijk óók dat het niet zo lang duurt. Maar dat het bij een goed kort verhaal toch voelt alsof je een hele roman gelezen hebt. De verhalen van Alice Munro lezen stuk voor stuk als romans. De wereld die zij in twintig pagina’s weet op te roepen is vaak net zo groot en complex als een vuistdikke roman. Met dit verschil dat er geen woord teveel in staat, de spanningsboog nooit verslapt. Het stilistisch beter is. Compacter. Krachtiger.
Het geweldige aan het lezen van een korte verhalenbundel is dat je ze niet allemaal achter elkaar hoeft te lezen, maar dat het wel màg.
Een van de laatste bundels die ik las was Hier wonen ook mensen van Rob van Essen. Die verhalen kon ik niet wegleggen, letterlijk, op het laatst zat ik in het park het titelverhaal te lezen, het werd al donker, het begon te regenen, en ik bleef zitten.
De leeservaring veroorzaakte datgene waar al de personages volgens de achterflap naar op zoek waren. Geluk, verlossing, verlichting.
Het minder geweldige van het lezen – en soms ook van het schrijven – van het korte verhaal is misschien dat je meer wil. Door wil gaan. Niet halverwege wil stoppen. Maar dat is met alles wat goed is.
Kortom: ik zie alleen maar voordelen. Het enige jammere: dat niet iedereen die ziet.
Lezers bijvoorbeeld, boekhandelaren, uitgevers. Je raakt die dingen tot op heden aan de straatstenen niet kwijt.

Toen ik een tijd terug tegen mijn uitgever zei dat ik misschien een verhalenbundel wilde maken, antwoordde ze: ‘Dat gaan we nú niet doen, hè? Ik wil van jou eerst een lijvige roman.’
Ik begreep dat wel.
Al is een kort verhaal geen oefening voor het schrijven van een roman, geen opmaat naar meer, maar een kunstvorm op zichzelf. Ook dát ziet nog niet iedereen zo.
Het is wachten op de dag dat schrijvers voorstellen doen voor lijvige romans en dat uitgevers zeggen: ‘Dat gaan we nu niet doen, hè? Ik wil van jou eerst een bundel met korte verhalen.’
Een soortgelijk proces moet met de lezers geschieden.
Dan zijn we er. Wat het korte verhaal in Nederland betreft.

Geen reacties


dinsdag 17 februari 2015

Bewijs

Ook vandaag komt er hoog gegil van boven zodra Jeetje na school haar slaapkamer betreedt. De playmobil staat alweer heel ergens anders. Vandaag is het zwangere poppetje aan de wandel geweest.
Kom nu kijken! Het is echt waar.
Ik kom pas als ze is bevallen, roep ik, als de plastic buik weg is en het truitje los om haar lijf hangt.
Ook de schoonmaker zegt dat het hier spookt. De brievenbus kleppert zonder reden. Hij hoort voetstappen op de trap als er niemand thuis is.
Het is een nieuwbouwhuis, er zit geen ziel in, zeg ik, hier gebeurt niks.
Hoe weet jij dat zo zeker?’
Spoken bestaan niet, zeg ik, alleen in je hoofd kan het spoken.
Heb jij daar bewijs voor?

Geen reacties


maandag 16 februari 2015

Rustpunt

We liepen de gang van het hotel in waar de eerste J.M.A Biesheuvel-prijsuitreiking zou plaatsvinden. De muren en de vloeren waren bekleed met rood-wit-zwarte motieven die allemaal tegelijk op me afkwamen. Hier krijg ik epilepsie van, dacht ik. En meteen begonnen er mensen te vallen. Een oude man viel recht in onze armen. Kort na hem stortte er een jonge vrouw neer. Wie er op die plek – de overgang van normale wereld, naar hotelgang – nog meer gevallen is, weet ik niet. We waren inmiddels doorgelopen.
Maarten Biesheuvel en zijn vrouw zaten vooraan in de zaal, de mensen waren binnengestroomd, de temperatuur liep op. Het programma begon.
Voor mij een golvende zee van rechte ruggen en hoofden. In mijn tasje had ik twee opgevouwen a-viertjes. Ik werd al aangekondigd. Door een speling van het lot, er was een schrijver geveld door griep, was ik degene die daar over enkele ogenblikken een ode aan het korte verhaal zou staan brengen. Mijn enige zorg: hoe daar terecht te komen.

Geen reacties


vrijdag 13 februari 2015

Alleen in het bos

De dames staan in de beslagen douchecabine en ik loop over de gang heen en weer met armen was, zoals dat hoort.
‘Ik tover dadelijk dat jij in je blootje in het bos staat,’ hoor ik Jeetje (9) zeggen. En dan op barse toon: ‘Helemaal alleen! En het is donker in het bos. Wil je dat?’
Ik kan niet horen wat Deetje (4) zegt.
‘Oké dan ga ik je NU wegtoveren. Echt, hè? Het water wordt steeds kouder, voel je dat al. Voel je het? Als het helemaal koud is, ben je niet meer hier.’
Ze praat net zolang door tot Deetje het uitschreeuwt van angst en ik de was meteen laat vallen. In een hoekje van de douche tref ik haar aan. Ineengekrompen. Haar armen over haar knieën. Hoofd op haar schoot. Het koude water valt op haar rug. Haar grote zus staat er rechtop naast, glimlachend.
‘Geloof je nu wèl dat ik kan toveren?’ vraagt ze.

Geen reacties


woensdag 11 februari 2015

Vertrouwen

We waren op de terugweg, het was al donker, we luisterden naar de radio, de meisjes op de achterbank sliepen nog voor we de snelweg opgedraaid waren. Ze zakten scheef in hun kinderstoelen, hun kaken vielen open, armen wijd. De neergeschoten strijdsters. Straks zouden we ze hun huis binnendragen.
Ik dacht terug aan mezelf als kind met de eeuwige open ogen op de achterbank. Priemend, prikkend. Wakker blijven, was mijn motto. Nooit je ogen dichtdoen waar ze bij zijn. Slapen is een zwakte. Daar moet je niet in het openbaar aan toegeven.
Hierna moet ik in slaap gevallen zijn. De radio op de achtergrond, man achter het stuur, kinderen zachtjes ademend. De enige wereld waar ik zelf niet bij ben om het op te kunnen schrijven.

Geen reacties


dinsdag 10 februari 2015

e/v

Ik was bij het stadsdeelkantoor voor het verlengen van mijn paspoort. De man achter de balie vroeg: ‘Moet e/v Hendriksen er nog bij staan?’
‘Eh?’
‘E/v Hendriksen kan ook weg,’ zei hij. ‘Uw paspoort is tien jaar geldig.’ De man lachte.
‘Nee, hij mag wel blijven,’ zei ik.
Zo werd mijn identiteit en mijn huwelijk in één klap met tien jaar verlengd. Het kostte zesenzestig euro en zestig cent. Om het te vieren kocht ik twee kleine speltbroden en een zak mini-cakejes.
Ook schreef ik de Hendriksen in kwestie: ‘Weer voor tien jaar met je getrouwd.’
Meteen kreeg ik een berichtje terug: ‘Mijn hemel.’

Geen reacties


vrijdag 06 februari 2015

Donker

In een interview met Michel Faber in NRC vandaag, las ik over instinctief schrijven.
Hij zei: ‘In dit boek wilde ik kijken wat er zou gebeuren wanneer ik de duisternis zou betreden, zonder te weten waar ik zou uitkomen. Natuurlijk vormde ik het verhaal zelf terwijl ik schreef, maar ik wilde mezelf verbazen, gedesoriënteerd raken. De reis van Peter naar een totaal onbekend gebied was voor mij een goede manier om dat te doen.’

In Briefroman van Juli Zeh stond: ‘Plotseling is er er een gebiedende stem uit het inwendige pikkedonker van je eigen persoon, die zegt: Maak er wat van. Je begint te schrijven, uiterst vrijblijvend nog; het hoeft niet gelezen te worden, het gaat niemand iets aan. (…) (Het belandt in een la)
En dan kan het zomaar gebeuren dat je niet meer kunt stoppen. Omdat je het landschap dat zich bij het schrijven voor je ontvouwt niet meer wil verlaten. Omdat de taal begint te blinken en klinken en de juiste soundtrack biedt onder de beelden die aan je geestesoog voorbij trekken.’

Geen reacties


woensdag 04 februari 2015

Hij en ik

De bel ging. Ik wist het. Ze zouden, tussen zo en zo laat, mijn nieuwe telefoon brengen. Ik rende van de derde verdieping naar beneden. Op mijn sokken. Voor ik halverwege was, ging de bel weer. Degene die met mijn nieuwe telefoon aan de deur stond, drukte nu erg hard en erg lang.
Het sneeuwde zag ik. Misschien vandaar. Ik deed open,  meteen stapte er een jongeman mijn halletje in en trok de deur achter zich dicht.
‘Kom binnen,’ zei ik. ‘O, je bent al binnen’
‘Het is koud.’
Daar stonden hij en ik samen in de kleine ruimte gepropt. Hij had typische, lichtgele ogen. Al zijn gele ogen geen bewijs van iets.
Hij vroeg naar mijn identiteitsbewijs. Zijn taal was uiterst voorkomend en beleefd. Maar ik zou het niet vreemd vinden als hij even snel achter me langs zou glippen om aan mijn aanrecht een boterham te smeren. Vanwege honger. Het paspoort dat ik hem gaf was één maand verlopen.
‘Uw rijbewijs dan?’
‘Heb ik niet.’
‘U krijgt de telefoon niet,’ zei hij.
‘Ik hoef die telefoon ook niet meer,’ zei ik. ‘Ik hoefde sowieso geen telefoon.’
De jongeman verdween weer uit mijn leven zonder een nieuwe telefoon gebracht te hebben maar ook zonder een boterham te hebben gepakt.

Geen reacties


zaterdag 31 januari 2015

Rolverdeling

We zitten op de fiets naar de theaterles. Deetje van vier voorop en haar vriend van vijf achterop. Ze moeten naar elkaar schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Hij heeft het over trouwen later. Hij heeft al twee meisjes en een jongen op het oog.
‘O,’ roept Deetje. ‘En wèlke meisjes precies?’
Hij noemt eerst Deetjes naam en daarna de twee anderen. En nee, hij zou niet alleen met Deetje zijn leven willen delen. Het is veel gezelliger met drie mensen te trouwen en met z’n allen in een huis te wonen.
‘Dan moet jij een heel groot huis hebben,’ zeg ik tegen hem.
‘Nee, ik moet een heel groot huis hebben,’ zegt Deetje meteen.
‘Precies!’ zeg ik.
‘Ja, en dan gaan we élke dag friet eten, pizza en pannenkoeken,’ gaat ze door.
‘En chips eten bij de borrel,’ zegt haar vriend. ‘Heel veel chips.’
Dat vindt Deetje allemaal prima klinken.
‘Gaan jullie alleen maar eten later?’ vraag ik.
Nee, ze gaan ook spelen, vertelt Deetje.
‘Wij niet, Deetje.’ Haar aanstaande corrigeert haar. ‘Onze báby’s gaan dan spelen. We krijgen twee baby’s toch?’
‘Jij niet,’ zegt Deetje. ‘Ik.’
‘De twee meisjes krijgen allebei een baby,’ zegt hij.
‘Maar de baby is dan niet alléén van mij hoor,’ zegt Deetje, ‘de baby is óók van jou.’
De toekomst is uitgestippeld als we bij de theaterschool aankomen.

Geen reacties


donderdag 29 januari 2015

Nieuw

In de tussentijd is er het één en ander gebeurd op schrijfgebied. Ik heb weer iets opzij gelegd, iets anders opgepakt. Dezelfde poppetjes, nieuwe opstelling.
‘Elke keer als ik jou spreek, ben je aan iets nieuws begonnen,’ zei een collega met wie ik vanmorgen koffie dronk.
Het klonk weinig geruststellend. Al was het intussen behoorlijk lang geleden dat ik hem voor het laatst sprak.

Geen reacties


maandag 26 januari 2015

Verwaterd

Zondagochtend waren we in een zwembad in Duitsland ter ere van mijn moeders verjaardag. Iedereen zwom of dobberde wat rond. Ik liet mij steeds heel snel onder water zakken om dan weer terug naar de oppervlakte te drijven, een keer of twintig/dertig achter elkaar, als een klein kind, totdat ik oog in oog kwam te staan met een vriendin van een jaar of tien geleden. Eén keer per twee jaar sturen we nog een app-bericht. Ik weet niet hoe het zo gekomen is. Ze zit nog wel in mijn systeem. Ik heb van haar bijvoorbeeld een fijn recept van kip, met ketjap, knoflook, ui, sperziebonen en ananas. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat ik dit gerecht de laatste jaren nooit meer gemaakt heb. Wel heb ik haar laatst tevergeefs opgezocht op Facebook.
Nu stonden we tegenover elkaar in het water. Rode chloorogen.
‘Iemand tegenkomen in je badpak,’ zei ze.
‘Erger kan niet, hè?’ zei ik.
‘Nee.’
We vertelden aan onze kinderen wie deze mevrouw was, maar dat konden zowel de hare als de mijne niets schelen.
‘Kinderen vinden het totaal niet interessant om te weten dat hun ouders hiervoor ook nog een leven hebben gehad,’ zei ze.
‘Nee,’ zei ik.
‘Wie gaat er het eerste uit het water?’ vroeg ze.

Geen reacties


vrijdag 23 januari 2015

Daar gaan ze

Ik kom binnen om de muziek uit te zetten. De laatste klanken van White Flag, daarna Alors on Danse. De muziekboxjes staan naast de uitgestalde playmobil in een verlaten kinderkamer. Het meisje van negeneneenhalf is net vertrokken naar een discofeestje dat tot 21.00 u duurt. Ik heb haar haren getoupeerd. Witte ogenschaduw heeft ze op. Haar vriendinnetje is haar op komen halen.
‘Veel plezier,’ zei ik bij de deur. Ze verdwenen in het donker.

Geen reacties


woensdag 21 januari 2015

Alles

We fietsten door de nachtelijke stad. We kwamen terug van een etentje waar schaamteloze gesprekken waren gevoerd. Dat vind ik sowieso interessant, maar het was ook een opluchting. Het werkt voor mij zelfs al bevrijdend iemand te horen praten die zich niet of nauwelijks lijkt te schamen. Alsof ineens alles mogelijk is. De wereld wordt groter. Speelser. Luchtiger.
Het laatste afgelegen stuk fietste ik alleen. Het mistte.
Ik dacht steeds: als ik nu word aangevallen, heb ik mijn laptop bij me. Heb ik mijn laptop bij me. Alsof dat alles was, wat er was.
Mijn laptop en ik kwamen heelhuids thuis aan. Ergens onderweg moet ik wel zodanig onderkoeld zijn geraakt dat het uren en nog eens uren duurde voordat ik kon slapen. Ook al droeg ik een joggingpak, gebreide trui, sokken en beenwarmers.

Geen reacties


maandag 19 januari 2015

Zicht

De nevel is te dik vandaag. Het blijft een uitzichtloze situatie. Aan het eind van de dag, vlak voor etenstijd, ren ik de mist in. Ik verdwijn uit beeld. En keer ook weer terug uit die spookwereld.
‘Ik wil iets kijken,’ zegt Deetje zodra ik binnenkom.
‘Ik wil niets kijken,’ zegt haar vriendje.
‘Ik wil wél iets kijken.’
‘Ik wil niets kijken,’ zeg hij.
En zo zitten we in een impasse.

Geen reacties


zaterdag 17 januari 2015

Eerste les

‘Wie weet wat theater is?’ vroeg de toneeldocente.
De kleuters zaten in een kring om haar heen, op gekleurde kussentjes. Er was één leeg rood kussentje. Mijn kleuter zat nog aan de kant, tussen mijn benen.
‘Jullie worden iemand anders dan jezelf,’ zei de theaterdocente.
De kleuters fronsten hun wenkbrauwen.
‘Dat is the-ater,’ zei ze iets harder. ‘To-neel. Heel Iemand Anders Worden.’
Daarna noemden ze de namen op en mochten de kleuters één voor één naar voren komen. Ze plakte een sticker met naam op hun trui. Mijn kleuter weigerde de sticker.
‘Zo,’ zei de toneeldocente, ‘nu weet ik hoe jullie heten en dan kunnen jullie óók zien hoe de andere kinderen heten.’
Dit kan nog wel eens een héél ingewikkelde cursus worden, zag ik de vier- en vijfjarigen denken.

Geen reacties


donderdag 15 januari 2015

Vrijheid (234)

Welgeteld één keer werd ik ‘bedreigd’ om een blog. Een stel uit de straat stond op een avond voor mijn deur. Ik was van plan het stukje ook als column te gebruiken voor het buurtkrantje, maar mij werd te verstaan gegeven dat ik dát niet moest proberen. Ook eisten ze dat de gewraakte tekst binnen nu en morgen van de site gehaald werd. Want anders…
Nou, dat was wat zeg. Wat ik schreef dééd er echt toe. Het voorval gaf twee weken lang reuring in mijn naaste omgeving. Ik herinner me de zwoele avonden waarop we met z’n allen buiten stonden, met bier en wijn, en de vijand analyseerden. Niets zo gezellig als een gezamenlijke vijand. Een enkeling zei dat ik me niet moest laten tegenhouden door een bedreiging. De meesten waren van mening dat ik de column beter niet kon plaatsen. Waarom zou ik gezeik willen? De kinderen in gevaar brengen? Ja, in die termen spraken we er over.
Maar na verloop van tijd was de lol er af. Ik schreef een andere column. De vijand verhuisde. Niemand reageerde nog op mijn stukken.

Geen reacties


dinsdag 13 januari 2015

Loslaten

Het was vijf voor drie en ik moest mijn stoel nu echt naar achteren schuiven. De werkdag zat er al op terwijl die net begonnen was. Door de motregen rende ik naar de basisschool. De juf in de deuropening was bijna al haar kleuters al kwijt, maar mijn vierjarige stond nog braaf te wachten achter haar rug. Mijn negenjarige voegde zich bij ons. We liepen terug naar huis, ze gaven me – synchroon – een gedetailleerd verslag van hun dag, en ik had het idee dadelijk nog wel even te kunnen werken.

Geen reacties


zaterdag 10 januari 2015

Vrijheid

Mijn mening hou ik vaak ‘wijselijk’ voor me. Terwijl dat helemaal nooit nodig blijkt te zijn. Ik mag alles zeggen.

1 reactie


donderdag 08 januari 2015

Iedereen

Voor negenen in een stille supermarkt. In de rekken zwarte kranten met witte koppen: ‘Bloedige aanslag op onze vrijheid’ en ‘Aanval op de democratie’. Ik loop het rek snel voorbij, vul mijn winkelmandje met de ingrediënten voor de tajine-maaltijd van vanavond en ga naar de kassa. Achter mij legt een moslima drie broden op de band en een pak melk. Ik leg het balkje tussen ons in om de grenzen tussen mijn en haar boodschappen te markeren. Ze is tenger, bleek en staart naar de tegelvloer. Ik weet niet of ze altijd zo schuchter is? Ik ben blij dat ik haar nu niet ben, dat weet ik wel.
In de media gaat alweer over wij tegen zij. En zij hoort dan bij zij. Ik bij wij. Dat heb ik toch liever.
Al hebben deze vrouw en ik er net zo weinig mee te maken. Of veel.
Al bestaat er geen wij en geen zij. Ergens las ik: het gaat om iedereen tegen bijna niemand. Dat is belangrijk om te onthouden.

Geen reacties


dinsdag 06 januari 2015

Klagen

‘Waarom steken mensen vuurwerk af?’ vraagt Fabio. ‘Snap jij dat nou, Elkie? Ze steken vuurwerk af. En dan gebeuren er ongelukken, ze verliezen hun hand of hun oog, en dan gaan ze klagen. En maar klagen.’
‘Mensen vinden vuurwerk leuk.’
‘Ik ben heel bang voor de knallen,’ zegt hij. ‘Ik lag al om elf uur in bed.’
‘Dus jij hebt niet gefeest?’
‘Het is geen tijd voor feest, Elkie.’ Hij kijkt me aan. ‘En ik hou ook niet van feest.’
‘Jij bent geen feestbeest.’
‘Nee,’ zegt Fabio. ‘Ik snap het niet. Mensen gebruiken alcohol, ze roken, ze eten veel te vet. Waarom doen ze dat?’
‘Mensen willen uit hun dak gaan.’
‘Ja en dan worden ze ziek, en dan gaan ze weer klagen.’
‘Mensen klagen ook graag.’
Ik mag klagen,’ zegt hij, ‘En jij ook, Elkie. Wij doen niks verkeerds en als je dan iets overkomt màg je klagen. Dan kun je er zelf niks aan doen.’
‘Ja,’ zeg ik braaf. ‘Wij doen niks verkeerds. Wij mogen klagen.’

Geen reacties


maandag 05 januari 2015

Echt

Ik lees Minoes voor aan Deetje. In de kerstvakantie hebben we Minoes als film bekeken en daarna Minoes de musical gezien. Terwijl ik voorlees, zegt ze dialogen die gaan komen letterlijk op.
‘Hoe wéét jij dat?’ vraag ik.
‘Dat zei ze in het echt toch ook?’ zei Deetje.
‘In het écht?’
‘Ja, in het echt,’ zei ze. ‘In het theater.’
In dezen heeft de musical dus gewonnen van film en boek kwa ‘echtheid.’ En dat is heel wat.
Ikzelf herken ook enkele dialogen die zowel in de film als in de musical zijn overgenomen. Dat waren ook goede dialogen. Dus het is goed dat dat letterlijk wordt gebruikt.
In een film die naar aanleiding van een verhaal van mij gemaakt werd, kwam een scène voor met een zeer krukkige dialoog. Als ze die dialoog gewoon uit mijn verhaal overgenomen hadden, was het honderd keer beter geweest. Maar dat deden ze niet

Geen reacties


vrijdag 02 januari 2015

Keuze

Het is de tweede dag van 2015, 16.05 u en ik heb even tijd voor mezelf, ik wil even lezen in mijn nieuwe stoel (ben bezig in De Mislukkingskunstenaar maar ik wil ook in Het boek van de Tao en de innerlijke kracht beginnen) , ik wil even rennen, of misschien is dat eerder moeten, ik wil even slapen, nee, ik wil even bij iemand op bezoek gaan, ook wil ik even in de laatste Agnes B. sale kijken, ik wil even borrelen met mensen met wie ik dit jaar nog niet geborreld heb, ik wil gewoon even van het eiland af, nee, ik wil even schrijven, even verifiëren of dat eureka-idee dat ik had vlak voor de kerstvakantie begon nog altijd goed is -ja ik wil even schrijven, of nee, nu even nog niet denk ik.

Geen reacties


maandag 29 december 2014

Herinnering

Op zondag – ik ben op dat moment boodschappen aan het doen bij de Vomar – herinner ik me ineens de moeder van een ex-vriendje in een negentiende eeuws pand aan een Utrechtse gracht. Hoe ze tegenover me stond. Zij: lang en statig en ik: klein en van provinciale afkomst.
Mijn vriendin en ik logeerden dat weekend in het ouderlijk huis van die jongen. Ik weet niet meer waarom. We waren alledrie begonnen met de (oerstomme) lerarenopleiding Nederlands in Nijmegen en hadden elkaar zo leren kennen.
Tijdens die logeerpartij werden we door zijn moeder ingewijd in een familiegeheim: Hema-taart in een doos van een dure banketbakkerij stoppen.
‘Niemand die het merkt,’ zei ze. Ik herinner me de triomfantelijke blik waarmee ze het vertelde. Ook weet ik nog wat ik dacht.
Ze had meer op met mijn dartele vriendin dan met mij. Wat logisch was. Ik was donker, zwijgzaam en onuitstaanbaar schuchter. Zij was licht, open en buitengewoon spontaan.
Ze gaf mijn vriendin haar oude hippie-kleren om te passen. ‘Het is meer iets voor haar dan voor jou,’ zei ze en glimlachte. Dat had die moeder heel goed gezien.

Geen reacties


zaterdag 27 december 2014

Kerstdag 2

Op tweede kerstdag bezochten we het Maasziekenhuis te Boxmeer. Op een paar ambulances na was het parkeerterrein leeg. We parkeerden de auto naast het bord Mortuarium en spoedden ons naar de voorkant van het gebouw. Naar de spoedeisende hulp. Man droeg de vierjarige voorzichtig naar binnen.
‘Het ruikt hier naar gebakken vis,’ zei een oude man zodra we in de wachtkamer zaten. Hij begon te snuiven. Om ons heen hing een loodzware walm van gebraden vlees en vis.
De vierjarige zat doodstil en lijkbleek op schoot bij man. De oude man keek angstig naar de rode vlekken op haar gezicht.
‘Dat is ketchup,’ zei man kortaf.
‘O zo,’ zei de oude man.

Geen reacties


maandag 22 december 2014

For sale roze jas never worn

Onderweg naar de De La Mar, we hadden nog een kwartier, kocht ik plots een lange, roze jas. In de aanbieding. Oud-Roze, zei ik tegen mezelf. Dat is mooi. Een keer iets anders. Geen geld voor zo’n jas.
‘De jas dóét echt iets voor je,’ zei de verkoopster. ‘Zie je dat?’
‘Ja,’ zei ik.
Ik keek in de spiegel en dacht steeds aan mijn roze zachte badjas van weleer. Ook zag ik een reuzenbig. Maar dat was vast flauw.
‘Als ik die jas aantrek ben ik net een Barbie,’ zei de verkoopster. ‘Maar jij helemaal niet.’
‘O, is het een Barbie-jas?’
‘Het komt alleen omdat ik blond ben,’ zei ze.
Ik pakte een bordeauxrode jas uit het rek, drie keer zo duur. De snit van een poncho.
‘Tja, deze jas doet dus niets voor je.’
‘Maar u ziet toch zeker wel aan mij dat ik nooit roze jassen draag?’
‘Des te leuker. Toch?’
‘Ik heb nog nooit aan een roze jas gedacht.’
‘Precies daarom juist,’ zei ze.
Toen moest mijn vierjarige heel nodig poepen.

Geen reacties


donderdag 18 december 2014

Goed materiaal

We hadden alledrie een schaal in onze hand en liepen er voorzichtig mee over het trottoir. Uit alle deuren kwamen ouders en kinderen met schalen die  bedekt waren met zilverfolie. Ze trokken door het donker in de richting van de school. Naar het kerstdiner. De negenjarige nam gehaktballetjes mee die de avond ervoor door man waren gemaakt. En ik bakte die middag kerstkransjes voor de vierjarige. Het moest niet moeilijk zijn. Ze zagen er ook perfect uit. Maar als je die dingen ook maar een paar minuten te laat uit de oven haalt, is het gedaan met de smaak. Ze waren donkerbruin. Ook een gouden lintje er om, maakte ze niet eetbaar.
Veel ouders gingen borrelen in de aula van de school, maar ik verliet het eiland om te gaan lesgeven elders in de stad. De cursisten hadden een kerst uit hun jeugd beschreven. Overal was het een ellendige, bedrukkende, verstikkende en anders wel een dwangmatig gezellige bedoening.

Geen reacties


woensdag 17 december 2014

Licht

Het lijkt nog middenin de nacht. Maar het is ochtend. De blonde en de brunette dansen op I want to break free vlak voor de kerstboom met gekleurde flikkerende lichtjes en nieuwe rode ballen. Ik dek de ontbijttafel af en zet de afwasmachine aan. Na I want to break free jaag ik ze naar boven voor de rituele gevechten bij de wastafel, het haren kammen, tandenpoetsen.
Buiten lopen we alledrie gebogen tegen wind en regen in. Hand in hand. Steeds krommer. Op deze manier proberen we ónder de donkerte door te lopen. De duisternis handig te ontwijken.

Geen reacties


dinsdag 16 december 2014

Waarheid

Toen ik terugkwam van het rennen, vertelde Fabio me dat ik de waarheid moest gaan zoeken. Geen fictie. Hij begon over de nieuwe wereldorde. De Illuminaten. Een geïmplanteerde chip die ons altijd en overal kan identificeren. Hij noemde het getal zes-zes-zes en een openbaring in de bijbel.
Fabio stond net te dichtbij. Hij zei: ‘de waarheid is ergens’. De plus glazen in zijn bril maakten zijn ogen buitenaards groot. Ik deed een stapje naar achteren, hij weer één naar voren.
‘Het gebeurt toch soms dat je verhalen waarheid worden,’ zei hij, ‘of niet dan?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Wil je nog muziek vandaag?’
‘Sky radio,’ zei hij, ‘of 100 % NL.’
Ik zocht 100% NL voor hem op de radio en verdween naar mijn werkkamer: ‘Jij moet zoeken naar de waarheid. Anders is alles zinloos,’ riep hij me na.

Geen reacties


zaterdag 13 december 2014

Verbinding

Er is hier in huis iets mis met de verbinding. De muziek valt bijvoorbeeld steeds weg. De negenjarige kijkt op youtube naar de tovertruc om van twee gebroken touwtjes weer één touwtje te maken. Maar ook de uitleg wordt steeds onderbroken. Vannacht fietste ik kei hard heen en weer door de nacht en dronk gin-tonics bij de jarige uitgeverij. Een imposant feest. Ik stond met mijn gin-tonic onderaan de trap toen Remco Campert met een heel grijs gevolg naar beneden kwam en het pand verliet. Daar keek ik naar. Dat was een mooi beeld. Misschien voelde ik op moment iets van verbondenheid.

Geen reacties


donderdag 11 december 2014

Herinnering

Ze stond doodstil op straat toen ik eraan kwam gefietst. Een weifelende postbode in een beige pak met oranje manchetten. In het oog van de storm. Ze was lang, droeg een gele muts en in haar hand een paar kleine pakketjes die voor mij zouden kunnen zijn maar het niet waren, want ze was bezig met oversteken. Ik keek kort in haar groene waterige ogen. Zij in de mijne.
Er lag niets op de mat toen ik binnenkwam. Ik verwachtte ook geen pakketjes. Wel zou ik graag weer eens een echte handgeschreven brief van vijf of zes kantjes ontvangen. Ik bedenk nu dat de laatste echte brief die ik ontving nog niet eens van zo heel lang geleden is. Via de uitgeverij belandde hij op mijn mat. Het was een prachtige, goed geschreven brief van een oudere man die van mijn schrijven hield en hij legde uit waarom en hij wachtte op meer. Ik heb ‘m heel vaak gelezen maar voor ik terug kon schrijven was de brief al verdwenen.

Geen reacties


dinsdag 09 december 2014

Buiten

Met mijn rugzak vol boodschappen, een prei stak uit, fietste ik vanmiddag de school voorbij waar de meisjes op dat moment waren. Ik wist achter welke ramen ze zich zouden moeten bevinden, de blonde en de donkere, maar ik zag ze niet.
Een gigantisch gebouw en er keek niemand naar buiten.
Het was koud, mijn vingers rood en droog, en ik dacht aan toen ik vroeger zelf op de basisschool zat en dat ik me daar nu nog zo verrekte weinig van herinner. Behalve het naar buiten kijken.

Geen reacties


maandag 08 december 2014

Identiteitsverwisseling

Op een ochtend was ik in een mistig bos met open plekken. In het struikgewas hield zich een merkwaardig beest verborgen. Een mythisch wezen. Het was een kruising tussen een neushoorn en een enorm varken. Met vieze oudroze vellen. Het was een loeder. Het wilde daar blijven zitten.
Toch riep ik het.
Het volgende moment was ik dat beest. Ik sjouwde met het beest om me heen door het bos. De open plekken waren verdwenen. Er was nauwelijks nog licht. Ik ging op zoek naar een betere plek. Maar die kon ik niet vinden. Ik moest op de een of andere manier van het beest af zien te komen zonder mezelf erbij weg te doen.

Geen reacties


zondag 07 december 2014

Hecht

Het was zondag. We ruimden op. Ik ben niet dol op opruimen maar wel heel erg fijn vind ik het om dingen weg te gooien. Als ik in een bepaalde bui ben, kan ik alles wegdoen. Het is simpeler dan ordenen. Ik hecht aan niets, behalve dan toch aan de navelstreng van de jongste, heb ik net gemerkt.
Of is die streng van mij? In elk geval het inmiddels half vergane zwart geworden stukje vlees waarmee we viereneenhalf jaar geleden nog aan elkaar vast zaten, lag in een plastic bak met oude sleutels, paperclips, knikkers, pasfoto’s en haarspeldjes. Versteend. Aan een witte knijper.
De bak lag al in de vuilniszak, nu alleen de streng nog.
Weer hoorde ik de woorden van de verpleegkundige: ‘Als je kind ziek wordt, kan dit levensreddend zijn. Hier zitten stamcellen in.’
De navelstreng van de oudste bewaarde ik in mijn sieradenkistje. Ik heb er al eens over geschreven. De vreselijke geur toen ik het kistje eens opendeed, de krioelende maden. Die navelstreng was weer gaan leven. En ik moest hem wel weggooien.
Ik kan deze ook net zo goed weg flikkeren. Later wil ze hem ook vast niet hebben. Als leuk rekwisiet.
Maar in plaats daarvan deed ik er een boterhamzakje om.

Geen reacties


vrijdag 05 december 2014

Identiteit

De hele school zat buiten te wachten tot de Sint op het schoolplein arriveerde, en jawel: hij arriveerde! Sinterklaas, Opa Piet, Blauwe Piet, Clown Piet en Roet Piet. De kinderen scandeerden dit jaar niet massaal Sinterklaas! Sinterklaas! Sinterklaas! Maar riepen en masse: Opa Piet! Opa Piet! Opa Piet! Het vreemde nu was dat de Sint gespeeld werd door Peter Faber die in het echt opa Piet is. Dus daar stond Sinterklaas die Opa Piet was, midden op het schoolplein te kijken en te luisteren naar zijn eigen enorme succes. Het kon allemaal. Volgens mij hebben we er een nieuw icoon bij.

Geen reacties


woensdag 03 december 2014

De dag begon

In de ochtend hoorde ik wel heel droevige operamuziek van beneden komen. Ik kleedde me aan, buiten was alles grijs, koud, de blaadjes zaten niet meer aan de bomen, de meisjes waren net naar school vertrokken, ik dacht aan een aflevering op tv waarin een zieke moeder afscheid nam van haar zoontje, de column die ik las over de dood van een hond en een man die bezig was zijn gezin te verlaten.
‘Hee! Is dit soms een requiem?’ riep ik toen naar beneden.
‘Nee, dit gaat over Orpheus en Eurydice,’ riep hij.
‘Kan er geen vrolijker muziekje op?’
‘Dit is heel mooi toch?’
‘Ja, maar de dag moet nog beginnen.’
Even later zei hij: ‘O ja, dit is de afscheidsscène.’
‘Ik wil een ander deuntje.’
Hij riep: ‘Ik neem de Ipad mee dus dan houdt de muziek vanzelf op.’
Even later hoorde ik ‘daag’ en de voordeur knalde dicht. Het was heel stil in huis.

Geen reacties


dinsdag 02 december 2014

Kompas

‘Ik ben verdwaald, Elkie,’ zegt Fabio.
‘O, maar dat ben ik ook,’ zeg ik. ‘Wie niet?’
De schoonmaker kijkt me aan vanachter zijn beslagen brillenglazen. Hij denkt iets, maar ik weet niet wat. Een kort moment staan we zo tegenover elkaar in de keuken. De verdwaalden. We weten niet wat de ander denkt. We zouden het kunnen vragen misschien?
Hij poetst zijn bril op en zegt dat het koud is in Nederland, dat het nog veel kouder wordt. Hij is een paar maanden geleden uit Brazilië weggegaan en nu wil hij terug. Maar als hij daar is, wil hij terug naar hier. Hij weet niet wat het beste is. Ik draai me om en loop op kousenvoeten de trap op, naar mijn werkkamer.

Geen reacties


maandag 01 december 2014

Moeder hield vol

Het was de hele dag hommeles in huize H. De zusters hadden naar elkaar geschreeuwd, gescholden, er was geduwd, geknepen en soms vielen er klappen. ’s Avonds mochten ze de schoen van mij niet zetten. De negenjarige kon dit absoluut niet verkroppen.
‘Dit is de consequentie van je gedrag,’ zei ik.
‘Ja, maar ik wist niet dat je het méénde,’ schreeuwde ze.
‘Dacht je dat ik zomaar wat zei?’
‘Als jij iets zegt, doe je het toch nooit! NOOIT DOE JE WAT JE ZEGT.’
‘Precies,’ zei ik, ‘En als ik nu wéér niet doe wat ik zeg, heb je gelijk.’
Ik zag dat ze spijt had van haar eigen argument. Maar ze gaf zich niet gewonnen. Ze bleef doorgaan. Ze kende me. Ik had al lang genoeg van die schelle boze stem. De vierjarige hield zich intussen opvallend afzijdig. Ze bemoeide zich in het geheel niet met de discussie en liep al in haar pyjama voor ik iets gezegd had. Een mierzoet glimlachje op haar gezicht.
Even later zag ik de kleine regenlaars met het sterrenpatroon staan bij de voordeur, hoorde ik haar heel zacht ‘Zie ginds komt de stoomboot,’ zingen. Boven tierde haar zuster.

1 reactie


donderdag 27 november 2014

Twee werelden

Na het lesgeven, zocht ik mijn fiets in de fietsenrekken van de Uva. Het motterde en ik rilde van de kou. Ik dacht aan de schoonmaakster van het universiteitsgebouw die ik bij binnenkomst had zien creperen van de pijn en aan de receptionist die daarnet een thermopanty voor haar aan het uitzoeken was op de Hema-website. De schoonmaakster had reuma, zei hij en kon in dit jaargetijde haast niet bewegen. Maar stoppen met werken was voor haar geen optie. Een ski-broek of een thermopanty zou helpen, meende hij.
‘Weet je welke maat ze heeft?’ vroeg ik.
Dat was geen probleem. De thermopanty was elastisch dus iedereen paste er in. Ook zij. Al was hij een opmerking tegengekomen van een klant die er uit was gescheurd.
Nu zocht ik al minstens een kwartier mijn fiets en probeerde ik twee uur terug te gaan in de tijd, – hoe was ik hier gekomen?, waar reed ik en waar stapte ik vervolgens af? – maar het bleef volkomen blanco. Ik vond geen enkel aanknopingspunt.
Daarna ging ik alle plekken na waar ik de fiets neergezet zou kunnen hebben, als ik mij was. Pas toen ik de moed opgaf en wilde gaan lopen, zag ik ‘m staan.

Geen reacties


maandag 24 november 2014

Remmen

Met de vierjarige aan mijn zijde fietste ik door het duister. Ze ging op een roze fietsje de brug op en weer af. ‘Niet te hard, hè?’ zei ik nog. En: ‘Remmen.’
De negenjarige fietste voor me, ik zag haar knalrode achterlicht. Zij weigerde in die ‘slakkengang’ met ons mee te gaan. Links van ons auto’s op weg naar de A10. Anonieme snelle wagens. Ik wachtte op de klap. Dat is niets nieuws.
De benen van het fietsertje naast me gingen snel heen en weer. Die handjes om het stuur. Af en toe slingerde ze even, maar ze corrigeerde zichzelf steeds. Een opgevoerde scooter haalde ons in. Alles ging goed.
Ik legde de vierjarige uit dat ze de volgende keer niet zomaar mocht vertrekken in de winkel, dat ze even moest zéggen als ze op de speelgoedbrommer bij de ingang ging zitten. Jeetje en ik hadden overal gezocht en…
‘Waar is Jeetje nu dan?’ vroeg ze alleen maar.
Het rode lichtje voor ons was verdwenen. In de verte het kruispunt. De stoplichten – dat zijn geen stoplichten dat zijn verkéérslichten hoor ik mijn opa zaliger als ik dit woord denk of opschrijf altijd zeggen – sprongen op groen. Een zee van lichten. Ik wachtte op de klap.

Geen reacties


vrijdag 21 november 2014

Verzonnen wereld

In een column van Frits Abrahams lees ik over Fictiefrictie. Ofwel: romanmoeheid. Een term van Maarten ’t Hart die zelf geen fictie meer leest omdat hij moeite heeft met de verzonnen wereld van de fictie. Het is een kwaal die veel oudere lezers zou bezoeken. Dat heb ik, dacht ik. Ik heb de laatste tijd last van fictiefrictie. Dan vooral met het schrijven ervan. De verzonnen wereld opschrijven. Je kunt wel van alles verzinnen, denk ik steeds maar. Het kan zus of zo of zo.
Met het lezen van fictie heb ik het niet. Ik las laatst Birk van Jaap Robben. Die wereld is nogal verzonnen. Gestileerd zou ik het eerder noemen. Verzonnen vind ik niet goed klinken. Drie mensen op één eiland. Ik kon niet stoppen met lezen. Je wil weten wat hen bezielt. Dat was best lang geleden. Er liggen nogal wat stapels half gelezen boeken op mijn bureau. De stijl is toch het belangrijkst denk ik, maar ik dwaal af.
Het gaat héél slecht met de literatuur, schijnt er vandaag weer in de krant te staan. Ik heb alleen de kop nog voorbij zien komen op Facebook. Nederland ont-leest het snelst van heel West-Europa.
‘Kun jij geen autobiografie van een voetballer schrijven?’ oppert mijn vader.

Geen reacties


donderdag 20 november 2014

TV

Vandaag zag ik Jeetje (9) bij Man Bijt Hond. Dat deed ze goed. Het was de Internationale dag van de rechten van het kind. Ze filmden haar in haar kamer. Ze filmden haar op haar rekstok. Ze filmden haar ondersteboven. Het programma werd aan- en afgekondigd door Jeetje.
Het was jammer dat we geen tv hadden en het op het kleine schermpje van de Ipad moesten kijken. Maar we mochten van geluk spreken dat de Ipad het wel deed.
Er stonden twee computers aan maar NPO liep steeds vast. Sinds we een nieuwe wifi zender hebben, lopen tv uitzendingen vast. Er is natuurlijk uitzending gemist, maar je wil je kind als het op tv komt toch live volgen. Dus lagen we met z’n vieren op het tapijt voor de Ipad, de kachel brandde, en bekeken Jeetje.

Geen reacties


woensdag 19 november 2014

Piet precies

Tijdens de woensdagmiddaglunch, een gebakken ei op geroosterd brood, kreeg Deetje post van Sinterklaas. Het was een prachtige pietenpop met blauw haar. In het tasje van de piet zaten twee pepernoten en een briefje voor Deetje met als afzender: Piet.
‘Ja, wèlke Piet?’ vroeg ze zakelijk. ‘Pietje Paniek of de Hoofdpiet of…?’
Er stond alleen Piet. Het konden alle pieten zijn.
‘O,’ zei ze. Ze liet de pop op de rand van de tafel liggen, at haar boterham helemaal op en begon toen een beschuitje heel secuur met boter te besmeren. Een berg hagelslag erop, die ze ook eerst weer gelijkmatig over het beschuitje verdeelde, overal exact evenveel, voordat ze eindelijk een hapje nam.
‘Vind je de piet niet leuk?’ vroeg ik.
‘Jawel,’ zei ze, ‘maar hij heeft blauw haar. Ik denk niet dat die echt is.’ Ze sprak haar vermoeden uit dat een pietenpop met zúlk haar niet afkomstig kon zijn van de echte Hoofdpiet, maar dat hij hoogstwaarschijnlijk van één van die neppieten kwam, opgeleid door opa Piet.
‘Wat zielig,’ zei ik, ‘denk je dat alleen maar omdat die blauw haar heeft?’
‘Ik denk dat deze Piet van oma Piet komt,’ zei haar grote zus. ‘Oma Piet máákt de poppen natuurlijk.’
Pietje Precies at zwijgend van haar beschuitje hagelslag. Met twee rimpels in haar voorhoofd. Ze nam kleine hapjes rondom. Tot de cirkel rond was. Steeds opnieuw herhaalde zich dat procedé.

Geen reacties


maandag 17 november 2014

Advies

Soms hoor je jezelf advies geven. Je zegt mooie dingen als: ‘Je moet zeggen wat je zèlf vindt Jeetje. En niet over je heen laten lopen.’
‘Ja, maar ik ben een lief meisje,’ zegt Jeetje. ‘Ik vind dat wel goed.’
‘Ja?’
‘Nee.’
‘Nee, precies. Jij vindt dat niet goed, maar je zegt er niets van. Dat is wat anders. En je bent helemáál niet lief.’

Ook adviseer ik soms cursisten: ‘Je innerlijke criticus zit je teveel dwars, cursist. Laat je niet belemmeren. Het blokkeert je schrijven. Het heeft geen zin ernaar te luisteren.’

Gisteren was ik bij de voorstelling van F. Starik ‘Moeder Doen.’ En daar hoorde ik de prachtige zin: ‘Ik wil niet sterk zijn. Ik wil afwezig zijn.’
Maar dat was vast geen advies.

Geen reacties


zaterdag 15 november 2014

Kleur

Deetje en haar vriendje kijken samen de intocht van de Sint in Gouda.
Ze blijft zich zorgen maken over de verdwijning van de echte pieten en is zichtbaar opgelucht als die uiteindelijk toch nog opduiken.
‘Weet je dat er ook échte blauwe pieten zijn?’ zegt het vriendje dan. ‘En paarse, en groene, en rode?’
‘Ja, dat weet ik,’ zegt Deetje, ‘en gele en roze.’
‘Hoe weet jij dat eigenlijk?’ vraag ik het vriendje. ‘Ik zie ze niet. Jij wel?”
We turen naar het scherm. Waar we hier en daar een geel gevlekte piet zien. Maar meer ook niet.
‘Ja, ze zijn er nou toevallig even niet,’ zegt het vriendje, ‘maar ze bestaan wel.’
‘Ja, ze bestaan wel,’ zegt Deetje.
En ze kijken weer door.
Zo makkelijk is het, dacht ik. Die hele verhaallijn is omslachtig. Ze bestaan gewoon.

1 reactie


vrijdag 14 november 2014

Pieten zijn pieten

‘Ik hoop wel dat de pieten terugkomen,’ zegt Deetje na het sinterklaasjournaal. ‘Nu moet Sinterklaas alles alleen doen met de hulppiet.’
‘Er komen toch nieuwe pieten. Opa piet is ze aan het leren hoe ze piet moeten worden.’
‘Ja, maar dat zijn geen pieten. Dat zijn gewoon ménsen.’
‘Zijn pieten dan geen mensen?’
‘Nee, pieten zijn pieten.’

Geen reacties


woensdag 12 november 2014

Journaal

Op het Finse journaal komt een item waarin Jeetje en man worden geïnterviewd. Eerst is man aan het woord en dan zie ik hoe Jeetje (9) in de microfoon praat en vertelt wat ze van het theaterproject vond waaraan ze daarnet samen hebben meegedaan. Ze vertelt het vlot en zelfverzekerd en haar lach is breed. Ze wordt Fins ondertiteld. Daarna zien we hoe Jeetje en man samen in de donkerte van Helsinki verdwijnen.
Ik kijk er een paar keer naar. Steeds opnieuw zie ik die twee samen het beeld uitlopen.
Zijzelf vindt het niet zo bijzonder.
‘Het is gewoon een filmpje,’ zegt ze. ‘Wat is daar nou aan?’
‘Het is wel het journáál,’ zeg ik. ‘Wie komt er nou op het Finse journaal?’

1 reactie


dinsdag 11 november 2014

Sint Maarten

Er staat een jongen voor mijn deur die, al met de baard in zijn keel, een Sint Maarten lied voor me zingt.
Als hij een trekdrop pakt, zegt hij: ‘Dank u wel mevrouw.’ Met zijn zware stem. Zwoel haast. Ik twijfel hevig tussen bariton en bas.
Dan loopt hij door naar het volgende huis. Met zijn grote plastic tas boordenvol vol snoep. Nu nog hoor ik zijn zangstem door mijn straat vibreren.

Geen reacties


dinsdag 11 november 2014

Een afspraak met Anja

Fabio woont in een huis met zeven mensen en fungeert als huistolk. Hij geeft mij een brief om te verifiëren of hij echt goed begrepen heeft wat er staat. Het gaat over het betalen van schoolgeld van een basisschool in Oud-Zuid. Er staat dat een kopie van het belastbare jaarinkomen getoond moet worden, het mag niet boven een bepaald bedrag uitkomen, wil de familie in aanmerking komen voor subsidie.
‘Maar hoe moet dat?’ zegt Fabio. ‘Als je illegaal bent. Een belastbaar inkomen?’
‘Dat kan niet.’
‘Het kind bestaat niet,’ zegt hij, ‘maar het zit wel op school, Elkie. Weet jij hoe dat kan?’
‘Alle kinderen moeten bij ons naar school,’ zeg ik, ‘ook de kinderen die niet bestaan. Hoe oud is hij?’
‘Zeven,’ zegt Fabio. ‘Hij is hier nog maar een paar maanden. Elke avond oefen ik Nederlands met hem.’
Onderaan de brief staat dat je contact op kan nemen met Anja als je vragen hebt of iets niet begrijpt. Je kunt op elk moment van de dag bij Anja langslopen.
‘Anja kan het niet schelen wie er illegaal is,’ zeg ik. ‘Anja is er altijd en voor iedereen.’

Geen reacties


maandag 10 november 2014

Kinderachtig

Het is zondag. Jeetje (9) en haar vader zijn naar Helsinki gevlogen en ik fiets met Deetje (4) naar de stad. We hebben ’s middags een afspraak bij de kinderkapper. Eenmaal in de Pijp aangekomen, vindt ze de goede oude speeltuin in het Sarphatiepark te kinderachtig. Samen zitten we op de rand van de zandbak, – zij hangt als een reuzenbaby op mijn schoot – en kijken naar het grut. Er spelen drie Aziatische jongetjes in dezelfde rood-blauw gestreepte shirts en dezelfde beige broekjes. In de bosjes rondom de speeltuin loopt een man in een blauwe jas heen en weer.
‘Ik wil naar Amerika!’ zegt Deetje. ‘Wanneer gaan we eens een keer naar Amerika?’
‘Jij en ik?
‘En papa en Jeetje. Met z’n vieren.’
‘Zullen we maar gaan hier?’
Deetje springt meteen op en rent naar de uitgang. Ze verzekert zich ervan dat het hek goed dichtzit, opdat de kinderen niet kunnen ontsnappen. De blauwe jas sluipt nu als een krijger door het struikgewas. Zou hij weten dat het gebladerte dun geworden is en dat wij hem allemaal zien? Deetje geeft aan graag naar een café te willen.
‘Eerst naar de kapper,’ zeg ik.
De kinderkapper is oké. Ze krijgt snoep. Er is een stoel die een tank voorstelt, een gele brommer en rode brandweerauto. Even later zit ze in de brandweerauto en wordt haar lange haar gekortwiekt.
‘Zie je wel. Het was toch best leuk?’ zeg ik als we in café Krull plaatsnemen.
‘Ja,’ zegt ze.
‘Je zat in die mooie rode brandweerauto.’
‘Nou, ik wou liever in een gewone stoel.’
‘Die was er niet.’
‘Nee, die was er niet

Geen reacties


vrijdag 07 november 2014

Werkelijkheid

In de trein van Nijmegen naar Amsterdam zit ik in een volle stiltecoupé en blader in Mindmap, een manifestatie over kunst en psychiatrie.
Aan het gangpad leest een mevrouw de Metro. Ik hoor haar steeds vanachter haar krant boze gesprekken fluisteren. Op een ferme toon. Maar als ik dan nog eens haar kijk, lijkt het  gewoon een mevrouw in de stiltecoupé die de Metro aan het lezen is. Gisteren, tijdens mijn lezing in Venray, meende ik in het publiek steeds iemand te ontwaren die zijn vinger opstak. Vanuit mijn ooghoek.
Maar telkens als ik dan die kant opkeek, bleek de vinger verdwenen. ‘Ik zie de hele tijd een vinger in de lucht,’ had ik nog gezegd. ‘Maar het is hier natuurlijk geen klas.’
We hebben kunst om niet dood te gaan aan de waarheid staat op de achterflap van het boek dat ik na de lezing cadeau gekregen had. Een quote van Nietzsche.

Geen reacties


dinsdag 04 november 2014

A en B

Fabio, de schoonmaker, kent de stad op z’n duimpje. Hij heeft in alle buurten gewoond. En ook op alle plekken, blijkt vandaag.
‘In een kelderbox in Buitenveldert?’ vraag ik.
‘Ja, waar ze fietsen bewaren, weet je wel?’ zegt hij. ‘Daar woonde ik.’
‘Jee.’
‘Ja, ’s morgens bracht ik de kinderen van de mensen naar school, dan werkte ik bij de meneer van het huis in de bouw tot 14.00, en daarna haalde ik de kinderen op en bracht ze naar ballet, pianoles of zwemmen. ’s Avonds sliep ik in de kelderbox.’
‘Een soort au-pair.’
‘Ze hadden wel een extra kamer maar die wilden ze liever gebruiken als studeerkamer. Snap je wel?’
Ik knik.
‘Dan kwam ik ’s morgens andere mensen tegen en dan vroegen ze: wat doe jij zo vroeg hier?’ zegt Fabio. ‘Het was onhandig. Er was daar geen water of niks. Snap je wel?’
‘En het toilet?’
‘Dat deed ik buiten. Zit je daar ’s nachts in de bosjes in Buitenveldert. Als er dan politie komt…”
‘En hoe ging dat met eten?’
‘Ik at ’s avonds bij de mensen mee, de mevrouw kookte, en daarna ging ik naar de kelderbox.
‘Hoe lang heb je daar gewoond?’
‘Twee jaar.’ Fabio pakt de stofzuiger. ‘Ik heb gisteren mijn zwemdiploma A gehaald,’ zegt hij terwijl hij zijn grote paarse koptelefoon opzet. ‘En nu ben ik bezig voor B!’

Geen reacties


vrijdag 31 oktober 2014

Thuiszorg

Een doordeweekse ochtend. Er zit een vriendelijke vrouw die nog maar weinig geheugen heeft, vastgezet in haar rolstoel, vastgebonden aan haar eigen tafel, in haar eigen huis. Het was haar grootste wens om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen.
Ze kijkt vanuit haar raam, twee hoog, uit op een mooi middeleeuws plein.
Daar beneden, op de kinderkopjes, staat haar dochter Brenda, in een zware zwarte mantel, uitzinnig naar haar te zwaaien en te lachen. En kushandjes te sturen.
De vriendelijk vrouw mag dan niet veel meer weten, maar heel scherp heeft ze nog de dag voor ogen, dat zij degene was die de kusjes naar de kleine bange Brenda blies. Ze trekt de deur van de Peuterette achter zich dicht. Het kindergezichtje plat tegen de ruit gedrukt.
Het moment dat zij degene was die zich omdraaide.
Als Brenda in kordate pas van haar moeders raam wegloopt, lopen de tranen over haar wangen. Van opluchting, houdt ze zichzelf voor. Het is maar voor een paar uur. Om de tijd dat ze alleen is zonder vallen of verdwalen te kunnen overbruggen.
Ze ziet het grijsblauwe hoofdje in de verte, een stipje achter het glas en stapt in de auto.
Het is goed zo. Ze is het zo weer vergeten. Dat scheelt. Haar moeder heeft een prachtig uitzicht op het plein. Vanuit haar positie zou ze in principe kunnen zien hoe de ooievaar in het nest, op één van de schoorstenen van het stadhuis, haar kleintjes grootbrengt.

Geen reacties


donderdag 30 oktober 2014

De katoenspinnerij

Omdat ik deze week elke dag voor radio 1 een verhaaltje schrijf over iets dat ik in de krant tegenkwam, verzin ik nu een meisje uit Zuid-India.
Ik geef haar de naam Padma, dat betekent Lotusbloem. De lotusbloem is een symbool voor zuiverheid. Dat maakt het extra schrijnend.  En het verhaal gaat over de kledingindustrie die nog niet helemaal ‘zuiver’ blijkt te zijn.
Padma is veertien jaar, werkt veertien uur per dag, met tien minuten pauze, in een spinnerij, een stoffige fabriek zonder daglicht, waar ze ruwe katoen tot garen spint.
Wie denkt er, bij het aantrekken van zijn truitje aan dat het ooit ergens gesponnen is?
’s Nachts slaapt Padma met kasteloze collega’s in een hostel van het bedrijf, ze krijgt slecht te eten en omdat contractueel is vastgelegd dat ze haar loon pas over drie jaar krijgt, kan ze nu niet weg. Nooit weg.
Over die kutbaas van haar hoef ik niet uit te weiden.
En zo gaat Padma’s leven, als moderne slavin op de katoenspinnerij, voorbij, zonder dat iemand het weet.
En als we het wel zouden weten, spreken we er schande van.
Maar ik heb Padma verzonnen. En wat niet weet wat niet deert.
Ik lees dat de ‘zuivere’ kledingmerken alweer met z’n allen op zoek zijn naar een volgend lagelonenland. Voor als Padma binnenkort toch rechten krijgt.
Ik schrijf dit stukje in een rood vestje dat vijf Euro kostte in een ondergrondse Shoppingmall in Bombay. In het echt was dat Peking. Maar het is allemaal ver weg. Het vestje was toch al gemaakt. Dat maakte niets meer uit.

Geen reacties


woensdag 29 oktober 2014

Coulrofobie

De wolken zijn donkergrijs en hangen laag. Met Driftbuitje.nl, mijn zoon, zwijgend achter me aan, snel ik over de verlaten parkeerplaats van het Maxisterrein. Albert Heijn XL, Mega Hema, Toys XL. Hier is alles voor het kinderfeestje morgen.
‘Het lijkt wel alsof we de enige levende wezens op deze planeet zijn,’ zeg ik. ‘Gek toch?’
‘Een clown, een clown!’ Driftbuitje.nl wijst.
Voor ons doemt inderdaad een spierwit gezicht, rode neus, geel pak op uit de mist, heen en weer marcherend voor de Toys XL.
Een verklede beveiliger, denk ik eerst nog. Halloween bij de Maxis. Hoe origineel.
Voor ik het in de gaten heb, staat de geschminkte man al pal voor onze neus. Met ballonnen. ‘Ik ben Pipo de crazy clown,’ zegt hij met een gek stemmetje. Hij buigt zich naar mijn zoon. ‘En welk dier zal Pipo voor jou maken?’
‘O, doe geen moeite,’ zeg ik. ‘Mogen we er langs?’
‘Pipo had het niet tegen mama, hè,’ zegt hij.
‘Sorry, we hebben haast en…’
‘Mama moet nu oppassen hoor.’ De clown grijnst. ‘Nou, welk dier zal Pipo voor jou maken?’
Instemmen, denk ik. Ik moet leren in te stemmen met de dingen. Mijn zoon vindt deze clown geweldig. Dat kan. Het lijkt me hoe dan ook een enorm slecht idee als hij zijn naam hier en nu weer eer aan zou doen.
Het is doodstil bij de Maxis. Alleen de worstballon in de grote handen piept hoog als de clown er een varkentje van draait. Een feestvarkentje, bedenk ik.

Geen reacties


dinsdag 28 oktober 2014

Het zetje

Deze week ben ik weer schrijver van dienst voor het programma Nooit Meer Slapen, VPRO. Elke nacht om 01.00 u, radio 1 lees ik een verhaaltje voor dat geïnspireerd is op nieuws van die dag. Gisteravond was de eerste uitzending:

Het zetje

Iedereen heeft ergens familie. Ook de baby die vannacht, door haar eigen oom, in de ondergrondse vuilcontainer is geduwd, in de Fritz Conijnstraat te Amsterdam.
Het pasgeboren meisje huilt om de stinkende, kille wereld waarin ze terechtgekomen is. Nog meer huilt ze om de afwezigheid van haar moeder. Joelle.
Joelle: die bijna zestien is, die haar oudere broer heeft verteld dat ze negen maanden geleden in de Fritz Conijnstraat werd verkracht. Recht onder zijn raam. ‘Als je het tegen papa en mama zegt, maak ik me van kant.’
Joelle, die al die tijd bij haar broer en zijn vriendin heeft gewoond, huilt nu om haar ouders. Nog meer huilt ze om haar vroegere leven in Badhoevedorp.
Haar broer blijkt uiteindelijk zo goed het kind weg te brengen.
Hij heeft sowieso niets met baby’s. Deze lijkt wel spastisch. Of iets. Voor ze buiten staan, is hij urenlang bezig die fladderende armpjes, zonder breken, in die mouwtjes te prutsen. Deze is ook ontzettend lelijk. Het moet een kopie van de verkrachter zijn. Zo iemand is de wereld straks alleen maar tot last.
Het is half drie ’s nachts. Met één hand houdt hij de klep al open, maar als hij het pakketje naar binnen wil schuiven, grijpt het plots zijn vinger vast. Deze is sterk, denkt hij.
Daar, staand voor de vuilcontainer, met het babyhandje om zijn wijsvinger geklemd, voelt hij voor het eerst dat hij zelf vader wil worden. Dan geeft hij het zetje.
Hij hoort het ondergrondse gejank.Dat doet de mijne straks ook, denkt hij. Maar het schijnt anders te zijn als het de jouwe is. Dan kun je daar wel gewoon tegen.

2 reacties


vrijdag 24 oktober 2014

De jongen met het hondje

Om half tien op vrijdagavond fiets ik naar de Albert Heijn om op deze dag toch buiten te zijn geweest. Het is donker en het regent. Er is geen mens op straat. Maar als ik de hoek omsla, komt er net een puberjongen aangeslenterd met een wit hondje onder zijn arm. De jongen is exorbitant lang en hoekig, blijft midden op straat stilstaan en kijkt me aan. Het licht van de lantaarnpaal valt op zijn ogen.
Ik had binnen moeten blijven, denk ik.
Maar nu is het al te laat.

Geen reacties


donderdag 23 oktober 2014

Weerzien

Jaren later zie ik haar weer in De Jaren. Op een dinsdagavond. Buiten stortregen en onweer. Ze zit al in de verste uithoek van het Grand Café met een glas wijn. Een andere plek dan jaren geleden. We waren goed bevriend als twintigers, we worden hoe dan ook ouder, maar ik zie er in het halfduister niets van. De tijd valt een paar uur weg. Het gesprek gaat door. We weten dat dit de enige ontmoeting wordt en de laatste voor voorlopig. In een rap tempo bespreken we de dingen, het leven. De draad wordt één dinsdagavond lang opgepakt. De wijn vloeit rijkelijk. Aan het tafeltje naast ons zit een mooie wat oudere man mee te luisteren. Een reiziger die kruidenthee drinkt. Op een gegeven moment houdt hij het voor gezien. Het gaat hem te snel natuurlijk. Vlak voor middernacht, lopen/vluchten we het café uit. Ik heb mijn eerste verhalenbundel gegeven/ in haar maag gesplitst. Ze heeft nog nooit iets van me gelezen. Bij de tramhalte naar centraal station glijd ik uit, zij raapt me op, ik stap in. Zodra de tram wegrijdt, is de betovering verbroken. Er is nog wel een geschaafde knie.

Geen reacties


maandag 20 oktober 2014

Zorgen over de toekomst

Het is net na het voorlezen. Ik lig nog even bij Deetje in bed. Ze maakt zich zorgen omdat ze niet weet wat ze wil worden.
‘Dat hoef je niet te weten,’ zeg ik. ‘Je bent vier.’
‘Ik weet het!’ roept ze dan blij.
‘Ja?’
‘Ja!
‘Wat dan?’
‘Ik wil jou worden!’
‘Maar dat kan niet,’ zeg ik.
Het blijft stil naast me. Ze draait zich naar me toe. Ik leg uit dat ze mij niet kan worden.
‘Ja, maar ik wil gewoon mezèlf worden.’ De tranen springen in haar ogen.
‘Je wordt later niemand anders. Dat is het niet.’
‘Ik wil mezelf blijven. Net als ik nu ben.’
‘Wil je niet groot worden?’ Ik denk aan het Peter Pan syndroom. Het niet op willen groeien. Nu al.
‘Jawel, ik wil wel groot worden. Maar ik wil niemand wórden, ik wil gewoon Deetje blijven.’

Intussen hoor ik Jeetje met haar vader praten in de badkamer.
‘Ja, maar ik weet gewoon niet hoe het moét!’ zegt ze. ‘Vertel me dat dan? Hoe moet het als je klaar bent met studeren en je hebt nog geen werk. Hoe betaal je dan je appartement?’

1 reactie


maandag 20 oktober 2014

Regenboog methode

Vanmorgen rende ik naar een regenboog. Ik kwam er nooit aan. De regenboog stond helder aan de hemel, geschilderd in felle kleuren en klare lijnen. Zoals kinderen dat zouden doen. Op diezelfde manier rende ik vandaag een paar keer in mijn hoofd naar een stukje om hier op te schrijven, maar kwam er nooit aan.

De verschillende methodes om een stukje te schrijven.
Meestal gaat het zo; ik weet meteen wat ik wil zeggen, ik schrijf het op. (Mijn favoriete methode.)
Soms gaat het zo: ik weet het vaag, schrijf zoekend, het krijgt uiteindelijk vanzelf vorm. (Deze methode neemt het meeste tijd in beslag) Of het gaat zo: ik weet het niet, ik sluit het document en een tijdje later weet ik het wel.
Dan is er dus ook de regenboogmethode. Het idee is er, eenmaal achter mijn laptop, is het ongrijpbaar geworden.

Geen reacties


zondag 19 oktober 2014

Thematiek De weg naar zee

Het is exact een jaar geleden dat De weg naar zee uitkwam! Het boek handelt over een moeder die haar kind als een project ziet dat moet slagen. De tijdgeest brengt haar (+ kind) in grote problemen. De maakbaarheid kent geen grenzen meer. Sindsdien kom ik het onderwerp met grote regelmaat tegen in de media. Deze ochtend het artikel ‘Als je kind maar uitblinkt’ in NRC.

Ouders zien hun kind steeds vaker als een project. En dat project moet slagen.(..) In de huidige prestatiemaatschappij moet je eruit halen wat erin zit, zegt Wubs. En dat kan ook; er zijn tal van ondersteuningsmogelijkheid om je kind zich optimaal te laten ontwikkelen. Een verlegen kind kan op weerbaarheidstraining. Een kind dat niet goed is in rekenen, gaat op rekenkamp, krijgt bijles of volgt een online lesprogramma. En een baby die met een paar maanden nog niet omrolt kan op babygym of naar de fysiotherapeut. Als je kind niet slaagt, is dat jouw schuld. (..)

Als je zegt dat de leerling een lage gemiddelde intelligentie heeft, moet er iets aan de hand zijn. Ik zeg dan: het kind voldoet niet aan uw verwachtingen, meer is er niet aan de hand.

Geen reacties


zaterdag 18 oktober 2014

Quote v/d dag

Grunberg schrijft in de VK vandaag:

Het is een vast onderdeel van de literaire avond en het interview geworden. ‘Hoe schrijft u? Wist u alles al toen u aan het boek begon of was het einde ook voor u een verrassing? Wat wilde u zeggen met dit boek? wordt er steevast gevraagd. Er is een tekst, maar wat de schrijver wilde zeggen, staat kennelijk niet in die tekst. Heel vreemd, maar waar.

Tijdens interviews en literaire avonden ziet de voorkomende schrijver zich op dergelijke momenten gedwongen gebruik te maken van de beleefdheidsleugen en te doen alsof het schrijfproces, dat voor een groot gedeelte intuïtief is, het gevolg zou zijn van ernstige beraadslagingen en overwegingen.

Geen reacties


donderdag 16 oktober 2014

Antipathie

In de trein van Nijmegen naar Amsterdam Centraal kwam er een man tegenover me zitten die ik niet uit kon staan. Ik denk dat we even oud waren. Hij zat te ver voorover gebogen, – recht in mijn aura -, benen iets uit elkaar, ellebogen op zijn knieën en speelde een spelletje op zijn smartphone. Ik hoorde heel zacht het muziekje. Ook had hij constant een glimlachje op zijn gezicht, kauwde daarbij heel lichtjes op een stuk kauwgum. Zijn zwarte haar in een vlot én zakelijk kapsel. Een bril met een niet te zwaar zwart montuur op zijn neus. Een smalle neusbrug had hij. Ik haatte hem. Op station Amstel verdween hij door glazen klapdeur. Glimlachend, kauwend, almaar op zijn schermpje kijkend.
Maar toen ik op centraal station uit wilde stappen, stond hij daar. Leunend tegen de deur van het toilet. Blik op zijn telefoontje gericht. Daar ben ik hem kwijtgeraakt in de menigte. Ik hoop nu wel voorgoed.

Geen reacties


maandag 13 oktober 2014

Mens en plot

Op twee slappe banden, een ketting waar geen spanning meer op stond en er dus elk moment af kon vallen, fietste ik na het werk terug naar huis. Ik droeg mijn oranje regenjas, en had de grijze pet op. Al regende het niet. De pet heb ik vaak op. Soms ben ik bang dat andere mensen denken dat ik ernstig ziek ben.
Bij het stoplicht stond ik te wachten met andere mensen en kwam er een klein keelpijntje op. Naast me een ragfijne mevrouw met donkerblauwe panty’s en suède schoenen met hakjes. Ik kreeg een appbericht. De vis wordt nu in de oven geschoven.
Het werd groen. Ik dacht te hard na over mogelijke plotlijnen.
Thuis las Deetje woordjes van de muur: vis, man, pop, pap, mok, mes, mens. Mens was moeilijker. Omdat mens vier letters had. Plot ook.

Geen reacties


zondag 12 oktober 2014

Zaterdagavond

De oppas, de grote nicht van de kinderen, zat op de bank met Netflix. Wij reden naar Abcoude voor een verjaardagsfeestje van onze oude buren. In de auto bespraken we een project dat ik binnenkort misschien wel of misschien niet ging doen. Het was donker toen we de straat inreden waar we moesten zijn. Er stonden grote bomen. Bladeren lagen op de weg. Bladeren vielen op de motorkap. De wereld was zwart-wit.
‘Jammer dat we de auto weer niet pal voor het huis van hun buren kunnen zetten,’ zei man. ‘Ik had die mensen graag willen plagen.’
Een straat verder parkeerde hij de auto. Ik raapte mijn handtas op van het voeteneind. ‘Dit is net een scène uit dat boek van Yates’, zei ik.
Het was koud en guur toen we uitstapten.

Geen reacties


vrijdag 10 oktober 2014

Hoe verkoop je een boek?

Ik ben aan de telefoon met iemand die me vanavond in Amen gaat interviewen. Hij zegt dat we een leuk gesprek gaan voeren en dat we het niet over mijn boek zullen hebben, maar over mij. Zodat de mensen geïnteresseerd in mij raken. En uiteindelijk mijn boek willen kopen.
‘Misschien moeten we het dan toch ook eventjes over mijn boek hebben,’ zeg ik.
‘Natuurlijk gaan we het ook over je boek hebben,’ zegt hij. ‘Ik heb het wel gelezen hoor.’
‘Gelukkig,’ zeg ik.
‘Ja,’ zegt hij.

1 reactie


woensdag 08 oktober 2014

Heks

Mevrouw zit in de kleuterklas waar alle kleuters een mooi beplakte schoenendoos krijgen met een ontbijtje erin. Er waren lootjes getrokken. Mevrouw had ook enorm zitten knutselen met haar kleuter. De doos die haar kleuter zelf ontvangt, is beplakt noch beschilderd. Het is een kale schoenendoos met vermoedelijk een oud, liefdeloos broodje erin. De enige doos van de klas waar geen flikker aan gedaan is. Haar kleuter vindt er niets van. Maar mevrouw wel. Zo is mevrouw kennelijk.
Daarna leest mevrouw een verhaaltje voor over een heks met een pukkel op de neus.
‘Dát hebben alle heksen,’ roept een pientere kleuter.
‘Ja, goed gezien. Waarom eigenlijk?’ vraagt mevrouw.

Geen reacties


dinsdag 07 oktober 2014

Portugees liedje

‘Weet jij wat er na de dood is, Elkie?’ vraagt Fabio. Hij staat in de woonkamer en drinkt het literpak chocomelk leeg waar hij vanochtend mee aankwam.
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Geloof jij in de hel of de hemel?’
‘Nee.’
‘Maar als jij mocht kiezen: de hel of de hemel?’
‘Dan koos ik toch maar voor de hemel.’
‘Dus jij gelooft wel!’
‘Voor de zekerheid kies ik dan de hemel.’
‘Jij denkt: het is werken, werken, werken en dan niks meer.’
‘Ja.’
‘Dan is alles zinloos,’ zegt hij. ‘Wie speelt er hier gitaar?’ In een hoek van de kamer staat een gitaar. Fabio pakt ‘m op, strijkt over de snaren en dan komt er een deuntje. Even later speelt de schoonmaker gitaar en zingt daarbij voorzichtig een droevig Portugees liedje.

Geen reacties


maandag 06 oktober 2014

Niet over mij

De pedicure zegt: ‘Het is toch zonde als je op je 65e niet meer kunt lopen, omdat je nú niet naar een podoloog gegaan bent.’ Ik knik. ‘Nu heb je nog geen last,’ gaat ze door, ‘maar als je knieën straks geruïneerd zijn, is het te laat.’
‘O jee,’ zeg ik. Maar ik heb niet het idee dat ze het over mij heeft.
De boekhoudster die ik daarna bezoek, zegt: ‘Op je 65e moet je ineens heel veel gaan betalen, weet je dat wel? Je spaart niets.’
‘O jee,’ zeg ik weer. Ook nu heb ik het idee dat ze het niet over mij heeft. Eigenlijk heb ik heel vaak het idee dat het niet over mij gaat, de dingen. Het leven. Dat klopt niet.

Geen reacties


donderdag 02 oktober 2014

Tevreden

‘Heb je nog andere dromen naast het schrijven?’ vraagt de interviewster. We zitten op een boot en varen door IJburg. Ik weet vanaf het water niet precies waar we zijn. Ik weet nooit precies waar we zijn. Omdat het mij niet interesseert waar we zijn.
‘Andere dromen?’ herhaalt ze.’Wat wil je nog méér?’
‘Weg natuurlijk,’ zeg ik flauwtjes. Maar dat is mijn standaardantwoord, dat weet ik. Ik zeg altijd dat ik weg wil. Dat is niets nieuws. Het zou eens wat zijn als ik zei dat ik wilde blijven.
Ik mompel nog iets over op wereldreis gaan met mijn gezin. En dan nooit meer terugkomen.
Ze wacht op mijn andere droom. We varen door ‘de groene tunnel’.
Ik beken dat ik naast het schrijven geen enkele droom heb.
‘Dus eigenlijk ben je tevreden?’ zegt ze. ‘Je bent tevreden met je schrijven. Met je leven zoals het is.’
Daar had ik totaal nooit aan gedacht. Dat het tevredenheid zou kunnen zijn.

 

Geen reacties


dinsdag 30 september 2014

Homo Humeurus

Er is een klassenavond op de basisschool. Ik zit in de kring van de onderbouw. Groep 1 en 2. Grote, hippe ouders op hele kleine stoeltjes dicht bij elkaar. Het is warm in de klas. We moeten ons voorstellen, onze naam zeggen en die van ons kind. We mogen iets leuks over de kleine vertellen. ‘Het is een ontzettend leuk ventje,’ zegt een vader met blote voeten in mocassins. ‘Ik ga elke woensdag met hem kanonnen schieten in het scheepvaartmuseum.’ Het valt me op dat iedereen hier nogal welbespraakt is en zich ontspannen gedraagt. Als één van de laatsten ben ik aan de beurt. ‘Ik ben de moeder van Deetje,’ fluister ik. De kring met ouders kijkt naar mij. Ze wachten op nog meer informatie. Maar dit is alles wat ik weet. Ik sla mijn ogen neer. Dan krijgt de vader naast me de beurt.

‘Dé Deetje,’ had ik nog willen zeggen.

1 reactie


maandag 29 september 2014

Smaak

Nu kan het nog. Binnenkort zal ze met haar gezin naar Badhoevedorp vertrekken en dan kunnen er door de week geen lunchafspraakjes meer gemaakt worden. We zitten in het café tegenover haar huis en vlakbij mijn werkkamer. Ons brood wordt gebracht. Zij met gestoomde makreel en ik met een berg humus. Ze vertelt over het voorlopige koopcontract dat nu echt getekend is. Een huis met een gigantische tuin, garage, zolder. Alles. Het enige is dus dat het in Badhoevedorp staat. Het klinkt minder sexy dan Amsterdam.
‘We hadden het vroeger nooit zo voor onszelf bedacht,’ zeg ik. ‘Maar wat geeft dat eigenlijk? So what?’
‘We houden wel gewoon ons 020-nummer,’ zegt ze.
‘Nou, dan maakt het toch helemaal niks uit?’
‘Nee,’ zegt ze.
‘Het is een beetje hetzelfde als naar Ijburg vertrekken.’
‘Het is goed,’ zegt ze. ‘Dat weet ik. Maar soms lig ik in bed en dan bedenk ik dat ik zeker vijftig ben als ik daar weer wegga. Of nog ouder.’
‘Ja en dan is alles al bijna voorbij, hè?’ zeg ik.
Ze knikt. Ik neem een hap van mijn brood.
‘We kunnen nu eenmaal niet meer ineens in Parijs gaan wonen,’ zeg ik. Ik proef iets knapperigs, lekker knapperig, en bijt nog eens flink. Het is misschien wat pittig, denk ik, maar het moet heel lekker zijn. Het smaakt dadelijk vast goed. Ik kauw nog een paar keer. Pas als ik moet kokhalzen, spuug ik dat wat er van het knapperige ding over is uit op mijn bord. Het blijkt een rauwe knoflookteen. Ik ontwaar nog een paar knoflooktenen in mijn humus. Zij vertelt over een vader van een vriendinnetje van haar dochter die al vijf jaar lang spoorloos verdwenen is. Niemand heeft ooit nog iets van hem gehoord.

Geen reacties


donderdag 25 september 2014

Niet te doen

Vanmorgen vroeg stuitte ik op een documentaire over twee ouderstellen die hun dochter verloren hadden door zelfmoord. De dochters waren halverwege twintig. Bij één stel was het al dertig jaar geleden en bij het andere stel nog maar een jaar. Niemand had het aan zien komen.
Beide meisjes dachten dat ze niet op hun plek waren in deze wereld. Dat ze nooit iets zouden bereiken. Dat ze hun talenten niet zouden kunnen ontplooien. ‘Je hebt winnaars en verliezers. En ik hoor bij de verliezers,’ las de moeder voor uit een afscheidsbrief.
Het was haast niet te doen om die mensen te zien met de foto’s en de spulletjes van hun dochters die het niet gered hadden.

In de namiddag zei een meester op het schoolplein dat hij het niet eens was met de plus-klassen op school. ‘Moeten we dan ook min-klassen instellen?’ zei hij.
Hij zei dat zo’n plus-klas toch onderlinge verdeeldheid veroorzaakte in een klas. Is zij ‘beter’ dan ik? Het zou niet nodig moeten zijn op een montessorischool. Ik dacht aan De weg naar zee waarin het hoofdpersonage weet dat haar dochter naar de min-klas moet als die er zou zijn.

Een recensent zei gisteren dat hij het vreemd vond dat hij mijn boek niet tegenkwam in de actuele discussies. Hij wachtte steeds op een verwijzing. Nu de maakbare wereld hoogtij viert, de prestatiedwang groot is, Downsyndroomkinderen dreigen uit te sterven en het beste niet goed genoeg is. Mislukken mag niemand, goed moeten we eruit blijven zien, we kunnen overal iets aan doen, anders ligt het aan onszelf. ‘En maar zeuren dat de schrijvers van tegenwoordig niet maatschappijkritisch zijn,’ zei hij, ‘ ze lezen gewoon geen boeken.’

In een winkelstraat werd ik aangehouden door een meneer die een potje met goud voor me had. Om verdere rimpelvorming rond mijn ogen tegen te gaan. Voor het te laat is.

2 reacties


woensdag 24 september 2014

In Maastricht

Er was een man in Maastricht die – gisteren bij de première van Lastmens – mijn boeken bij zich had, een paar toneelstukken die ik zelf niet meer in mijn bezit heb en een krantenartikel van mijn hand. Hij vroeg of ik alles wilde signeren. Op kleine briefjes had hij zinnen uit het boek geschreven. Of ik die over wilde schrijven. Dat wilde ik. Voor deze meneer schrijf ik nog een boek, dacht ik. Voor hem doe ik het allemaal. Alles.
Er was de heel korte film die de studenten van de kunstacademie op basis van mijn verhaal gemaakt hadden. Dat is bizar om te zien. Je herkent het en tegelijkertijd helemaal niet. De beelden die je in je hoofd hebt, zijn anders dan de beelden op het witte doek. Eigenlijk was het een film die aan mijn verhaal voorafgegaan zou kunnen zijn. Ze maakten invoelbaar waarom het personage Wieke op een dag besluit als au-pair van haar eigen dochter door het leven te gaan. De wereld van de Wieke die ik zag, was behoorlijk beklemmend. Ook was er het motto: ‘het leven is elders’ dat de makers in elke scène gestopt hadden. Ergens voelde ik me betrapt door dat motto.
Het leven is in Maastricht, dacht ik toen ik vanochtend wakker werd in hotel Holla.

Geen reacties


donderdag 18 september 2014

Toekomst

We staan op een boekpresentatie in de Ponteneur. Het is druk en bloedheet. ‘Ik was laatst op Ijburg,’ zegt iemand me. ‘Het is daar niet goed.’ Ze kijkt me strak aan. ‘Het is daar écht niet goed,’ zegt ze met klem. We spreken over het Tsjernobylgevoel. De elektriciteitsdraden. Het Diemerpark. Ziektes.Vervuild water. David Lynch. Konijnenplagen. Iemand anders vraagt me óf de bitterballen komen en wanneer dan. Weer iemand heeft een waaier. ‘Dit lijkt de overgang wel,’ zegt ze. ‘Dit is precies de overgang. Je voelt je verschrikkelijk slecht. Het duurt zeker tien jaar.’

1 reactie


woensdag 17 september 2014

Acceptatie

Ik pakte vanmorgen het schrift erbij waarin ik mijn aantekeningen maakte voor De weg naar zee. Even kijken hoe ik het vroeger ook alweer deed. Iets maken. Het Hema exemplaar dat ik aanschafte na talloze volgeschreven Moleskineschriften was gemakkelijk te vinden. Ik sloeg het open en begon erin te lezen. Op zoek naar houvast. Aan de ene kant was de inhoud ervan alarmerend, ronduit afschrikwekkend maar aan de andere kant, bedenk ik nu, is het misschien juist heel geruststellend. Ik deed het toen zo. Ik doe het nu zo. Ik zal het altijd zo doen. Ik heb een vreemde, grillige weg te gaan. Geen idee waarheen die precies zal leiden.

Geen reacties


maandag 15 september 2014

Vijf uur

Er wordt een roze prinsessentent opgezet elders op de stoep en ik lees op internet artikelen over moedermoorden.
‘Ja! We gaan verhuizen,’ zeggen de twee vierjarigen en slepen de tent meteen naar hier.
‘Het is niet jullie tent,’ zeg ik. ‘Vindt dat meisje dat wel leuk?’
Dat vindt het meisje leuk, natuurlijk.
De negenjarige brengt het vuilnis weg, daarna het oud papier, loopt op stelten rond het huis, waved op het waveboard rondjes om mijn stoel, echoot: ‘Ik verveel me dood, echt dood.’ Aan de overkant van de straat schuiven de crèchejuffen voorbij, ik zwaai, kan meer niet op hun namen komen. Tot ze uit mijn beeld zijn verdwenen. De nieuwe buurman verlaat zijn huis op slippers, haalt zijn kinderen op bij de steiger. Ze hebben nog gezwommen. De zon schijnt, maar bij ons thuis hebben we toch allemaal al keelpijn. Een nieuwe bezorger legt de krant in mijn schoot.

Geen reacties


vrijdag 12 september 2014

Eens

Bladerend in de Groene kwam ik twee quotes tegen waar ik het – zeker vandaag – hartgrondig mee eens ben.

Armando zegt in een interview: ‘Ik stel niks uit, het moet nu gemaakt worden. Liever vandaag dan morgen, want morgen is het geen avontuur meer, dan heb ik het al gemaakt, in gedachten. Ik schilder vaak ’s nachts, ik bedoel: in gedachten, slapend. En dan hoef ik het niet meer te maken, dan is de lol eraf, zoals dat heet.
Ik begin aan een schilderij nooit zomaar; ik weet precies – ongeveer precies – wat ik ga doen.’

Christiaan Weijts schrijft in een column: ‘Het korte boek, in één zit te lezen, kan soms weer iets van de vroegere opwinding teweeg brengen. Ononderbroken in één wereld zijn. (..) Lezen zoals je een toneelvoorstelling bezoekt of een lange film, waarbij je ook altijd geïrriteerd bent als halverwege ineens een pauze is. Het korte boek pas in één keer in je hoofd. Je geheugen houdt het bij elkaar waardoor het een soort driedimensionaal object wordt. Rustig kantel en draai je het eens, om terugkerende motieven te herkennen, verbanden, echo’s, spiegelingen te zien ontstaan die bij een werk van langere adem verspreid tot je genomen in allerlei stiefkwartiertjes, onvermijdelijk verloren gaan’

Geen reacties


woensdag 10 september 2014

Dat ik besta

‘Ben je blij dat ik besta?’ vraagt Deetje (4)
‘Ja. Hoezo?’
‘Of ben je blijer als ik niet besta?’
‘Nee.
‘NEE? Ze kijkt me fronsend aan. ‘Je bent blijer als ik niet besta!’ roept ze.
‘Nee, zeg ik toch. Ik ben niet blijer als je niet bestaat.’ Ik leg haar deken goed over haar heen. ‘Snap je het nog?’
We liggen naast elkaar in bed en ik heb net het boekje ‘Ik’ voorgelezen.
Ze zal het morgen mee naar school nemen waar ze woordjes met een i verzamelen. Daar waren ze vanmiddag op school mee begonnen. Woordjes met een i.
‘Welk woordje heb jij gezegd?’ had ik gevraagd.
‘Goudvis,’ zei ze.
‘Goudvis?’
‘Goudvis, maar de juf zei…’
‘Ja, het woord moest zeker met een ‘i’ beginnen, hè?’
‘NEE,’ riep ze. ‘De juf had al vis gezegd. En toen zei ik goudvis.’

Geen reacties


dinsdag 09 september 2014

Gaat dat zien!

Gisteren was ik bij de filmpremière van Nena.
Het verhaal speelt zich af aan het eind van de jaren tachtig en onherroepelijk was ik terug bij mijn eigen stonewashed broeken, grote sweaters en de val van de muur. Met mijn klas was ik in Berlijn. ‘Een historisch moment,’ hoor ik mijn vader nog enthousiast zeggen. ‘En jij bent erbij!’ Maar ik was meer geïnteresseerd in de discoboot.
De film gaat over het pubermeisje Nena en haar vader die vrijwel helemaal verlamd is en zelfmoord wil plegen. Zij begint net met leven en hij is er klaar mee. Leven en dood worden hier recht tegenover elkaar gezet. De film is grappig, maar ook afgrijselijk pijnlijk. Dat vind ik er zo goed aan.
Je houdt meteen van Nena. Ik had vroeger denk ik zo stoer en tegendraads willen zijn als zij. Maar dat was ik niet. Wel had ik alvast zo’n leren jas.

Geen reacties


maandag 08 september 2014

Het verschieten

We brachten het weekend bij mijn ouders door. Er kwamen daar twee mensen van Hejs Nejs, de dorpsglossy. In het kantoor van mijn moeder werd ik geïnterviewd. De eerste vraag was: ‘haal eens wat jeugdherinneringen op.’ Dat was geen vraag, daarom wist ik ook niet meteen een antwoord. Daarna ging het me beter af. Sommige dingen die naar boven kwamen, konden uiteindelijk niet in het blaadje. Omdat het blad een positieve uitstraling moest hebben.
We hadden het ook nog over het stuk in Trouw en dat ik daarin geschreven had dat de rolluiken hier vaak dicht waren.
‘Dat is omdat anders de meubels verschieten’, zei de interviewster. Ik wist dat niet. Ik vond dat een mooie verklaring. Maar al verschiet ons meubilair niet, wijzelf zullen op een dag verschoten zijn. Dat hou je niet tegen.

Geen reacties


vrijdag 05 september 2014

Leestrip

Ik heb gelezen ‘Hier wonen ook mensen’ van Rob van Essen. En daarna las ik ‘Roxy’ van Esther Gerritsen. Die twee boeken hebben niets met elkaar te maken. Het ene is net uit en het andere boek moet nog uitkomen. Een verhalenbundel en een roman.
Wat ze gemeen hebben is dat ze goed zijn. Hier wonen ook mensen kon ik niet wegleggen, letterlijk, op het laatst zat ik in het park het titelverhaal te lezen, het begon te regenen en ik bleef zitten.
Op de tafel stond geschreven Kilroy was here. De wereld draaide een kwartslag en kwam tot leven. De leeservaring veroorzaakte dat waar al de personages volgens de achterflap naar op zoek zijn. Geluk, verlossing, verlichting.

Iets soortgelijks – maar dus totaal anders – gebeurde terwijl ik de roman Roxy aan het lezen. Het boek werd mij gegeven op de ene dag en de volgende ochtend was het uit. Happend naar adem kwam ik boven water. Rende een tijdje de trappen op en neer om al die verraderlijkheid van me af te schudden. Dan was er nog het jammere gevoel. Het boek is uit. En ik wil weten hoe het verdergaat met Roxy.

Het is alsof ik onlangs 2 keer in een ouderwetse leestrip gezeten heb.
Nu wil ik weer opnieuw.

Geen reacties


donderdag 04 september 2014

Waarheen?

Fabio moet vertrekken bij de vrouw waar hij sinds zijn terugkomst verblijft. Vorige week hoopte hij nog op een huwelijk, vandaag weet hij beter. De draad die hij drie jaar geleden liet liggen is niet één, twee, drie op te pakken. Ze wil ‘privacy.’ Maar waar moet hij heen?
‘Het is daar verschrikkelijk, Elkie,’ zegt hij. ‘Alles is weg. Ze aait alleen de poes. De poes zit de hele avond op schoot en ze aait en aait maar. Ze praat ook alleen tegen dat beest.’
‘Ze wil niet met je trouwen. Dat lijkt me duidelijk.’
‘Ik had een huis gebouwd in Brazilië en een mooie vrouw,’ zegt hij. ‘Ze was zo mooi. We zouden trouwen, we hadden al ringen, maar toen ging ik weg. Ik bleef aan Nederland denken.’ Fabio bindt de vuilniszak dicht. ‘Nu voel ik iets voor haar, wat ik nog nooit heb gevoeld. Echt nooit.’
‘Dat komt omdat je ver weg bent,’ zei ik.
‘Ik moet straks heel erg huilen,’ zegt hij. ‘ Ergens in een hoekje.’

Geen reacties


dinsdag 02 september 2014

Jarig of niet?

De zon schijnt. Ik haal Deetje en haar vriendje op van school. We wandelen naar huis. Het zijn net Jip en Janneke die hand in hand achter mij lopen. Janneke vertelt Jip over de poes in de straat die op zondag is overreden door een auto.
‘En nou is de poes dood,’ zegt ze.
‘Dood?’ zegt Jip.
‘Ja, en als je dood wordt, kun je niet meer bewegen én niet meer praten,’ vult Janneke aan.
‘Een poes praat niet,’ zegt Jip. ‘Een poes mauwt.’
‘Ja, een poes mauwt,’ zegt Janneke, ‘maar als wij dood zijn geworden, kunnen we niet meer praten. En niet lopen, toch Jip? Dan liggen we helemaal stil!’
‘Ja!’ roept Jip, ‘we liggen stil! En dan kunnen we óók niet meer ruiken én niet meer zien, toch Janneke?’
‘Nee, én niet meer proeven,’ zegt Janneke. En niet voelen.’
‘En niet meer horen!’
‘En niet ademen!’ roept Janneke.
Na een tijdje: ‘Oma D. was ook dood, hè mam?’
‘Ja,’ zeg ik.
‘Maar ze is nog wel jarig, toch?’ Ze fronst als ze mij aankijkt.
‘Ja, ze is nog wel gewoon jarig hoor Janneke,’ zegt Jip.

Geen reacties


vrijdag 29 augustus 2014

Tijdreis

Halverwege het Diemerpark rende ik, voor zover je van rennen kon spreken, het was een paar stappen hardlopen, stoppen vanwege pijn, uitblazen, verder strompelen, ik moest om de zoveel meter stilstaan omdat mijn longen zeer deden. Omdat ik dacht dat ik geen lucht meer kreeg. De verkoudheid er even uitlopen, was veel te optimistisch gedacht. De verkoudheid erkennen zou misschien een beter idee zijn geweest.
Het was het einde van de middag, de zon scheen. Het was hier stil en verlaten. Mooi. Verderop stond alleen een jongeman in de berm. Roerloos. Hij tuurde door een verrekijker over de lege vlakte. Zijn fiets op de weg geparkeerd. Er ging een rust van hem uit. Hij deed me denken aan een ex-vriendje. Iemand van drieëntwintig jaar geleden.
Meer strompelend dan rennend naderde ik de vogelaar. Steeds scherper kreeg ik hem in het vizier. Hij droeg een broek in een aardetint. Donkerblauw fijnbreisel. Halflang donker haar. Pas toen ik een meter of twee van hem verwijderd was, kon ik hem determineren.
Ik begon met mijn schoenen over het asfalt te sloffen. (Mijn manier van contact zoeken) Hij keek op.
‘Jij aan het rennen?’ zei hij.
‘Jij grijs haar.’
‘Ik was hier aan het ontspannen.’
‘Ik ook. Iets gezien?’
‘Een valk.’
Ik keek omhoog en zag de kale electriciteitsdraden.
‘Ja, die is nu weggevlogen,’ zei hij.
Na een praatje, – alsof ik een andere tijd in was gestrompeld, het verleden in geflitst – vervolgde ik mijn oude pad en stapte hij op zijn fiets. Het heden weer in. Even later stond ik thuis, binnen in de woonkamer. Met die gekke, oppervlakkige ademhaling van mij.

Geen reacties


donderdag 28 augustus 2014

Fabio is terug

Als ik de deur opendoe, staat daar Fabio, onze oude schoonmaker. Hij was drie en een half jaar spoorloos verdwenen. Voorgoed terug naar zijn land of dood.
‘Ik ben er weer, Elkie,’ zegt hij.
‘Wat goed! Waar was je?’
‘Ik ben weer terug.’
Ik laat hem binnen. We drinken thee in de tuin.
‘Is dat jouw baby, Elkie?’ zegt Fabio na een tijdje. Hij wijst naar Deetje die vanachter haar bureautje naar hem aan het loeren is. Ze is slijpt het ene potlood na het andere. De punten zijn loei scherp.
‘Dat is mijn baby,’ zeg ik. Ik bid dat mijn baby geen ‘fakjoe’ roept nu. Maar dat doet mijn baby natuurlijk niet.
‘Dag!’ zegt Fabio tegen haar, ‘ik ben Fabio. Ik kom jullie huis  schoonmaken.’
‘Ook het dak?’ vraagt mijn baby meteen.
‘Dat is wel hoog,’ zegt Fabio.
‘O, oké.’
Na de thee controleert Fabio het poetskastje en hij ziet dat het niet goed geordend is. Heel onlogisch. Er liggen dingen in die er niet in horen. Even later zit hij er op zijn knieën voor en vertelt me wat er wel en niet in hoort. Waarom liggen hier bellenblazen? Ik moet hem het antwoord schuldig blijven. Hij houdt een dweilmop omhoog, nog in plastic.
‘Deze heb jij verkeerd gekocht, Elkie,’ zegt hij. ‘Die ligt er nog.’
‘Dan zal ik ‘m maar eens weggooien, hè?’ zeg ik, ‘als dat ding er al bijna vier jaar ligt.’
‘Ja,’ zegt hij.
‘Dat jij dat nog onthouden hebt,’ zeg ik.
Fabio glimlacht.
Mijn baby is eigenlijk het enige waaraan we kunnen zien dat er drieëneenhalf jaar tussenzit. Mijn baby bestaat namelijk niet meer.
‘Ik kom morgen,’ zegt Fabio. ‘Het is wel nodig.’

Geen reacties


woensdag 27 augustus 2014

Flitsen

De kinderen naar school gebracht. Met een loopfiets onder mijn arm wandel ik terug naar huis. Daar fietst de huisman weer. Langzaam, gelaten. Lege bakfiets. Alles aan hem ‘hangt’. Ik schiet een zijstraat in. In een woonkamer zie ik iemand zitten achter zijn laptop. Een duistere gestalte. Een thuiswerker. Hij kijkt terug vanuit zijn donkere hol en haast onmerkbaar versnel ik mijn pas.
Ik droomde vannacht dat ik met mijn oude buurmeisje speelde. Boven op haar kamer. Een omgebouwde zolder. We slopen naar de slaapkamer van haar ouders waar we ons installeerden op hun bed en naar het zwart-wit teeveetje keken op de teakhouten kast. Even later kwam ook haar grote zus erbij zitten. We zaten daar totdat er onderaan de trap werd geroepen dat ik naar huis moest om te eten. Het was half zes. Wij aten altijd om half zes en zij om half zeven.
Vanmorgen at ik brood met de meisjes en luisterden we naar Happy Day. Het valt me op dat ze altijd kalm en vredig worden van liedjes met Jezus erin.

Geen reacties


dinsdag 26 augustus 2014

f a k

’s Avonds kan de grote niet slapen, gewoon omdat ze niet kan slapen. ’s Nachts staat de kleine aan ons bed te fluisteren: ‘Ik ben zo bang. Ik ben zo bang.’
‘In de vroege ochtend hoor ik gestamp. Daarna is er het vreselijke gillen: ‘Kutmens, fak joe, kutmens, fak joe.’
De meisjes maken zich op om naar school te gaan.
‘Fak joe. Ik haat je. Fak fak fak joe. Kut kut kutmens,’ schreeuwen ze tegen elkaar.
Het is de tweede week na de grote vakantie. Mijn brave, sociale, behulpzame kinderen lijken wat moeite te hebben om de draad weer op het pakken. Om weer in het stramien te komen.
De kleine blijft maar orders uitdelen. Duidelijke orders. Dwangbevelen. En FAK JOE!  erachteraan.
‘Doe jij op school ook zo raar?’ vraag ik.
‘Nee, natuurlijk niet,’ zegt ze. ‘Dat mag echt niet van de juf.’ Ze glimlacht naar me.

Geen reacties


maandag 25 augustus 2014

preoccupatie

Op zondagmiddag zit de vierjarige op haar kamer en speelt met de playmobil.
‘Gaan NoeNoe en Ronnie ook dood?’ klinkt het plotseling van boven. NoeNoe en Ronnie zijn onze katten.
‘Ja,’ zeg ik.
‘O,’ zegt ze, ‘dus iedereen gaat dood. Maar wat dan?’
‘Wat dan?’
‘Wat gebeurt er dan?’ zegt ze iets harder.
‘Dat weet ik ook niet.’
‘WAT GEBEURT ER DAN?’
‘Dat weet ik niet!’
‘We zijn dood en wat dan?’
‘Geen idee.’
‘O.’
Ze speelt weer verder.

Op maandagochtend aan het ontbijt zegt ze: ‘We zitten allemaal in een boek!’
‘Zitten we IN een boek?’
‘Ja. We zitten in een boek.’
‘Hoe kom je daar nou bij?’
‘Dat is gewoon zo.’
‘Heb je dat ergens gehoord?’
‘Dit is niet voor nep, dit is echt waar.’ De vierjarige pulkt de korstjes van haar brood. ‘We zitten in een boek.’
‘En iemand draait de bladzijdes om,’ vult de negenjarige haar enthousiast aan. ‘En als we dood zijn is het boek uit.’

Geen reacties


donderdag 21 augustus 2014

De werkkamer

Na vijf weken fiets ik weer naar de werkkamer. Voor ik naar de werkkamer kon gaan, moest ik van mezelf al dagen eerst mijn werk af hebben. Uitstelgedrag. Maar nu is het af. Ik kan gaan. Ik moet wel. Ik wou zelf zo graag een werkkamer buitenshuis. Als ik eenmaal zit, valt het vast mee.Maar ik heb mijn tas nog niet uitgepakt of mijn telefoon gaat.
‘Het is met meester Mark. Deetje heeft luis.’
‘O.’
‘Wil je haar op komen halen?’
‘Ik ben op mijn werkkamer. Ik heb zo een afspraak.’
‘Dan moet je je man maar bellen.’
‘Die kan ook niet.’
Ze moet nu een behandeling.’
‘Dat heeft toch geen zin,’ zeg ik.
‘Ze moet shampoo.’
‘Het spul moet acht uur inwerken voor het überhaupt werkt,’ zeg ik.
‘Ze mag hier in ieder geval niet blijven,’ zegt hij beslist.
Ik zwijg.

Geen reacties


dinsdag 19 augustus 2014

Geheim

‘Hier,’ zegt ze zacht en geeft me haar spiegeltje. ‘Je hebt iets tussen je tanden.’
In het gebroken glas zie ik dat er iets groens tussen mijn voor- en hoektand zit. We hebben ons verzameld in de lobby van een hotel. Ik ben er als eerste. Eén voor één druppelen er mensen binnen. Ik ken ze niet. Er worden handen geschud en namen genoemd die ik meteen weer vergeet. Ik glimlach en heb dus al die tijd iets groens tussen mijn tanden.Ik moet denken aan de vrouw die vorige week tegen mij zei: ‘Als je zo oud bent als ik, is een tandenstoker na alles wat je eet echt noodzakelijk.’
Na een tijdje begint de man in de hotellobby te vertellen waarom we daar zijn.
Voor hij doorpraat, wil hij dat we een geheimhoudingsverklaring tekenen. Tekenen we die niet, dan moeten we weg. We tekenen allemaal braaf. Tegenover mij aan tafel laat iemand het vaasje plastic bloemen in haar tas glijden.

7 reacties


maandag 18 augustus 2014

Maandagochtend

Jeetje gaat voor het eerst naar de bovenbouw op nieuwe gympen met goud erin. Groep zes/zeven/acht. Nieuwe groep, nieuwe juf,
JE BENT NOOIT KLAAR lees ik op de brief die op haar tafeltje ligt. Er staat: je werkt altijd door. Als je je opdracht af hebt, begin je met de volgende opdracht. Nogmaals: Je bent nooit klaar.
De woorden vallen zwaar op mijn maag. Zo op de eerste de maandagochtend na de grote vakantie. Het regent ook al.

Ik sta op de gang nog even stiekem naar Deetje in groep één te kijken. Hoe ze keurig aan haar tafeltje zit, in haar gele rokje. Dan zie ik hoe een vader – een lange man in een rood windjack – zich naar haar toebuigt.
Hij kijkt naar het naamplaatje en zegt: DAG DEETJE!
Ze kijkt op.
IK KOM JE VANMIDDAG HALEN, HE? zegt hij.
Ze blijft hem aankijken.
De lange man grijnst naar haar. GRAPJE! roept hij.
Deetje lacht niet.

Geen reacties


zondag 17 augustus 2014

Vrolijke wereld

‘Ik denk toch niet dat ik ooit een boek ga schrijven,’ zei een cursiste bij de evaluatie. ‘Het is zo naar. Daar hou ik helemaal niet van. Narigheid.’
‘Het hoeft niet per se naar te zijn wat je schrijft.’
‘Het was allemaal zo dramatisch,’ zei ze.
‘O. Maar. En. Tja. Drama. Contrast.’
‘Er is al ellende genoeg op de wereld,’ zei ze. ‘Ik wil mensen vrolijk maken.’
‘Dat kan best hoor.’
‘Misschien moet jij volgende keer zelf ook wat vrolijkers schrijven,’ zei ze.
‘Bedankt voor de tip.’

Geen reacties


zaterdag 16 augustus 2014

Onzichtbaar

‘Ben ik nog iemand vergeten?’ zeg ik en klap mijn schrift dicht. Het is vrijdag. De schrijfcursus is afgelopen en iedereen heeft zojuist nog iets mogen zeggen ter afsluiting. Het is meer voor de vorm dat ik het vraag. Ik weet namelijk zeker dat ik niemand oversloeg. Ik heb de namen geteld, de gezichten gespot. De hele week houd ik alles al nauwkeurig bij in mijn schrift.
‘Gelukkig ben ik niemand vergeten.’ Ik leun achterover, mijn armen over elkaar. ‘Dat vind ik altijd zo afschuwelijk.’
‘Alleen mij, een beetje.’ Achterin het lokaal gaat er een vinger half de lucht in. Het meisje met de piercing. Heel kort sluit ik mijn ogen. In het kleine klaslokaal gonst haar naam.
‘Ja, je bent haar weer vergeten!’ wordt er om me heen gezegd.
‘Het geeft niet hoor.’ Ze glimlacht.
‘Je stond op de volgende bladzijde van m’n schrift,’ zeg ik snel. Maar dat is geen excuus. Terwijl ik in die vijf dagen nogal obsessief bezig ben geweest met het niet-vergeten van mensen, overkomt het me toch twee keer bij hetzelfde meisje.
In groepen word ikzelf meestal ook over het hoofd gezien. En vroeger – in klassenverband – was ik altijd degene die systematisch werd overgeslagen of vergeten. Ik weet niet precies wat het is. De onzichtbaarheid en ik zijn nooit ver van elkaar verwijderd. De onzichtbaarheid en zij blijkbaar ook niet.

 

Geen reacties


woensdag 13 augustus 2014

Mijn universum

Deze hele week schrijf ik niet, maar geef ik les aan twaalf mensen die schrijven. We zitten in een klein lokaal. De tafels staan in carré-vorm en ik zit aan het hoofd ervan. Met achter mij het whiteboard. Er wordt hard gewerkt. Opengeklapte laptops staan op tafel. Alle ogen gericht op de kleine schermpjes. Een enkeling doet het met de hand. Dat ziet er kalm uit. Maar dat is omdat ik het niet hoor. Ik zit gebogen over mijn rode schrift en schipper met de uren. Steeds opnieuw maak ik tijdschema’s en schrijf namen op, wie heeft net voorgelezen en wie is daarna aan de beurt. Hoe lang moet een korte pauze duren? Wanneer is die nodig? Hoeveel tijd gaat er zitten in het bespreken van een stuk tekst? Hoeveel tijd mag je daarvoor nemen zonder de dynamiek te verstoren. Om mij heen is er het tikken van vingers op toetsenborden. Steeds harder slaan ze op de toetsen. Steeds sneller gaan ze.
Op het bord schrijf ik dingen op als: Show, don’t tell. Schrijf het gevoel niet op, laat het de lezer voelen. Suggestie.
Een tijdlang hoor ik alleen het typen. Daarna beluister ik hoe mijn cursisten op dag twee al – stuk voor stuk – terecht zijn gekomen in vreemde werelden. Hoe twaalf nieuwe universums zich openen.

Geen reacties


donderdag 07 augustus 2014

Ezel

Ik zag eindelijk weer eens een ezel. Ze stond in de kinderboerderij en leek zwanger, maar was gewoon te dik en net aan de dood ontsnapt. De vrijwilligster die de ezels verzorgde en die korsten op haar gezicht had, eentje precies tussen haar wenkbrauwen, als een groot en grillig derde oog, zei dat het beest verpulverde hoeven had en dat ze haar daarom af hadden willen maken. Als zij er niet was geweest. Nu behandelde de vrijwilligster de hoeven tweemaal daags met teer. Zij reed op hoog niveau paard en deed dressuur en wist zodoende veel van hoeven.
‘Ik heb op hoog niveau gereden,’ zei ze er toen bij. ‘Vroeger.’
De ezelmevrouw krabde kort aan haar derde oog. Ik zag haar pluizige haar. Halverwege de dertig was ze misschien. Wat was er gebeurd tussen vroeger en nu?
Ik keek van de ezelmevrouw naar de ezel.
Normaal zou ik nooit zo lang naar een ezel kijken, maar sinds wij er met eentje op vakantie zijn geweest, kijk ik er toch anders tegenaan. Het is een bekend beest geworden. Ik sta dichtbij de ezelwereld.
‘De ezel is geen vrolijkerd,’ zei de kapper vandaag. ‘Het is van naturen een depressief beest. Je had beter met een schaap kunnen gaan lopen.’

Geen reacties


maandag 04 augustus 2014

Nieuw arsenaal aan tics en uitspraken

Er was een oude Franse vrouw die een smerig huis verhuurde, ons er al vroeg in de ochtend uit kwam jagen en na elke zin die ze uitsprak haar kruis vastgreep. Met volle hand.
Er was een enorme Engelse verpleegster die 25 jaar in Zuid-Frankrijk had gewerkt en die toen ze met pensioen was een enorm klooster kocht in een diep dal in de Auvergne. Ze woonde er met haar honden en geiten en in de zomer ontving ze gasten met paarden en ezels. Ze bakte enorme pizza’s. We sliepen met z’n vieren in een brandschone slaapzaal met vijftien bedden onder paardendekens. Ze was als een liefhebbende moeder voor ons, maar ’s nachts bedacht ik me dat ze ook elk moment de zaal zou kunnen binnenstormen in een verpleegstersuniform om ons God weet wat toe te dienen.
Er was een zeer gastvrij Nederlands echtpaar dat tien jaar geleden een B&B begon op een top van een berg. Maar ik zag nooit dat het een bergtop was omdat het mistig was en regende.
Ik zei: Misschien blijft de regen hier hangen omdat jullie in een dal zitten?
De meneer zei heel vaak: ‘Normaal zitten we elke dag op het terras, maar dit jaar hebben nog maar vier keer buiten gezeten.
De mevrouw zei: ‘Maar er zijn ergere dingen. Zo is het toch? Het komt zoals het komt.’
Ook was er onze ezel Nenet die gevoelige hoefjes had, niet door modderstromen wilde lopen en daarnaast een autoriteitsprobleem had. Ze was omkoopbaar noch ergens met lichte agressie toe te dwingen. De enige twee methodes die ik ken als het op leidinggeven aankomt.
Dit waren een paar types die ik tijdens de vakantie tegenkwam.
Weer een paar nieuwe eigenaardigheden erbij, uitspraken, gebaren die ik onthouden zal om ooit te gebruiken. Zo werkt dat. – Dit in het kader van de zomercursus die ik volgende week ga geven en die gaat over hoe je je werkelijkheid gebruikt in literatuur. –

Geen reacties


vrijdag 18 juli 2014

Inpakken

Het verschil tussen ons en de andere mensen: papa en ik zijn geen gezelschapsdieren.
Ik denk dat het voor mama beter zou zijn als we dat wel waren geweest. Zij kletst heel graag. Maar op de dag dat ze het sanitair net weet te vinden en tegen de mensen daar begint aan te praten, vertrekken we. Als ze op de volgende camping eenmaal doorheeft hoe de paadjes lopen, is dat een teken dat we moeten gaan. Mama vindt namelijk altijd iemand. Ook al staan we op hele kleine campings waar geen hond naartoe gaat omdat het er uitgestorven is, in de wijde omgeving niets te beleven en het landschap eentonig. Naaldbossen. Daar zijn we van gaan houden.
Terwijl papa en ik onze spullen inpakken, gaat mama alvast in onze auto zitten wachten, met de deuren en ramen dicht. Een snelkookpan. Ze kan er absoluut niet tegen als de tent neergaat en ons kamp wordt opgebroken. Soms lijkt het of ze bang is dat we haar vergeten mee te nemen. Zoals dieren dat vaak hebben. Gelukkig hebben we maar een klein tentje en is het inpakken zo gebeurd.

3 reacties


donderdag 17 juli 2014

Allergelukkigst

Onze binnentent is altijd zeiknat van ons geadem en mama’s scheten. Ons tentje heeft een schutkleur. Van veraf kun je ‘m haast niet in het gras zien staan. De hoogst haalbare vorm van onzichtbaarheid vindt papa. We hebben de beste camping ooit. We hebben het veld al twee dagen voor ons alleen. Al die tijd sta ik op mijn handen. Mama ligt in haar badpak in de zon, plat op haar dikke buik, met rossige armen en benen wijd, te slapen. Het zweet drupt onder haar oksels vandaan en langs haar liezen. Haar hoofd is knalrood. Ze is levend aan het verbranden, maar wil zich per se niet insmeren. Papa zit even verderop onder een boom te lezen. In kleermakerszit. Hij draagt alleen een zwart slipje. Zijn rug is gekromd, zijn ribben steken iets uit. We zijn op ons allergelukkigst zo. Al beginnen mijn polsen wel te krakken van het steeds op mijn handen staan.
‘Wil jullie dochter misschien met onze kinderen spelen?’
Op de derde dag zie ik een paar gladde vrouwenbenen naast me in het gras. Gelakte nagels in teenslippers. Daarnaast een heleboel paar blote kindervoeten.
Voordat de mevrouw meer kan zeggen, sta ik al rechtop en maak een snoekduik de tent in.
De hele verdere dag blijf ik daarbinnen. Terwijl de zon recht door het doek heen brandt, intussen alle kinderen van de camping eromheen cirkelen als roofdieren en onophoudelijk dreigen ze: ‘Als je eruit komt, gaan we met je spelen. Spelen. Spelen.’
De volgende ochtend, nog voor de rest van de camping wakker is, nog voor het sanitair gepoetst is, vertrekken we.
‘Het was zo’n mens dat uit was op contact,’ zegt papa over die mevrouw. We rillen.
Het allerergste wat mensen ons kunnen vragen is: ‘Komen jullie straks bij ons een glaasje drinken?’ Maar gelukkig heeft nog nooit iemand dit recht in ons gezicht gezegd. Omdat we altijd op tijd weg zijn, zegt papa. Omdat er niemand op deze hele aardkloot is die met ons een glaasje zou willen drinken, zeg ik. Vanwege mama. Gelukkig.

Geen reacties


woensdag 16 juli 2014

Meisjes

Er zaten plotseling twee paardenmeisjes tegenover me aan tafel. We aten spaghetti bolognese en om de beurt oefenden we het hinniken. Ik werd er schor van. De tweede dag van het ponykamp was voorbij en ze vertelden over pony’s die mishandeld werden door andere, kleinere, gemenere kinderen en die beesten hadden steeds hulpbehoevend naar hen gekeken.
Een elfjarig meisje had ‘kutbeest’ tegen een paard gezegd.
Na het eten gaf ik de negenjarigen een split en toen moesten ze in bad om het zand en stof en de paardenmest af te spoelen. In bad speelden ze met de paarden en de barbies. Ik bekeek foto’s van mijn vierjarige meisje dat tweehonderd kilometer verderop lag te slapen. Ze had de hele dag kikkervisjes gevangen zag ik. Toen de paardenmeisjes in bed lagen, en ik boven alleen soms nog een zacht gehinnik en gestamp hoorde, keek ik een programma over tienermoeders. Ik zag een hoogzwangere vijftienjarige die dertig sigaretten per dag rookte. Haar moeder gaf ze haar brandend aan. Ook zag ik een negentienjarige die in verwachting was van haar derde kind. En geen contact meer had met haar ouders, geen vrienden had en geen werk. Ik keek programma’s over zwangere tieners totdat het nacht was, man terugkwam van een avondje uit en de paardenmeisjes allang sliepen met hun knuffels.
‘Waarom ben jij ineens geïnteresseerd in tienermoeders?’ vroeg man.

Geen reacties


maandag 14 juli 2014

Hart

We lagen in bed nog wat te praten, maar middenin een zin dacht ik steeds: als mijn hart er nu maar niet mee stopt, als mijn hart er nu maar niet mee stopt, als…Toen zei ik het hardop.
‘Ik denk steeds dat mijn hart er elk moment mee kan stoppen. En als ik dat denk voel ik me zo claustrofobisch in dit lichaam dat maar doet wat het wil.’
Ik weet niet meer wat hij antwoordde, maar wel weet ik dat ik daarna dacht: als zijn hart er nu maar niet mee stopt. Terwijl hij iets aan het zeggen was, over de verf die we deze dagen op de muren gaan smeren, keek ik naar die prachtige borstkast naast me. Met daar binnenin dus een hart. Zijn hart. Dat niet mag stoppen. Het is een wonder dat het klopt en wie weet hangt het nu al aan een zijden draadje, hoeft er maar dit te gebeuren of het houdt er mee op en word ik morgenochtend wakker met naast me een hele stille man.
Opschrijven helpt niet. Het bezweren heeft geen zin. Op een dag stoppen harten.

Geen reacties


vrijdag 11 juli 2014

Het duurt maar een paar weken

‘Ik zie zo op tegen het inpakken alleen al, dat ik liever helemaal niet ga,’ zei ze. We zaten bij Jeugdland en keken naar het spelend kroost.
‘Het ergste is nog dat het dan leuk moet zijn.’ Ze pakte haar zoontje van de grond en begon hem de borst te geven. ‘Het is vakantie. Nu moet het gebeuren. Dit is de leukste tijd van het jaar. Hier horen we naartoe te leven.’
Zij zuchtte en mijn hart bloedde.
Ik, hierboven, houd nu daarom een paar minuten stilte om in gedachten bij haar te kunnen zijn, en ook bij mijn buurtgenoten. In onze straat is het al veel rustiger dan anders. De uittocht is begonnen. Het is zover. Ik sluit mijn ogen en denk aan hen die vandaag aan het pakken zijn, hun koelkast schoonmaken, de vriezer nog moeten ontdooien, ook denk ik aan hen die al heelhuids op de plaats van bestemming zijn aangekomen. Daar waar het gebeuren moet: het ontspannen, het samenzijn, de verbinding. Het geluk. Ik denk aan al die torenhoge verwachtingen, net zo hoog als de stapel boeken die ongelezen retour komt. Als het maar mooi weer is. In gedachten ben ik bij hen die de eerste bommetjes in het zwembad er al op hebben zitten. Jullie bedoelen het goed, wil ik ze meegeven, jullie zijn ook maar mensen. Ik ben er. Onthoud dat. Jullie zijn niet alleen.
‘Ik hou heel veel van mijn man,’ zei ze, ‘maar op vakantie komen we er altijd achter hoe verschillend we de dingen aanpakken. Thuis doen we ieder ons eigen ding, dan gaat het beter. Dan zien we elkaar nooit.’ Ze zette haar zoon weer terug en deed haar blouse naar beneden.
‘Weet je, ik hou ook gewoon van mijn werk,’ zei ze.

Geen reacties


woensdag 09 juli 2014

Zwaaien naar de onzichtbare wereld

De voorstelling de Onzichtbare Man gezien in een loods op het Over het IJ festival. Het wordt verteld door de kunstenaar en de onzichtbare man zelf.
Over de parallelle wereld die wij niet zien maar die er altijd ook is. De illegaal die z’n best doet zo onzichtbaar mogelijk te blijven door zoveel mogelijk verschillende verhalen te vertellen. De ongrijpbare man.
De onmogelijkheid tot echt contact tussen de kunstenaar uit Amsterdam en de illegaal die hier verblijft. De werelden raken elkaar nergens echt. Al leven ze in dezelfde ruimte, werken ze aan hetzelfde kunstproject, de afstand is niet te overbruggen.
Ik moet denken aan het ‘contact’ met de onzichtbare man die ik ken en die nu al meer dan een jaar verdwenen is. Maar ik kijk nog heel vaak rond of ik hem soms ergens zie. Ook hij belde elke dag met zijn moeder. De illegaal in de voorstelling zei: ‘als ik mijn moeder hoor, ben ik thuis.’ Maar waar zijn ze gebleven als hun moeders er niet meer zijn?
We passeren de onzichtbare mensen dagelijks op straat. Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naartoe? Op zoek naar een beter leven. Meestal vragen we ons dat niet af, meestal lopen we er gewoon voorbij. In de voorstelling wordt ook korte metten gemaakt met onze zucht tot het willen ‘helpen’ van de illegaal. Uit schuldgevoel of wat dan ook.
Die onzichtbare wereld valt mij vaak wel op, beter dan de zichtbare wereld eigenlijk (daar banjer ik vaak doorheen zonder iets te zien). Maar meer dan ernaar zwaaien, doe ik niet.

Geen reacties


zaterdag 05 juli 2014

Verzin iets!

Ik was op de afstudeerexpo van ArtEZ, vrije kunst, grafisch design, en wat al nog meer. We betraden een ondergrondse, labyrintische wereld vol objecten. Technologie. Reuzenapparaten. Zwevende buizen. Ik kon zo snel niet zien wat het allemaal voorstelde. Maar veel was zwart, of wit, of beschimmeld. Op een gigantisch oudroze sterrenstelsel na dat in het midden van de ruimte zweefde.
Dit is dus wat er in de hoofden van de mensen zit, dacht ik. Wonderlijk.
Ik wilde er nog wel even ronddwalen, maar we moesten weg want boven de grond begon de diploma-uitreiking.
Daar hield alles op. Waar de studenten in de kelders zichzelf binnenste buiten hadden gekeerd om de werken die er opgesteld stonden, te maken, toonden hun docenten geen enkele geestdrift.
Voor elke afgestudeerde die naar voren werd geroepen, was er een praatje. Niet te volgen of niet te verstaan of allebei niet. Op vlakke toon, binnensmonds, in het brak Engels, onpersoonlijk en dus: te lang. Er was één docent die  uit zijn woorden kon komen en betrokkenheid toonde.
Mijn kleine moest gelukkig een paar keer naar de wc. En vlak voor het einde moesten we halsoverkop de zaal verlaten omdat de pluche hond die ze mee had, ineens enorm aan de schijterij bleek te zijn. Voor de rest hield ze zich goed.

Geen reacties


donderdag 03 juli 2014

Ontmoeting in de gang.

Jij hebt zo’n leuk kind, zegt een moeder tegen mij in de gang van de school. Nou jij ook, wil ik zeggen, jouw kind was mij ook al opgevallen vanwege leukheid. Maar ik weet niet welk kind het hare is. Dat komt omdat ik slecht ben in gezichten en soms dus ook niet op tijd gedag zeg of helemaal niet, waarvoor ik pas nog op straat die enorme uitbrander kreeg. Al heb ik ook gewoon slechte ogen omdat ik uit ijdelheid mijn bril niet opzet.
Feit is dat mijn kind nog maar net in die klas zit, ik niet alle kinderen van groep 1/2 ken en ik de kinderen van groep 3/4/5 ook al moet kennen van gezicht en naam. En de ouders. En de opa’s en oma’s als die hen op komen halen. Of de au-pairs. Maar die haal je er meestal makkelijk uit.
Die moeder staat met een wandelwagen bij de lift te wachten en ik sta op het punt de trap af te gaan, als ze het tegen mij zegt. Jij hebt zo’n leuk kind. Ik vind de moeder zelf meteen heel leuk, maar zeg niks. Haar onthou ik wel. Ze heeft een blauw/zwart oog, rondom gezwollen, en een hoop schrammen bij haar mond. Maar ze beweegt alsof er niks aan de hand is. Misschien heeft ze een man met losse handjes vanwege het WK. Daarover heb ik gisteren gelezen in de krant. Als er voetbal is, is er meer huiselijk geweld. Zolang er gewonnen wordt, hoeven er mij dunkt geen moeders met blauwe ogen en geschramde monden rond te lopen. Dus ze is waarschijnlijk gestruikeld. Nog goed dat ze niet blind geworden is. En dat haar baby niet gewond is geraakt.
Ik staar de moeder waarschijnlijk net te lang aan want op een gegeven moment, zegt ze: ‘nou dat wou ik eigenlijk alleen maar even zeggen’ en ze verdwijnt in de lift.

Geen reacties


dinsdag 01 juli 2014

Betekenis aan de dingen

De ochtend was zonnig, ik kwam langs velden met kleurige bloemen en toen gebeurde het. Net op tijd zette ik mijn voet nog iets verder naar voren, zodat die niet per ongeluk middenin het konijn terechtkwam. Het was een flink beest. De ogen waren stil, oren lagen op elkaar, het mondje open. Ik gilde. Het was denk ik de plotselinge confrontatie met de dood zo vlak voor mijn voeten. Het had iets symbolisch. Maar ik stapte er dus net op het nippertje overheen. Het betekent verder ook niets. Meteen daarna zag ik al een piepklein konijntje over de weg huppelen.
In mijn hoofd bedacht ik waar mijn 4 lievelingsboeken over gingen en hoe ik dat het beste in 1 à 2 minuten kon verwoorden voor het cameraploegje van Shotofjoy dat me ’s middags zou komen filmen. Ik moest oneliners hebben. Maar al gauw kwam ik aan bij dwarsverbanden, mogelijke betekenissen, dubbelgangersmotieven, spel met woorden, werkelijkheid en fictie, identiteit wat is dat? Ik probeerde niet meer aan het dode konijn te denken.
In mijn tuin werd ik uiteindelijk gefilmd. Echt iets voor shotofjoy. Omdat het leuk was als ik zou bewegen, mocht ik met een fleurig tafelkleed wapperen en het op de tafel leggen, ook verplaatste ik de opblaasboot die tegen de schutting stond een paar keer. Het gaat om de betekenis die je zelf aan de dingen toekent, dacht ik.

Geen reacties


vrijdag 27 juni 2014

Afstandelijk

Op het moment dat ik hem passeerde, zei ik de kennis voorzichtig gedag ‘Hee hoi.’
Onmiddellijk trapte hij op zijn rem en riep: Wat is dat toch met jou? Jij doet altijd zo afstandelijk! Alsof je me niet wil groeten!’
Hij keek me recht aan, fonkelende ogen.

Even hiervoor hadden we met onze fietsen naast elkaar bij het stoplicht gestaan. Hij kwam na mij, maar hield zijn hoofd van me afgewend. Ik dacht dat hij me niet had gezien, of niet herkend misschien. Hij was ook niet gevoelig voor mijn aandachttrekkerige blik.
Het duurt lang voor het groen wordt, als je almaar aan het wachten bent tot een kennis je kant een keer op kijkt en je nonchalant je ‘hee hoi’ kunt zeggen. Ook heb ik me naarstig af staan vragen of ik zou moeten inbreken, hem op zijn schouders zou moeten tikken of alleen ‘Hee hoi!’ schreeuwen. Maar daar hou ik echt niet van.
Wat maakt het eigenlijk uit, dacht ik tenslotte. Het is juist mooi om hier naast elkaar voor het rode licht te staan, als twee kennissen, en dan niet te groeten. Waarom zou je altijd groeten? Ik heb nauwelijks iets met die jongen. Ik ben verschrikkelijk slecht in babbeltjes. Misschien hij ook wel. Het is een schrijver tenslotte.
Eindelijk sprong het licht op groen.

Daar waar we elkaar kruisten, ik moest rechtdoor, hij naar links, mompelde ik mijn Hee Hoi
‘Ah toch,’ hoorde ik hem zeggen. Hij stopte en gaf me de volle lading. ‘Waarom ben je zo afstandelijk tegen mij!’
Toen hij zijn hart gelucht had, vervolgde hij wuivend zijn weg, riep dat hij zo blij was dat het nu opgelost was.

Geen reacties


donderdag 26 juni 2014

Onvervangbaar

Dinsdagmiddag besloot ik naar buiten te gaan voor lunch om bewegingloosheid te voorkomen. Dat is voor mij altijd een reëel gevaar. En ik zit tenslotte niet voor niets in de stad te werken. Ik loop de trappen af van het voormalige schoolgebouw, open de deur met de fietssleutels al in mijn hand.
Het volgende moment is er het gat.
De plek waar eerst mijn racefiets stond, is leeg. Nadat ik het fietsenrek honderd keer gecontroleerd heb in de hoop deze waarneming terug te kunnen draaien, besluit ik een blokje om te lopen. Misschien heeft iemand mijn fiets verzet. Even geleend. Waarschijnlijk zetten ze ‘m straks weer terug. Alle ophef voor niets.
De rondes die ik maak worden groter, tot ik merk dat ik de hele stad aan het doorkruisen ben. Als een rechercheur. Op zoek naar mijn fiets. Ik hecht nooit erg aan spullen. Kwijt is kwijt. Weg is weg.
Nu is het anders. Het verlies van deze fiets, is het verlies van mijn vrijheid. Het gat dat er is, kan niet meteen gedicht worden met de nieuwe fiets. Hij is mooier, sneller zelfs, maar het is niet de fiets waarop mijn fietssleutels passen.
De ene fiets heeft niets met de andere te maken. Het is gewoon omdat ik niet zonder kan. Zoals sommige mensen niet alleen kunnen zijn en op de dag na het verlies van hun partner alweer een nieuwe hebben, zo heb ik nu een nieuwe fiets.

Geen reacties


woensdag 25 juni 2014

Breinen

Schrijvers uit Oost. In een oude fabriekshal lazen drie schrijvers hun verhaal voor en daarna was er een gesprek over inspiratiebronnen. Ik vertelde iets over heterogene gemeenschappen en dat er in IJburg geen mensen bestonden die boven de zestig waren. Prompt bleken er natuurlijk twee mensen in het publiek te zitten die op IJburg woonden en boven de zestig waren.
‘Je ziet wat je wil zien,’ riepen ze.
Daar hadden ze gelijk in.
Op het laatst zaten we met z’n vieren op het podium. De schrijvers en de interviewster. Hoe ver ga je in het schrijven? Wat zeg je allemaal wel en wat niet? Heb je de neiging je familie en vrienden te sparen, ook al hebben ze een goed verhaal? Ik heb die neiging eigenlijk niet, dacht ik. Mijn focus ligt op de vraag hoeveel ikzelf durf te zeggen. Het gaat er niet om mijn familie en vrienden niet te sparen. Het gaat me niet om mijn familie en vrienden. Het is mij uiteindelijk om het verhaal te doen. Dat sowieso een ander verhaal zou zijn dan dat van hen. Het gaat om het taalbouwsel. De stijl. De nieuwe werkelijkheid. Waarbinnen alles mogelijk is.

Ik had het ook nog even over Sybren Polet. In zijn boek De Creatieve Factor lees ik vandaag het volgende:
De paradox ontstaat nu dat wie maximaal van zijn creativiteit wil profiteren zijn werk vaak moet onderbreken, hetzij korter of langer. Wie zich forceert produceert misschien wat het onbewuste in eerste instantie niet wil prijsgeven en dat is vaak van mindere kwaliteit: men heeft de scheppende lege plekken dichtbeschreven. (…) Om dezelfde reden kan het een belemmering zijn al te veel af te weten van het onderwerp waarover men wil schrijven of precies te weten hoe een verhaal of structuur zich moet ontwikkelen. De speelruimte wordt hiermee aan het brein ontnomen.

Door deze zin moet ik ineens denken aan Schrijven is Schrappen, het boek werd me een paar weken geleden toegestuurd. Het is geschreven door Hans Hogenkamp. Het staat vol met regels, wat is wel goed en wat niet, wat mag wel en wat niet. Hiermee werd de speelruimte aan mijn brein mij nogal ontnomen.
Maar ik weet natuurlijk niet hoe dat met andere breinen zit.

1 reactie


maandag 23 juni 2014

Poëzie zelf

Tegen de avond zette een taxi – belbus – mij af voor een oud café in Friesland. Ik was de enige die op zondagavond nog in het gehucht moest zijn. ‘Het is mijn laatste ritje vandaag’, zei de bejaarde chauffeur. ‘De meeste mensen weten het wel en regelen ander vervoer op zondag.’
In het café was het niet druk. Alleen de uitbater, zijn vrouw en twee stamgasten zaten rond een tafel te roken. Een reuzeasbak vol peuken tussen hen in.
‘Is het hier?’ vroeg ik.
Ik ging bij hen zitten en kreeg een kop koffie. Een stamgast dronk sinaasappelsap in een wijnglas. Roken deed hij ook niet meer, zei hij. Vanavond was hij daar om afscheid te nemen. Morgen vertrok hij weer voor een maand naar Amerika.
Nog niet zo lang had hij vier maanden door de VS gereden, op een brommer. Hij had het in z’n kop gekregen, en na 22.000 km op de brommer was die kop weer leeg. Wat scheef zat, was rechtgetrokken. Soms waren er beren langs de weg, maar die kunnen niet harder dan 45 km per uur en zijn brommer haalde 50 km. Eén keer zag hij een berenjong in de berm en dan weet je dat er ook een moeder in de buurt is. Hij reed tegen de berg op en daardoor kon zijn brommer niet harder dan 20 km per uur. Dat was zweten. Soms wist hij ook niet of hij zich nou moest wassen of juist niet.
‘Ja, je weet niet waar die ber’n van houden,’ zei de andere stamgast.
In Alaska was hij eenzaam geweest. Als hij ergens was en een telefooncel tegenkwam belde hij naar huis. ‘Hier is alles goed,’ vertelde hij zijn wederhelft. En dan zei zij zoiets als ‘hier ook.’

Langzamerhand stroomde het café vol, de asbak werd naar achteren gebracht, en een koningsblauw gordijn opgehangen tussen de stamtafel en het tapgedeelte waar de poëzieavond gehouden zou worden. Ik baalde ervan dat ik niet alles kon verstaan van het dialect.
‘Jij bent dus schrijver,’ zei de man op een gegeven moment. ‘Waar haal jij je inspiratie vandaan?’
Dat vroeg ik me ook af.
Hij kocht een boek van me en vertrok voor de avond begon. Ik moest naar de andere kant van het gordijn.

Geen reacties


zondag 22 juni 2014

Ontvellen

Gisteren ging ik naar de schoonheidssalon om mijn verjaarscadeau te innen. De gezichtsbehandeling. Languit lag ik op de behandeltafel en werd echt enorm aangepakt. Alsof het gezicht los van een mens bestond. Dat vond ik een goed teken. De juiste werkethos.
Het meisje zweeg. Ook al fijn. Ze schuurde, kneep, wreef, en er werd gloeiend hete hars boven mijn ogen en op mijn bovenlip gedaan. Ik dacht aan het villen van konijntjes. Jeanette Winterson had dat onlangs nog gedaan en daarmee een rel op twitter veroorzaakt. Het meisje depte de wonden met ontsmettingsmiddel.
Het is blijkbaar wel heel erg nodig dat ik hier ben, dacht ik en klemde mijn tanden op elkaar. Misschien heeft ze de hele wenkbrauwen weggehaald. Maar mijn gezicht mag best iets meer voor zichzelf spreken.
Daarna begon de massage. Ik hield mijn tanden nog even zo en probeerde te denken aan een nieuw idee voor een boek.
‘Gaat het?’ vroeg ze op een gegeven moment.
‘Er zitten wat knobbels daar, hè?’ zei ik.
‘Nou,’ zei ze. En daar gingen we weer. Een paar keer dacht ik dat ik haar hand kort in mijn bh voelde. Misschien schoot ze af en toe uit omdat er nogal wat kracht gezet moest worden om die knobbels weg te krijgen.
‘Je ziet eruit alsof je geslagen bent,’ zei man net.

Geen reacties


woensdag 18 juni 2014

wedstrijd

We eten spaghetti en zalm, de opengeklapte laptop staat ook op tafel. Het Nederlands volkslied start. Het beeld is geblokt en bovendien drie minuten vertraagd met de werkelijkheid. Maar dat mag de pret niet drukken. We kijken voetbal. Jeetje probeert erin te komen. Deetje vraagt zich af wat de bedoeling is.
‘De bal moet in het doel,’ zeg ik monter. ‘Dat is dat witte hokje.’
En: ‘wij zijn die mannetjes in dat donkerblauwe pakje. We spelen tegen die gelen. Dat is onze tegenstander. Vij-and.’
‘O, zegt Deetje. ‘Hebben we gewonnen?’ vraagt ze om de paar minuten.
‘Nee, nog niet. Ze gaan nog heel lang voetballen. O, zie je, nu hebben ze ruzie. Ze schoppen en slaan elkaar. Dat mag niet, hè? Dan krijgen ze straf.’
Ze was het daar wel mee eens.
Verder hebben we het nog een paar keer over dat witte hokje, de bal en de richting waarop die zou moeten gaan. Ik leg weer geduldig uit dat dat witte hokje het ‘doel’ is. Ik voel me een expert.
We kunnen nauwelijks gezichten onderscheiden. Buiten wordt gejuicht. Toeters blazen. Claxons. Kinderen schreeuwen. Op ons computerscherm rennen de gele en blauwe vlekken alsof er niets aan de hand is.
Ik zeg: ‘volgens mij hebben we gescoord.’
‘Nee hoor,’ zegt man.
‘Hebben we nou dan gewonnen?’ zucht Deetje.
Pas als het buiten weer stil is geworden, valt het doelpunt bij ons. Zodra ze de maaltijd op heeft, gaat Jeetje naar buiten. Daar is het te doen. Wij kijken dapper verder.

Geen reacties


maandag 16 juni 2014

Ontbreken

Toen ik vandaag terug naar huis fietste, moest ik uitwijken voor een man in een rolstoel die recht op me af kwam rijden. Aan de man ontbraken zijn twee benen. De broekspijpen lagen verfrommeld op de zitting van zijn stoel. Het haar op zijn kop was grijs en stond rechtop, zijn wangen waren ingevallen. Hij keek droef.
Het was spitsuur en hij reed midden op het fietspad langs het Oosterpark, aan de verkeerde kant van de weg. Hordes fietsers reden de spookrijder tegemoet. Het maakte hem werkelijk geen bal uit om nog een keer omver gereden te worden.
Even later stond ik voor het eerst van mijn leven in een gigantische supermarkt met alleen maar dingen voor dieren. De kattenvoerafdeling was helemaal achteraan. Bij de kassa stond een oudere man die twee voortanden miste met de hipster kassajongen te praten over voetballers. Toen ik de winkel weer uit liep, hoorde ik hem zeggen: ‘Ik ben oud en ik kan helemaal niets meer, dat is het probleem.’

Geen reacties


donderdag 12 juni 2014

Baas

Het was al over tienen en ze was voor de zoveelste keer uit bed gestormd. We stonden tegenover elkaar op ooghoogte – de vierjarige bovenaan de trap en de eenenveertigjarige een paar treden daaronder. We hadden allebei onze armen in onze zij. Het meisje zag er totaal verwilderd uit in haar roze onderbroekje. Ze liep vuurrood aan, liet zich uiteindelijk weer een paar keer op de grond vallen, gilde als een speenvarken. Er leek geen rede meer in te zitten. Ze weigerde naar bed te gaan.
‘Jij mag helemaal nooit meer naar school,’ hoorde ik mezelf tenslotte naar haar roepen. ‘Nooit meer!’
‘Mooi!’ krijste zij, ‘dat wou ik ook helemaal niet.’
‘O nee?’
‘NEE.’
Zo erg buiten zinnen is de kleine dus ook weer niet, dacht ik.

‘Ga ik wel naar school?’ vroeg ze vanmorgen.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik zei het alleen maar omdat ik niets anders meer wist te zeggen. Het was helemaal niet waar. Maar jij deed zo ontzettend raar gisteravond.’
‘Ja en dan ga jij ook raar doen, hè?’
‘Precies,’ zei ik, ‘wie is hier eigenlijk de baas?’
‘Daar gaan we het nu niet over hebben,’ zei ze.
Jawel, zei ik. ‘Daar hebben we het nu wel over. Jij bent niet de baas. Dat zijn wij. Papa en ik.’
Ze begon eerst te neuriën en toen te zingen.

Aan de ontbijttafel vroeg ze: ‘Als ik eenenveertig ben, ben ik dan wel de baas?’

1 reactie


maandag 09 juni 2014

De verkeerde kant op

Er liepen schapen en lammetjes voor mijn voeten. De zon scheen ineens. Alsof ik een andere wereld ingelopen was. Ik was op de Diemerzeedijk terechtgekomen, als het daar zo heet. In plaats van de brug over, ging ik onder de brug door. Iemand had me verteld over een woest stukje bos dat daar ergens moest zijn, en dat wilde ik even gaan bekijken. Een woest stuk bos in je buurt hebben zonder dat je het weet, kan niet. Onder de sprookjesachtige bomen langs het pad, lagen schapen en lammetjes te slapen in de schaduw. Ze waren niet bang voor mij. Ik ben dol op schapen, dacht ik. Als ze niet eten, herkauwen ze. Een zin uit een toneelstuk dat ik ooit schreef – waar ik min of meer tevreden over was – waarin het schaap een prominente rol heeft. Ik moet een jaar of twintig geweest zijn en woonde in een huis dat midden in de weilanden lag. Maar terug naar gisteren, op een gegeven moment zag ik een bordje Almere 17. Die kant moest ik niet op. Ik kon kiezen om terug te gaan of een rondje te maken. Neem nooit dezelfde weg terug, is ook al mijn adagium sinds ik een jaar of twintig ben. Al weet ik niet of ik daar nog steeds achter sta. Dus ik liep door. Over het dijkje, langs de schapen die naast het kabbelende water stonden te herkauwen.

Geen reacties


donderdag 05 juni 2014

Over titels

De titel van mijn boek had Het clowntje van god moeten zijn. Dat was toen de suggestie van mijn agent. Maar dat is de titel niet. Nu lees ik te vaak verschrijvingen als Op weg naar de zee of gewoon Op weg naar zee in plaats van De weg naar zee. En inderdaad er zijn miljoenen titels met zee erin. Ik kan me inmiddels geen titel voor de geest halen zonder zee. Wat heeft me bezield? Ik vond het mooi klinken vorig jaar: De weg naar zee. Het was fijn universeel. Typisch een titel voor een klassieker. (Hier dacht ik aan De weg van McCarthy) Ik vond het ook beter als de nadruk meer zou liggen op de weg die de vrouw bewandelt, dan op haar kind. Maar de nadruk is toch op het kind komen te liggen. Daar helpt geen titeltje lief aan. Mijn uitgever vond Het clowntje van god echt niet kunnen. Het zou als kwetsend ervaren kunnen worden. Ik dacht dat het waar was. Het laatste wat ik wil is mensen kwetsen natuurlijk. Maar het is onzin, weet ik nu. Want het is geen kwetsend boek. Het clowntje van god is directer, ligt beter in het gehoor en juist omdat het controversiëler is, wordt het beter onthouden, pakken mensen het eerder op, met alle gevolgen van dien.
Dat is wat ik denk over titels.

2 reacties


woensdag 04 juni 2014

Wie is hier klein?

Het is Deetjes derde dag op school. Ze mag een werkje pakken en haalt de gereedschapskist uit de kast. Ze gaat ermee aan haar tafeltje zitten en stalt het kleurige gereedschap uit. Een jongen uit groep twee komt bij haar staan. ‘Hee, daar mag jij niet mee werken, dat is niet voor kleine kinderen,’ zegt hij.
Meteen laat Deetje het gereedschap staan, steunt met haar beide ellebogen op tafel, richt zich half op, haar borstkas naar voren, kijkt de jongen strak aan en zegt: WIE IS HIER KLEIN?
Hij knippert met z’n ogen, wipt snel van z’n ene op z’n andere voet, wijst dan naar het meisje achter haar. ‘Zij’, fluistert hij. ‘Zij is klein.’
‘O, ok,’ zegt Deetje en concentreert zich weer op de gereedschapskist.
‘Mag ik meedoen?’ hoor ik de jongen even later vragen.
‘Dat is goed.’ Deetje schuift een stukje op. De jongen zet zijn stoeltje naast dat van haar.
Innig tevreden verlaat moeder de klas.

Geen reacties


maandag 02 juni 2014

Noorderlicht

De komende tijd ga ik eens buiten het huis werken. Vandaag was dag één. Ik fietste naar de kunstenaarsbroedplaats. Het was eerder een cel. Een mooie Franse cel. Met een hoog plafond. En grote ramen. Noorderlicht. Ik zat er op mijn oude bureaustoel, die meteen weer als gegoten zat. Ik durfde me niet goed te verroeren in de cel en nauwelijks te ademen. Ik weet dat ik dat altijd heb als ik ergens voor het eerst ben. Heel zacht kwam Formidable uit de speakers. Gisteravond had ik de documentaire gezien over het Belgische fenomeen Stromae. Iemand moet de laatste zijn die hem ontdekt. Buiten werd een pand gebouwd. Drilboren. Heipalen. Het overstemde de muziek van Stromae. Ik dronk koffie, opende het document en sloot de ramen. Op een gegeven moment kreeg ik bezoek. Ze zat in de enige stoel die er stond. Ik keek naar haar vanaf mijn bureaustoel. Vanuit mijn cel. We sturen elkaar vaak berichten vanuit onze cellen. En nu zat ze hier. Midden erin. Te praten. Hier is verder geen verbinding.
Drie en een half jaar geleden bracht ik ’s ochtends de baby naar deze plek – in dit gebouw is ook een crèche – en fietste daarna zelf hard terug naar het eiland. Met een lege bak. Om te schrijven. Dit voelt logischer. Ergens naartoe fietsen om te gaan werken en aan het eind van de dag weer terug naar huis gaan. Naar de baby die nu een kleuter is.

Geen reacties


vrijdag 30 mei 2014

Apropos 2

De zon scheen. Het was acht uur en had ik al een rondje gerend, net als gisteren. Man vertrok naar zijn compagnon om te werken en het was de afspraak dat ik ’s middags zou mogen schrijven. Ik dacht aan mijn nieuwe werkkamer, heel binnenkort, elders in de stad. Het leek een utopie. Maar het was toch echt bijna zover.Beneden zette ik de kinderen aan het tekenen, boven begon ik wasmachines leeg te halen en klerenkasten uit te mesten. De negenjarige kreeg een vriendinnetje op bezoek en ging daarmee op haar kamer spelen, de vierjarige zat met een berg playmobil op de mat en uiteindelijk zat ik buiten een artikel te lezen in de Groene, over Karen Armstrong, een voormalige non met temporaalkwab epilepsie. Er stond: De symptomen zijn angstaanjagend. Je wordt vervuld van een dodelijke vrees. (…) De hele wereld ziet eruit als jamais-vu, volslagen wezensvreemd alsof je het nog nooit gezien hebt. Je doolt rond.
Dat was waar. Interessante stuff eigenlijk, dacht ik nog. Moet je ook eens iets mee doen, die ervaring. Daarna smeerde ik brood voor iedereen. We aten in de klaprozentuin in de zon, man kwam precies op tijd thuis en ik stond op het punt om naar boven gaan toen ik een mail kreeg en de draad volkomen kwijt raakte. Al het voorgaande was op slag verdwenen. Ik was weer een meisje uit groep zeven dat er niet niet bij hoorde maar ook niet wel. Niks interessante stuff.

Geen reacties


woensdag 28 mei 2014

Apropos

In mijn trenchcoat en een roze kinderparaplu boven mijn hoofd stond ik op de pont naar Noord. Op weg naar de avond over de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton. Het was een dinsdag, de regen kwam met bakken uit de hemel, ik was vermoedelijk de enige die het huis verliet om naar een literaire bijeenkomst te gaan. Maar na enig dwalen door een verlaten Tolhuisgebouw, bleek dat er zich in een achterafzaal een illuster Edith Wharton gezelschap ophield. En ik zeeg neer.
Iemand vertelde over haar leven in de New Yorkse upper class, de vertaalster sprak over het hoe en wat van het uitzoeken van de verhalen voor Romeinse koorts en ook over het vertalen ervan, een interbellum-leesclub las een fijn verhaal van haar voor. Toen het afgelopen was, kletsten we wat na, dronken een Martini. Tot er een oudere dame op me af kwam lopen, glimlachend, elegant en mijn naam zei. Daar raakte ik de Edith Wharton draad kwijt.
‘Het gaat goed met jou, hè?’ zei ze.
We keken elkaar aan. Ik kende haar ook wel ergens van. Ze zei hoe ze heette.
‘Het etui,’ zei ik. ‘Ik heb het etui nog altijd, weet je dat.’
‘Rood-wit gestreept,’ zei ze.
‘Ja.’ Mijn wangen begonnen te gloeien. Er was geen verbergen meer aan. Ik kleurde rood tot op mijn kruin en besefte meteen dat het lang geleden was dat dat zo gebeurde.
Het kwam misschien door de hartelijkheid waarmee het ging, haar oprechtheid, de directheid of hoe je het ook noemt.
Of het kwam omdat ik ineens bijna twintig jaar terug de tijd in werd geworpen, een vorig leven intuimelde, en als vanzelf meteen weer mijn afgrijselijk verlegen zelf aannam. De actrice en de schrikachtige toneelschrijfster. Zij had voor iedereen een etui gemaakt als toitoitoi voor de première van de lunchvoorstelling in Bellevue. Mijn oma was net begraven.
‘Het is best bijzonder dat ik dat etui nog heb,’ mompelde ik. ‘Ik raak namelijk alles kwijt.’
Dat was ook zo.

Geen reacties


maandag 26 mei 2014

Mensen!

De limousine rijdt voor. Zal ook de kwaaie zus zo dadelijk uitstappen of niet? De ouders, de broers en zussen plus aanhang staan langs de kant van de weg te wachten op de hereniging. Zit ze er in?
Na een redelijk onthutsende documentaire over bejaarden en seks, ben ik beland bij Het Familiediner. Dat trek ik toch beter dan innige liefde op leeftijd. Het ligt meer in m’n straatje.
‘Waarom heb je gekozen om te komen?’ vraagt de presentator aan de moeder van de kwaaie zus.
‘Ruzies en dat allemaal, is ook helemaal niet fijn voor ons.’ Ze huilt. ‘Het blijft toch familie, hè?’
De deur van de limousine gaat open. Nee, ze zit er niet in. De kwaaie zus is thuisgebleven.
Terwijl ik dit zit te schrijven, wordt er op tv alweer een nieuwe ruzie uit de doeken gedaan. Deze keer is er een onoverkomelijk probleem tussen twee zussen die elkaar al negen jaar niet gezien hebben omdat er na vaders dood heibel was ontstaan over de verdeling van een fiets en een televisie.
Ik kijk nergens van op.
Ik zou die limousine zo ongeveer mijn hele familie rond kunnen sturen. Een paar keer rond, zelfs. En niemand zou ooit in- of uitstappen. Het is een komen en gaan van lege limousines.
Familie is heel onbetrouwbaar, dat blijft het gekke, terwijl je zou denken van niet.
O ja, tussendoor zag ik nog een stukje Spoorloos. Daar had een 47-jarige dochter haar vader dan eindelijk gevonden. Familie! Iemand die op haar lijkt. Ze wist waar ze vandaan kwam. Eindelijk kon ze haar draai vinden.

1 reactie


vrijdag 23 mei 2014

Kletsklatsklets etc

Over inspiratie dacht ik na, terwijl ik rende en naar een gesprek met Hugo Camps luisterde. Wat kan die man het allemaal goed verwoorden. De melancholie. De berusting. De spijt.
Maar na een kilometer of wat viel het programma weg en was ik alleen met m’n stomme geadem en mijn platvoeten op het wegdek. Klets-klats-klets-klats. Een kamerolifant die op de vlucht geslagen was. Ik was alleen met dit logge zoutzak-lijf dat het plan had gehad om soepel voorwaarts te gaan. In de frisse fruitige ochtend. Over de wegen te vliegen als het ware. Feel Free and Light as a Feather stond op het nieuwe t-shirt van de negenjarige. Niks daarvan. Helemaal niks.
Ik was dat lijf. Meer niet. Kletsklatskletsklats. Hugo Camps had hier zeker een prachtig verhaal van kunnen maken.
Ook had ik het plan om over mijn inspiratiebronnen te gaan nadenken omdat ik daar vanmiddag een gesprek over ga voeren, maar daar kwam niets van terecht. Wel kwam ik op een idee voor nog een nieuw boek.

Geen reacties


donderdag 22 mei 2014

De lezende mens

Midden op het grasveld van het gemeentezwembad, op de middenstip leek wel en pal in de zon, lag een kolossale mevrouw te lezen. Van verre al zag ik het politie-blauwe badpak en het witte, slappe vlees. Naast haar een rode C-1000 tas, een geopende zak chips van Euroshopper. Eenmaal dichtbij gekomen was er het parelende zweet. Het dunne haar in een mini-staartje bijeengebonden. Haar hoofdhuid. Met één hand ondersteunde ze haar kin en las een bibliotheekboek. Het was: De Avonden.
Even verderop, op een bankje in de schaduw zat een forse, wat oudere moslima, helemaal ingepakt en in het zwart, ook te lezen. Proust. A la recherche du temps perdu.
Toen ik even goed keek, zag ik op het gras overal mensen liggen, verdiept in een boek.
Ik vroeg me zelfs af of hier acteurs waren ingezet die een spel met onze verwachtingen speelden. Het moest wel een test zijn. Hoe stigmatiserend bent u?
Maar het was echt.

Geen reacties


woensdag 21 mei 2014

Zomertijd

Na schooltijd is het in mijn straat een komen en gaan van rubberboten op kinderbenen, blootsvoetse jongens en meisjes, terwijl op het trottoir alweer de eerste verloren badlakens liggen. Lekker dik en zacht. Vanaf de voordeur hoor ik de kinderen gillen terwijl ze één voor één van de brug springen (een mengeling van angst en vrijheid) Er is de symfonie van het plonzen.
Op de steiger heerst bedrijvigheid. Daar krioelen kleuters met oranje vleugeltjes vol lucht, naast of rondom hen de volwassenen met hun benen bungelend in het water of starend naar de kim. Ook liggen er groepen ouders badkleding in de berm, of hoe je dat stukje gras daar ook noemt, met flesjes bier en zonnebrand. Veel tatoeages valt me op. Het zijn de vaders en moeder van de kinderen met zwemdiploma’s. Het is een dinsdagmiddag op Steigereiland. Het café opent zijn deuren, de eerste bitterballen worden naar buiten gedragen. De glazen fonkelen op dienbladen. En ik vraag me steeds af wat er hier niet klopt aan het plaatje.

Geen reacties


maandag 19 mei 2014

Wie wat leest en wanneer

Ik lees wat mensen hebben gelezen die ik goed vind, misschien moet ik eerder zeggen: ik schaf de boeken aan die de mensen die ik goed vind geïnspireerd hebben, en als ik eens een zee van tijd heb zal ik ze van begin tot eind tot me nemen. En dan ben ik weer wat wijzer. Het mens dat ik de afgelopen dagen erg goed vond, was dus Valeria Luiselli en omdat zij volgens Cees Nooteboom beïnvloed is door Rousseau, heb ik Rousseau besteld. Zijn Bekentenissen en Overpeinzingen van een eenzame wandelaar.
Zo heb ik hier de laatste tijd ook een paar romans plus een biografie van Simenon mijn hol in gesleept. Omdat wijlen Marquez zo dol op hem was. En ik niet verder kan, zonder kennis te hebben genomen van Simenon. Ik wou dat ik de boeken met het kopen alleen al gelezen had. Maar dat vergt tijd. En het meest van de tijd zit ik voor mijn huis op de stoep te kijken naar steppende kinderen die toch het hoekje omgaan terwijl ze dat niet mochten. Of kinderen die krijten. Een doodgewoon leven van Karel Capek naast mij op het tafeltje. Ongelezen, dicht.
Door Luiselli is niet alleen Rousseau het huis ingekomen, maar ook een fles whisky. Op de stoep met een glaasje whisky naar de kinderen kijken, dat is goed te doen.

1 reactie


vrijdag 16 mei 2014

Hoe het echt is?

In de verte draait een rups van geblindeerde bussen de weg op. In bus nummer vijf zit ze. Traag gaat de stoet. Maar ze rijdt onherroepelijk bij ons vandaan. De snelweg op.
Ze kwam met haar ogen net boven het raam uit. Zij moet ons hebben kunnen zien, – haar vader en haar moeder – maar wij zwaaiden naar zwarte ramen. Waarachter ergens ons schrandere meisje met de twee vlechtjes, bodywarmer en de korte broek. Al elf dagen vier jaar. Met in haar tas een banaan, drie pakjes sap en een extra legging. Tussen de vreemde kinderen. Ze had er zin in.
‘Het is allemaal nep,’ had ik haar vanmorgen nog op het hart gedrukt, ‘alles wat je daar straks zult zien, is nep. Onthoudt dat.’
‘Zoals in de Efteling,’ zei ze, ‘dat was ook allemaal nep, hè?’
‘Het is een nep-wereld.’
Ze wist van de nep-wereld. Ze zei dat draken niet bestonden. En dat die wolf van Roodkapje nep was, zoals ook Roodkapje zelf.
Maar ze loopt daar zelf natuurlijk wel echt rond. In sprookjeswonderland. En hoe het echt is, weet ik ook niet.

Geen reacties


donderdag 15 mei 2014

Nog eenmaal

Als je De weg naar zee nog niet gelezen hebt, schrijf je nu hier in voor de Das Mag leesclub op 14 juni en dan krijg je het vanzelf thuisgestuurd.
Het kan nog een paar dagen.

Het boek is een aanklacht tegen de maakbaarheid van de mens zoals die ons wordt voorgespiegeld, schreef een recensent.

Vind jij dat ook? Of lees je er juist iets totaal anders in?
Je kunt er op die zaterdag met mij en met anderen over praten. De leesclub wordt geleid door Micha Wertheim. En na al het geklets ben je welkom op een groot – en nu al legendarisch – feest dat geen eindtijd kent.

Geen reacties


dinsdag 13 mei 2014

Naar huis

Het is de tweede week dat de vierjarige naar school gaat. Ze is kindje nummer 27 in de klas. Ze gedraagt zich alsof ze er al jaren zit. Ze is heel erg cool. Net haar moeder. Aan haar zul je niets merken. Met de twee vlechtjes naast haar uitgestreken gezicht, zit ze aan het tafeltje bij Dior.

‘Ik wil naar huis,’ was het eerste dat ze gezegd schijnt te hebben toen ze haar grote zus in de middag op het schoolplein tegenkwam. ‘Ik wil naar huis.’
‘Zei ze dat echt?’ vroeg ik.
‘Ja, hoezo?’
‘Wat was ze aan het doen dan?’
‘Niks. Ze stond helemaal alleen bij de zandbak en het klimrek. Ze keek een beetje. Ze had niemand om mee te spelen.’
‘En wat zei jij toen tegen haar?’
‘Dat het niet meer zo heel lang duurde.’

Geen reacties


maandag 12 mei 2014

Gebruiken

De moeder van de schoonmaakster is net zo oud als mijn moeder en een psychiatrisch patiënt. Ze weet sinds de schoonmaakster vier is vaker niet dan wel dat haar dochter bestaat en al helemaal niet dat die dochter ooit in Nederland is gaan werken als schoonmaakster om op die manier een behandeling voor haar te kunnen financieren. Dat laatste is gelukt. Medicijnen voor haar moeder (en een huis voor haarzelf) Maar de moeder heeft toen heel de verkeerde medicijnen gekregen waardoor het een tijd nog veel slechter met haar gegaan was.
Ik stond naar het verhaal van de schoonmaakster te luisteren, met één been al op de trap en het boek van Valeria Luiselli in mijn hand. De gewichtlozen. De manier van schrijven van de Mexicaanse Valeria Luiselli bevalt me echt heel erg. Valeria is een paar jaar ouder dan de schoonmaakster en tien jaar jonger dan ik. Ik stond, terwijl de schoonmaakster praatte, ook te denken aan mijn eigen verhaal, het document dat een paar weken dichtbleef, en dat ik zo dadelijk weer ga openen.
(Dat heb ik nu op dit moment nog niet gedaan, terwijl ik over drie kwartier alweer bij school moet staan om een stuk of wat kinderen op te halen)
En ik dacht, staand op de trap, terug aan Fabio die hier een tijdlang elke donderdag kwam, even oud was als ik, en heel veel tegen me praatte, tot hij op een dag ineens weg was. Terug naar Brazilië. Hem wil ik ook beschrijven. Misschien kan ik haar verhaal op het zijne plakken, mijmerde ik. Dus feitelijk ben ik – nog voor ze uitverteld is – aan het bedenken hoe ik haar verhaal, kan gebruiken voor het mijne.

Geen reacties


vrijdag 09 mei 2014

Geen oplossing

Mijn bijna-negenjarige huilde omdat er een dag zal komen dat we afscheid van elkaar moeten nemen. Het huilen ging bij mij door merg en been. Omdat die dag een keer komt. Oké, misschien nemen we geen afscheid, misschien wordt het voor ons genomen. Maar er komt een dag.
Het ging door merg en been omdat dit mijn grote bezwaar tegen het leven blijft en ik er nog altijd geen fatsoenlijk antwoord op heb. ‘Ons krijgen ze niet.’ Iets slechters kan ik niet bedenken. Maar ik zeg het. Ze laat zich ook geen sprookjes vertellen. Over hemels waar we elkaar allemaal weer zullen treffen. Dit maakt het nog moeilijker te verteren.
Het grootste probleem van kinderen hebben is dat je op een dag weer van ze gescheiden zal worden. Iedereen weet dat wel. Ook de bijna-negenjarige tot mijn spijt. We denken er alleen niet steeds aan. Het is zaak er zo min mogelijk aan te denken.
Het punt is: ik wil voor eeuwig en eeuwig bij die kinderen blijven. Tegelijkertijd probeer ik heel vaak even van ze af te komen.
‘Mama, moet je alleen zijn of niet?’ informeert de vierjarige te pas en te onpas.
In de Gewichtlozen van Valeria Luiselli lees ik: Romans zijn van de lange adem. Dat vinden romanschrijvers althans. Niemand weet precies wat het betekent. Maar ze zeggen het allemaal: van de lange adem. Ik heb een baby en een middelste kind. Ze laten me niet ademen. Alles wat ik schrijf zal – kan – alleen maar van korte adem zijn. Van weinig lucht.

Geen reacties


donderdag 08 mei 2014

R e c l a m e

Het einde van de kaartverkoop voor het Das Magazin Festival op 14 juni nadert, is mij net gemeld. En alle leesclubs zitten bijna vol, maar nog niet helemaal. Bij mij kun je nog terecht. Praten over De weg naar zee. Onder leiding van Micha Wertheim. Dat kan best grappig worden.
Dus s c h r i j f je in. Of kijk bij de line-up, om te zien bij wie je je verder nog in kunt schrijven.

Geen reacties


maandag 05 mei 2014

Vier

Ze was jarig en sliep uit. Dat uitslapen was op z’n minst opmerkelijk te noemen. Op dagen dat ze niet jarig is, slaapt ze namelijk absoluut niet uit. Nooit. Ze wordt wakker zodra je één voet in de gang gezet hebt. Maar vandaag konden we met z’n allen de gang door galopperen, kon de piano rustig bespeeld worden en ook na het indringende geluid van de elektrische koffiemolen bleef het boven stil. Zelfs na mijn derde espresso gebeurde er niets.
Eerst zei ik dingen als ‘Laat haar liggen. Ze heeft het nodig’ tegen de anderen. En: ‘Het kind is net terug van vakantie.’
Maar ze sliep zo lang dat ik toch nog serieus begon te denken aan de dood. Ik wilde er niet in meegaan maar het gebeurde. Exact op haar vierde verjaardag. Een verlate wiegendood. Bevrijdingsdag. Zieltje naar de hemel gevlogen. Je verwacht het niet meer. Maar dan toch. Ook verstikking is voorbijgekomen. Een hartaanvalletje. De jarige ligt levenloos in haar halfhoge stapelbed, en wij hier maar met z’n drieën vol verwachting door het versierde huis sluipen.
Wachtend tot we eindelijk Lang zal ze leven kunnen gaan zingen.
‘Als ik vier ben, ben ik geen peuter meer maar een kleuter,’ had ze de afgelopen maanden zo vaak verzucht. Ook in Puglia kruiste ze de dagen af tot het vandaag zou zijn. Vier jaar worden als ultieme droom. Vier jaar. Als ik maar eenmaal een kleuter ben, komt alles goed. Als ik vier ben, ben ik gelukkig. Als ik vier ben, hoor ik er bij. Als ik vier ben, ben ik een echt mens. Wie vier is, is een kleuter, dus wie vier is, doet er toe. Nu was ze vier en zou het daar bij blijven.
Ze had ons allemaal zo opgefokt voor deze dag dat wij nauwelijks een oog dicht hadden gedaan. Ik sowieso niet. De grote zus en de twee poezen banjerden al vanaf half zes rond. Om zeven uur stonden we allemaal op. En tegen negenen nog altijd geen kik van de jarige.
Met z’n drieën hingen we uiteindelijk boven de half-hoogslaper te luisteren naar haar ademhaling. Of die er nog wel was. Beneden op tafel stonden de cadeaus. Hingen de slingers. De ballonnen. Het was zover.

Geen reacties


vrijdag 18 april 2014

Beeldvorming

Ze heeft drie boeken geschreven, is moeder van twee jonge kinderen en daar schrijft ze over op haar blog, twitterde iemand.
Het moederschap en ik. Twee handen op een buik zou je intussen denken. Haar boeken, haar blogs. Die EG schrijft nergens anders over.
Het is maar wat er wordt uitgelicht. De weg naar zee gaat voor mij vooral over maakbaarheid en mislukking, maar is meestal besproken als een boek over het moederschap. Dat kan. Dat is ook waar. De hoofdpersonen zijn een moeder en een dochter. Maar dat is wel heel één op één bezien.
Het is ook waar dat ik op deze plek stukjes schrijf over de twee jonge kinderen die van mij zijn en in mijn huis rondlopen. Ik kan niet anders. Ik gebruik nu eenmaal wat ik om mij heen zie, hoor en meemaak. Heel ver weg zoek ik het nooit. Maar het is niet waar dat ik een weblog bijhoud dat over die twee jonge kinderen gaat.
Dat is echt iets anders.

1 reactie


donderdag 17 april 2014

Het voorbijgaan

Sinds ze er niet meer is, zie ik haar veel vaker. Haar bidprentje staat bovenop onze nieuwe afzuigkap én ze hangt eraan met een magneet. Ook ligt haar gezicht in de keukenla. Trouwens die afzuigkap is niet nieuw meer, wel zit het blauwe afdekplastic er nog om omdat we ooit van plan waren de muren van de keuken te witten.
We kijken nu elke dag een paar keer lang naar oma.
‘Ze is nog niet dood,’ zegt man.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Maar wat is ze dan?’
We staan stil voor onze vierkante afzuigkap. Oma staart maar voor zich uit. Ze lacht op allebei de prenten dezelfde fotoglimlach, maar hoe lang we daar ook naar haar blijven staan kijken, ze laat nog altijd niets los. Meer komen we niet te weten.
‘Toch is ze nog lang niet dood,’ zegt man.
Ik begrijp wat hij bedoelt, ook al heb ik haar stoffelijk overschot gezien. Sommige doden zijn doder dan anderen. Daar hoef je niet esoterisch voor te zijn.
Elke dag zeg ik in het voorbijgaan tenminste één keer hardop: ‘Oma toch.’ Meestal vaker.

Geen reacties


dinsdag 15 april 2014

Bewijs van existentie

Tijdens het koken, lees ik facebookberichten en noteer ik: jullie zijn niemand omdat je geen ziel hebt, ga maar door met pillen slikken. Dat schrijft iemand in een reactie op iemand anders. Ik weet dat ik de pan met olijfolie al een tijdje op het fornuis heb staan, en dat ik nog altijd door het huis aan het rennen ben om ergens een pen te vinden. Om deze ene zin op te kunnen schrijven.
Dit is niet echt een blog te noemen. Maar ik heb het nu te druk met het zoeken naar vuilniszakken met Playmobil op marktplaats, en met het skypen met een onbekend Italiaans stel waarvan we een huis gaan huren. In het puntje van de laars ergens. Skype is het bewijs dat ik besta.
Heel lang tuur ik naar het beeld van de bloedmooie jongeman en het meisje op mijn scherm. Het meisje is van 1988, weet ik. Hij zal niet ouder zijn. En ik heb spijt dat ik zo ongekamd achter de computer zit, zoals al de hele dag. Als je van 1973 bent, kan dat eigenlijk niet meer.
Het geluid uit het Zuiden van Italië wil maar niet doorkomen, dus kijk ik naar hoe die twee bewegen. Hoe ze de geluidsbarrière proberen te doorbreken.
Na een tijdje begin ik op hun kleren te letten. Het is aan die dikke truien te zien niet zulk mooi weer. Dat kan ook kloppen volgens de buienradar. Het zijn natuurlijk ook lui die waar het de temperatuur betreft helemaal niets gewend zijn. We zwaaien en glimlachen soms naar elkaar. Jullie zijn niemand omdat je geen ziel hebt, ga maar door met pillen slikken, zeg ik.

Geen reacties


vrijdag 11 april 2014

Promotie

Bo-Johnny is nieuw op de peutergroep. Hij is van de baby’s naar de peuters gepromoveerd. Ik heb hem nog niet gezien, maar Bo-Johnny moet wel een held zijn. Mijn eigen Bo-Johnny heb ik net achtergelaten in een kleuterklas. Ze gaat wennen bij groep één.
‘Is er vandaag iets?’ vraagt een moeder aan de meester. Ze komt de klas binnengerend, grote ogen, rode wangen. Net gedoucht.
‘Nee,’ zegt de meester.
‘Niets?’ hijgt de moeder, ‘is het geen dierendag of zo?’
‘Dat is het op 4 oktober.’
‘Is het geen speciale dag?’
‘Het is vrijdag.’
‘Het is vrijdag.’
‘Ja. En vanmiddag hebben we open podium. Toneel.’
‘O! Had ik daar iets voor moeten doen? Daar had ik iets voor moeten doen, hè?’
‘Nee,’ zegt de meester, ‘niets.’
‘O.’ De moeder laat haar schouders zakken, duwt haar kind de klas in. En vertrekt.
De meester klapt in zijn handen ten teken dat de ouders het lokaal moeten verlaten. Hij vraagt mijn Bo-Johnny of ze bij hem op schoot wil. Die schudt ferm haar hoofd. Dat wil ze zeker niet.
Echt een kind van mij, denk ik tevreden. Gaat niet bij jan en alleman op schoot.
Dan begint de meester te zingen van klap maar in je handjes en draai je handjes in de lucht.
Ik trek de deur achter me dicht, wil nog een foto maken van Bo-Johnny in de kleuterklas met twee vlechtjes, maar mijn telefoon is leeg.

Geen reacties


dinsdag 08 april 2014

Mierzoet

Ze staat aan het begin van een groots, nieuw leven en ze weet het. Ze kleurt de dagen in tot het zover is. Ze kleurt van het ene hoogtepunt naar het andere. Wennen op school, afscheid crèche, logeren opa en oma, vakantie met het vliegtuig, de vierde verjaardag, de eerste schooldag.
In haar nieuwe, zachtroze vestje zit ze aan het ontbijt. Als enige. Ze slaapt tegenwoordig uit, nu het nog kan, nu ze nog gewoon naar de crèche gaat en geen echte verplichtingen heeft. Ze spaart haar krachten voor straks. Haar wangen zijn rood en haar lippen ook. De grote dagen breken binnenkort allemaal aan. Eén voor één. ‘Maar nu nog niet, hè?’
‘Nee, nu nog niet.’
Ze eet haar boterham met honing. Haar lange, kaarsrechte haar valt er steeds in.
‘Misschien moet je een ponytje als je naar school gaat,’ zeg ik.
‘Nee, geen ponytje!’
‘Weet je wat een ponytje is?’
‘Nee. Maar ik wil het niet.’
Ze legt haar hoofd op de tafel. Ook nog een ponytje, dat zou teveel zijn voor een mens.

Geen reacties


maandag 07 april 2014

Over spiegelgedrag, het waarom van de dingen en de herrijzenis

De bijna-vierjarige in haar nieuwe legging vol poezenhoofdjes, struikelde vanmorgen haast over een schoen. De tandenborstel had achterin haar strottenhoofd kunnen zitten, haar verhemelte kunnen doorboren.
‘Niet met je tandenborstel in je mond rondlopen,’ zei ik met mijn elektrische tandenborstel in mijn mond, al lopend door de gang met armenvol wasgoed.
‘Niet schreeuwen,’ schreeuwde ik toen.
‘Ruim je rommel eens een keer op,’ zei ik en raapte mijn schoen op, viste mijn colbert van de vloer en zag de schaar die ik gisteren gebruikt had op de ene speaker liggen en een leeg wijnglas op de andere staan.
Op zaterdag, op International Pillow Fight Day, – wie wist dat niet? – was ik met de bijna-negenjarige in de stad voor de aanschaf van een lente outfit en belandden we midden in het grootse kussengevecht op de Dam. Waarom doen mensen de dingen die ze doen? Dat blijft een interessante kwestie.
Ook heb ik iets gruwelijks gehoord, iets dat ik niet op mijn blog mag schrijven, maar dat is bij uitstek iets dat dus ooit in mijn proza terug zal komen. Ook om de beweegredenen van de mens te leren begrijpen. Waarom doet iemand zoiets? (Nu is het ook weer niet zo dat alles wat ik niet op mijn blog zet in prozavorm ergens terugkomt.)
Dit weekend precies een jaar geleden, leverde ik de eerste versie van m’n boek in. Dat lijkt nu al meer dan een eeuwigheid geleden. Een vorig leven. Ik ben met iets nieuws bezig. Het vorige boek is al bijna weer van de aardbodem verdwenen. Zo snel gaat dat tegenwoordig. Boeken zijn broodjes. Al denk ik dat het nog een keer een opleving zal krijgen. De herrijzenis. Dat gebeurt met boeken nog altijd eerder dan met mensen.

Geen reacties


donderdag 03 april 2014

Mythen

Gisteren hield ik een praatje op de boekpresentatie van Dieven van vuur van de levende legende Ivo Victoria, het brandalarm ging af op de uitgeverij, zoals het hoort bij een boek dat die naam draagt, – dat was geen toeval – de glazen werden geheven, de zon scheen, de hapjes gingen rond, iedereen zag er goed uit. Mijn praatje ging over schrijverschap en twijfel. ( Waarover ook een deel van het boek ging. Heel geweldig gedaan.)
Nadien spraken we over de Mythe van de Schrijver. Iemand was van mening dat die in stand moest worden gehouden. Het moet lijken alsof het hem vanzelf komt aanwaaien.
Het naakte schrijven van Nirav Christophe handelt over de mythen van het schrijverschap.

1 De mythe van de genialiteit, een beetje schrijver is briljant, hij is een schepper van bovenmenselijke proporties. Enerzijds bestaat die genialiteit uit een rationeel vakmanschap. Een proces van vooruitdenken en gecompliceerde planning. Anderzijds kenmerkt genialiteit zich juist door de vondst, de inspiratie, de plotselinge inval. Als je werkelijk talent hebt, komt het er in één keer uit, als een golf.
2 Er is de mythe van het lijden, de doorleefdheid. Schrijven is als een kind baren. Er moet voor het kunstwerk een pijnlijk offer worden gebracht. (Het kost de schrijver zijn nachtrust, zo niet zijn relatie, hij kan niet anders)
3 De mythe van de wijsheid. Bij een goede schrijver zit er altijd nog iets achter, een laag onder, en onder, en daar weer onder, en onder die alleronderste laag zit vast en zeker ook nog een laag.
Onder dit juk van diepzinnigheid gaat menig schrijver gebukt.
4 De mythe van originaliteit. Een echte schrijver verzint iets totaal nieuws.
Met al deze mythen wordt het literair schrijven dus zorgvuldig in één overkoepelende religieuze mythe geplaatst: de schepper/schrijver is de eerste en enige god. (hij is volstrekt origineel) hij lijdt voor zijn schepping, heeft macht over de materie (hij gaat subtiel en vakmatig te werk) en zijn wegen zijn ondoorgrondelijk (hij is niet oppervlakkig maar onpeilbaar diepzinnig)

Nu ik ze weer teruglees, kloppen ze eigenlijk wel. Zo gaat het. Die mythen, dat ben ik. Dat zijn wij.
Het is geen schijn die opgehouden hoeft te worden. Het is.

Geen reacties


dinsdag 01 april 2014

Spelen met taal

Het was alweer een nacht waarin ik meer wakker lag dan sliep. Ik las de halve nacht in The Easter Parade van Yates. Een portret van twee zusjes op zoek naar liefde en geluk. Goed is dat.
Het hele huis was vannacht onrustig. De mensen die hier woonden schreeuwden om water of ze waren bang en wilden in het grote bed liggen, sommigen zweetten zo erg dat ze om het uur een schoon t-shirt aan moesten trekken. Uit alle kamers klonken doffe hoestjes. Een symfonie van hoestjes. Ik dacht aan deurknoppen, de verspreiding van bacteriën en knipte het licht weer aan om verder denken tegen te gaan. Het was maar goed dat het op een gegeven moment ochtend werd. Licht. En niet koud. Een hele nieuwe dag vol mogelijkheden. Het eerste wat er gebeurde was dat ik in de badkamer uitgleed in de kots van één van de poezen.
Het eerste wat ik las was een interview met Erik Menkveld dat ging natuurlijk over hemzelf en over Hugo Claus: hoe die kon spelen met taal. Hoe weinig respect hij had voor zijn eigen gedichten, dan weer eens een zin hier plaatste en dan weer daar. Daar had Erik Menkveld toentertijd van geleerd als dichter. Dat interview was fijn om te lezen. Spelen met taal. Dat is leuk om es te gaan doen.

Geen reacties


maandag 31 maart 2014

Ik vertrek

Deze morgen werd ik opgeschrikt door een bericht op Facebook van twee mensen die heel binnenkort voor een jaar naar het Franse platteland vertrekken. Het opschrikken gebeurde omdat wij dat heel binnenkort niet gaan doen. Het ziet er zelfs naar uit dat wij nooit voor een jaar naar het Franse platteland zullen vertrekken. Terwijl ik hoognodig een jaar naar het Franse platteland moet. Ik was het al een tijd vergeten, maar Facebook herinnerde mij eraan. Da’s waar ook. We moeten weg!
‘Waarom wil je nou ineens naar het Franse platteland?’ zegt hij.
‘Het hoeft niet perse het Franse platteland te zijn,’ zeg ik. ‘Whatever.’
‘Jij kan gewoon schrijven,’ zegt hij. ‘Maar wat moet ik dan doen, een jaar op dat Franse platteland?’
‘Gewoon. Die E-books maken. Daar zijn jullie toch mee bezig?’
‘Er is er nog niet één verkocht.’
‘Het kan heel erg goed gaan lopen. Dat kan toch?’
Het gesprek eindigt met het Nederlandse platteland. Ik wil ook wel naar het Nederlandse platteland vertrekken als dat voor hem makkelijker is. Het is een stuk minder idyllisch. Maar het blijft het platteland. In Groningen is alles ook heel anders.
‘Jij wil altijd overal weg,’ zegt hij.
Daar heeft hij gelijk in, maar ik ga nooit ergens weg.

Geen reacties


donderdag 27 maart 2014

Trauma

Wat hebben we jou aangedaan? We hebben je opgezadeld met doodsangst. Je kleine hoofd werkt al vier dagen op volle toeren. Je kan het nergens anders meer over hebben.
Ook vannacht waren daar weer de nachtmerries. Gillen. Roepen. Huilen. Weer zie je de brullende draak die je zuster zal verslinden omdat die te dicht in de buurt van de schat komt. De heks die precies op je oud-oma lijkt, vind je, en dus wel moet zijn opgestaan uit de dood. De wolf die achter de deur klaarstaat om de zeven lieve geitjes op te eten en misschien ook jou.
Afgelopen maandag bezochten we het pretpark. Wekenlang keek je ernaar uit. Het zou de beloning zijn voor goed gedrag. En je had je zo voorbeeldig gedragen. Maar het pretpark waar we je naartoe brachten, bleek helemaal niet prettig. Overal om je heen het geluid van piepende deuren, krakende stemmen, het gebrul van beesten of van je had geen idee wie.
‘Die reus is niet echt, hè mama?’ zei je. ‘Die is echt geweest.’
‘Nee, die is ook nooit echt geweest. Die reus hebben ze gemaakt.’
‘Maar de reus kan wèl bewegen,’ zei je.
‘De reus kan niet opstaan.’
Na enkele uren in deze wereld stond je stil, keek naar de grond, wees en schreeuwde uitzinnig: ‘Kijk! Een miertje!’
Daarna keek je voor je uit en fluisterde je: ‘Ik wil nu naar huis.’
’s Avonds voor het slapen zei je: ‘Er was ook een pauw in de Efteling, hè?’
‘Dat klopt,’ zei ik, ‘de pauw zette zijn veren op.’
‘Een echte, hè?’
‘Een echte,’ zei ik, ‘ga nu maar lekker slapen.’

Geen reacties


dinsdag 25 maart 2014

Bewerking

Ik kreeg 4 scenario’s te lezen die derdejaars studenten van de kunstacademie geschreven hadden naar aanleiding van Lastmens. Het is oorspronkelijk een verhaal van 65 bladzijdes waarin het erom draait dat een moeder op een dag besluit de au-pair van haar eigen kind te worden.
De studenten hadden de opdracht gekregen het te bewerken voor een film van tien minuten. Het beste scenario zou gekozen worden om te verfilmen. Ik las scripts over poetsende moeders, onvruchtbare vrouwen met een kinderwens, verslaafde moeders met suïcidale neigingen. Eén scenario ging wel over een vrouw die die moeite had de verantwoordelijkheid voor het moederschap te dragen.
Er ontstond geharrewar via de mail over wat een bewerking van een verhaal nou eigenlijk precies is en dat je in tien minuten natuurlijk geen heel verhaal kan navertellen. Het zit in de natuur van de kunstacademie-student om met een verhaal aan de haal te gaan. Dat moet ook, geloof ik. Anders hoef je niet op de kunstacademie te zitten. De grens tussen iets bewerken en ergens op associëren kan dun zijn. Dat maakt niet uit, als het maar goed is wat je ervan maakt.
Waar ik nu wel op hoop is dat er een keer echt een verhaal of boek van mij verfilmd wordt.

Geen reacties


zaterdag 22 maart 2014

Het maakbare kind

Ik ging naar Den Bosch waar pedagogiek studenten van verschillende hogescholen uit het zuiden van het land zich verzameld hadden om allerlei workshops te krijgen van experts. Op mijn lokaal stond Het maakbare kind. Die workshop ging ik geven. De expert was ik. Achter de lessenaar nam ik plaats en begon een paar a-viertjes in stukken te knippen waarop ik stellingen had geschreven. Het maakbare kind, het maakbare kind.
Het lokaal stroomde vol met meisjes. Vijfentwintig meisjes van net twintig of net nog geen twintig. Jonge pedagogen. Ze keken me aan. Ik vond het op de een of andere manier wel meteen gezellig dat het allemaal meisjes waren. Nu het maakbare kind nog.
Ik vertelde over mijn roman. En las een stukje voor. Iemand vroeg: ‘Waarom heb je dit geschreven als je het niet zelf hebt meegemaakt?’
Ja, waarom eigenlijk?
Even later werd er druk gediscussieerd, in groepjes, naar aanleiding van wat kwesties die ik uit mijn boek had gehaald. Dat werden zeer levendige gesprekken waarna ik echt moest concluderen dat het met de toekomst van pedagogisch Nederland heel goed gesteld is. Hun toekomstbeeld was veel rooskleuriger dan ik verwacht had. (Of dan het mijne is) Ze waren meer betrokken, liefdevoller en genuanceerder. ‘Vorige generaties hebben moeite met mensen die anders zijn,’ zei een studente, ‘maar dat speelt voor ons helemaal niet meer.’
Nu, op hetzelfde moment dat ik over pedagogiek schrijf, krijgt mijn eigen maakbare kind een gigantische woedeaanval. Had ik maar één van die meisjes hier, die zouden wel weten hoe ik dat het beste aan kon pakken. ‘Jij krijgt de hele dag geen eten als je niet ophoudt,’ is vast niet aan te raden.

Geen reacties


woensdag 19 maart 2014

Feitelijk leven

In de ochtend stemmen we netjes en daarna doen we boodschappen bij de AH. De bijna vierjarige en ik. Ze wil in zo’n karretje met een knalgele auto eraan vast. Maar ik krijg die zware kar niet door de winkel zonder steeds tegen de rekken op te knallen of tegen de schenen van mensen te rijden. ‘Je bent bijna vier. Je moet eruit,’ zeg ik.
‘Nee, zegt ze.
Terwijl ik met een mandje aan mijn arm door de winkel marcheer, zit zij in het geparkeerde wagentje te wachten. Achter het plastic stuurtje.
Tussen de middag komt de bijna negenjarige thuis en fietsen we naar het Kramatplantsoen waar ze gevaccineerd zal worden. We hebben storm tegen. Achterop zit de knikkebollende kleuter. ‘Niet slapen,’ roep ik, ‘want je zit niet vast. Dadelijk val je van de fiets met je hoofd op de grond en dan zit alles onder bloed.’ Naast mij fietst het meisje dat geprikt gaat worden. In elke arm één keer.Haar vaccinatiebewijs heb ik voor we vertrokken niet kunnen vinden, wel dat van onze poezen NoeNoe en Ronnie. Maar dat zal wel niet mogen. Het prikken gaat voorspoedig. Ze huilt niet. Er gebeurt niks noemenswaardigs. Soms hoor je dat ze totaal debiel worden van zo’n prikje.
Ik zeg: ”Goed zo, ik ben trots op je.’ Dat heb ik alle anders ouders tegen hun net geprikte kind horen zeggen. We fietsen terug. De brug op. We hebben weer tegenwind.
Thuis zet ik ze achter twee beeldschermen. Ik heb een half uur om een les voor te bereiden en iemand terug te bellen, voor ik de één naar pianoles zal brengen, de ander bij een vriendje aflever, en zelf naar de stad fiets om een schrijfcursus gaan geven. In plaats van iets voor te bereiden, schrijf ik dit.

Geen reacties


zaterdag 15 maart 2014

Nooit meer slapen – verhaaltje vrijdagnacht

Armoede in NL

Tijdens het avondeten bespreekt de vijfentwintigjarige Rosy de nijpende financiële situatie met haar zoontje Jerry. Het is weer alle dagen macaroni met ketchup. En morgen zal hij vrij zijn. Ze maken de schoolreisjes elk jaar duurder.
Hij is acht jaar, maar begrijpt alles.
Rosy kan het met hem overal over hebben. Over de moeilijke dag die ze achter de rug heeft. En: de oneerlijkheid van het leven. Hoe ze ooit ontslagen werd omdat ze een baby kreeg. Hoe ze al haar vrienden kwijtraakte omdat ze geen oppas kon betalen.
‘Ik vond het helemaal niet erg hoor. Ik kreeg er iets veel mooiers voor terug.’
Rosy realiseert zich elke dag dat ze in haar handjes mag knijpen met Jerry.
Hij is zo anders dan de materialistische jongetjes uit zijn klas die alleen maar kunnen praten over de nieuwste computerspelletjes en de verzameling technisch lego in hun speelkamers. Die schreeuwlelijkerds op hun Nike Air Maxjes. Ze moet er niet aan denken.
Jerry is juist een jongen die zich overal mee kan vermaken. Hij geeft niets om spullen. Macaroni met ketchup eet hij graag.
Na de maaltijd barst Rosy in tranen uit omdat ze voor zich ziet hoe de schoolbus morgen zonder haar zoon zal vertrekken. Ze voelt zich een slechte moeder. Ze weet best dat alle kinderen van pretparken houden. Jerry houdt haar stevig vast. Het liefst van alles is hij een dagje met haar, echt waar. Rosy blijft huilen. Hij is het beste zoontje is dat een moeder maar kan wensen. Als ze hem niet had, hoefde het voor haar allemaal niet meer. Jerry weet haar telkens weer uit de put te trekken, met dat lieve spitse snuitje van hem.

4 reacties


vrijdag 14 maart 2014

Nooit meer slapen – verhaaltje donderdagnacht

De Tienerjihadist

Er was een jongen uit een Nederlands provinciestadje die geen zin had om zich elk weekend in coma te zuipen. Hij zag niets in pillen en andere chemische troep. Ook had hij geen zin om een chick te neuken, waar hij niet voor de rest van zijn leven bij zou blijven.
Hij wilde regels om zich aan te houden. Zingeving.
Zijn moeder zei: ‘Seks is niet vies jongen. Jongens van achttien zijn nu eenmaal nergens anders mee bezig. Daar hoef je je echt niet voor te schamen.’
Hij wilde helpen.
Terwijl de kinderen in Syrië bij bosjes het leven lieten door een luchtaanval, zat de jongen in een krap klaslokaal van het MBO te luisteren naar het grote belang van een d of een t op het eind.
‘Denk maar niet dat jij iets kunt betekenen,’ zei zijn moeder.
Hij zei dat hij iets wilde doen aan het leed in de wereld.
‘Dat is nou typisch iets voor kinderen,’ zei zijn moeder. ‘Jullie zijn nog niet in staat te begrijpen dat dat niet kan.’
‘Wij willen de Syrische kinderen helpen.’
‘Dat begrijp ik goed, jongen. Wij hadden dat vroeger ook met de zeehondjes.’
De jongen bekeerde zich.
‘Ik leef voortaan voor een hoger doel, mama.’
‘Het is onzin wat jij gelooft. Dat heb je van die vriendjes van je.’
‘Ik wil naar de oorlog.’
‘Dan zul je toch moeten weten waar Syrië ligt,’ lachte zijn moeder.
Op een maandag verdween de jongen, samen met een vriend, in gevechtskleding, naar de oorlog.
Aan de pers meldde de moeder: ‘Mijn zoon is zwak en beïnvloedbaar. Het is nog maar een kind. Hij durft niet eens te vechten‘.

Beluister het verhaaltje hier

Geen reacties


donderdag 13 maart 2014

Nooit meer slapen – verhaaltje woensdagnacht

Amigo

Terwijl de bijna honderdjarige mevrouw Welles daar lag en nog even probeerde te slapen, – slapen werd hoe langer hoe moeilijker voor haar, maar met wakker zijn had ze tegenwoordig al net zoveel problemen – luisterde ze naar de afwasgeluiden die uit haar keuken kwamen, daarna was er het stofzuigen. Over tien minuten zou Amigo naast haar bed staan. Hij was precies zoals zij het hebben wou.
Tot nu toe: niets dan lof voor de nieuwe hulp. Hij hoefde geen koffie en verdeed zijn tijd ook niet met gezeur. Doortje had jarenlang tegen haar aangekletst.
Mevrouw Welles stond bekend als een moeilijke maar zelfstandige vrouw die geen genoegen nam met minder. Waarom zou ze?
Ze was moeder van zeven grijze zonen, waarvan de oudste al aan het dementeren was. Hij was zijn rijbewijs allang kwijt.
Ondanks het verlies van haar rijvaardigheid en haar totaal versleten rug woonde mevrouw Welles nog altijd op zichzelf.
Ze had Amigo meteen ingesteld op het dichtsnoeren van haar korset. Niet te los en niet te strak. Dat ging haar goed af. Ook de knopjes van de nieuwe magnetron kon ze makkelijk bedienen.
Ze ging met haar tijd mee. De eerste wasmachine was ooit haar huis binnen gedragen en later de eerste afwasmachine. Nu was ze de eerste bejaarde van het dorp met een thuiszorgrobot. Amigo mèt TomTom functie.
Morgen of overmorgen, – als ze eindelijk eens een keer uitgerust was, niet meer zo vreselijk moe in elk geval – zou ze hem achter het stuur zetten en konden ze misschien een stukje gaan rijden. De vrijheid tegemoet.

Beluister het verhaaltje hier.

Geen reacties


woensdag 12 maart 2014

Nooit meer slapen – verhaaltje dinsdagnacht

Een gummetje is zo gepakt.

In de klas met twaalf verwende meisjes die hoog moesten scoren van hun ouders, was er een dertiende die nooit verwend werd. En die ook niet hoog hoefde te scoren. Maar dat per ongeluk wel deed.
Ver boven haar eigenlijke niveau, concludeerde meester William.
Veel te ver.
Het was de kleine Jacquelientje van de koeienboerderij. De een-na-jongste van een hele trits kinderen. Het meisje met de donkere kringen rond haar ogen en de eeuwige mestgeur in haar kleren. Degene die nooit werd uitgenodigd op verjaardagsfeestjes.
In de wereld was er niemand die haar een handje hielp.
Dus deed meester William dat.
Jacquelientje was volgens hem meer het verzorgende type.
Op het voortgezet wetenschappelijk onderwijs zou het meisje steeds op haar tenen moeten lopen. In dat grote gebouwencomplex in de stad zou ze verdwalen. Nee, ze hoorde thuis op de school naast de zijne.
Iemand moest voorkomen dat zo’n kind aan haar ijver ten onder ging.
Door het raam zag meester William Jaquelientje zitten, op haar hurken voor haar rugzakbroertje. De manier waarop ze zijn jas dichtknoopte en hem daarna kort over zijn bol streek trof hem elke dag opnieuw.
Alleen zo iemand mocht hem – later in het verzorgingstehuis – in zijn kleren helpen of desnoods eruit. Maar hij zag haar ook best gelukkig worden in een bloemenwinkel. Het bleef haar leven.
‘De resultaten van Jaquelientjes citotoets lagen helaas weer iets onder het landelijk gemiddelde,’ zei hij op het laatste oudergesprek, ‘maar u hoeft zich over uw dochter echt geen zorgen te maken. Het is zo’n ongelooflijk lief kind. Meer dan haar best kan ze niet doen.’

Beluister hier het radiofragment.

Geen reacties


dinsdag 11 maart 2014

Nooit meer slapen – verhaaltje maandagnacht

Het mysterie van het verdwenen vliegtuig

Intussen in de Boeing 777 krijgt de vijftigjarige mevrouw Dahlia uit Amsterdam wel erg dikke benen van het zitten.
Het zou iets meer dan vijf uur vliegen zijn van Kuala Lumpur naar Peking, maar ze zit nu toch al zeker vijftig uur rechtop in het vliegtuig – ingeklemd tussen twee snurkende Chinezen, waar ze ook al niet op valt – met de National Geographic reisgids van Beijng op haar schoot. Ze weet precies vanwaar de bus vertrekt die haar naar de Grote Muur kan brengen. Bij Badaling.
Mevrouw Dahlia is een reislustige en gelovige vrouw. Maar heeft geen idee waarheen Gods weg deze keer leidt. Het enige wat ze weet is dat ze thuis wil zijn, bij haar vriendinnen. Die wel van haar houden.
Een week geleden was ze naar de hoofdstad van Maleisië gevlogen om haar grote liefde – een zachtaardige zestigjarige man die ze via internet had leren kennen -, eindelijk in het echt te ontmoeten. Maar eenmaal daar kwam hij niet op dagen en wilde geen enkele taxichauffeur haar naar zijn adres toe rijden. Nu wil deze piloot haar ook al niet naar de Grote Muur brengen.
Het gaat allemaal de verkeerde kant op.
‘Dames en heren, hier is uw verlosser speaking,’ had de piloot twee dagen eerder gezegd. ‘Het is gelukt hoor. We zijn ontsnapt!’ Naast haar juichten de Chinezen. ‘We zijn totaal van de radar verdwenen. Ik heb iedereen van ons afgeschud. We zijn vrij, dames en heren. Vrij. Als een vogel in de lucht.’
Maar dat wil mevrouw Dahlia dus juist niet.

Luister hier naar het radiofragment.

2 reacties


zaterdag 08 maart 2014

No woman no cry

‘Ik weet alleen nog dat ik pijn heb,’ mompelde een vrouw, ‘ik heb zo’n vre-se-lij-ke pijn aan mijn voeten.’ Ze kneep haar ogen dicht, kreunde en leunde tegen de muur.
Op de vroege ochtend van internationale vrouwendag zag ik heel veel dames op panty’s de stadsschouwburg verlaten en zij die niet op kousenvoeten liepen, strompelden voorbij. Dat ziet er niet relaxed uit, kan ik je wel vertellen. Ook niet knap. En waarom lopen we op die palen als we van tevoren weten dat we dat geen avond vol kunnen houden? Nou ja, natuurlijk houden we dat wel vol. We houden alles vol. Als het moet. Maar van wie moet het?
Ik droeg dit jaar geen hakken op het boekenbal. Regelmatig hoorde ik het mezelf zeggen: ‘Kijk! Ik loop goed!’ Alsof het een verdienste was.
Iemand schreef op Facebook: Fuck de jurk. Ik wil daar dus aan toevoegen: Fuck de hakken.
Om in de sfeer te blijven. Er was een man op het Ajaxterras en hij zei tegen mij: ‘Hee, jij hebt ook helemaal geen tieten!’ Ik had geen moment aan mijn boezem gedacht en wist niet goed wat daarop te antwoorden, dus tuurde ik in mijn blouse.
‘Helemaal geen is niet waar,’ zei ik.
Ik raakte tijdens de wandelingen door de gangen van de schouwburg veel mensen kwijt, maar toen ik tegen vieren buitenstond, vond ik ineens vier vrouwen die ook helemaal naar IJburg moesten. Even later zat ik in een grote reggae-taxi vol vrouwen, loeihard ‘No woman, no cry’ van Bob Marley en reden we relaxed naar ons nieuwbouweiland.

Geen reacties


donderdag 06 maart 2014

Iets

Er was iets deze week. Ik heb hier sinds zondag geen stukje gepubliceerd. Het komt denk ik ook gewoon door tijdgebrek. En omdat ik – nee mijn verhaal – tijdens het schrijven onder de grond beland was. Ik was in een ondergrondse nieuwbouwwijk terechtgekomen en kwam er haast niet meer weg. Geef mij licht en ruimte, dacht ik steeds. Maar onder de grond hingen alleen daglichtlampen. Ik dacht in deze dagen een paar keer aan die documentaire over een vrouw die zelfmoord pleegde omdat haar lichaam jaren achter elkaar in de allerhoogste staat van alertheid verkeerde. Het bleef, zonder dat daar een directe aanleiding voor was, steeds opnieuw stresshormonen aanmaken. Ze had nooit rust. Dat moet vreselijk zijn, dacht ik. Maar dat ik hier niets opschreef, kan ook wel komen omdat er deze week elke nacht een paar keer een peuter aan mijn bed stond die zei niet te kunnen slapen omdat ze bang was.
‘Waarom ben je bang?’
‘Ik heb iets gedroomd.’
‘Wat heb je gedroomd?’
‘Iets.’

Geen reacties


zondag 02 maart 2014

Voor nep

We daalden af. Onder de grond was een gigantische speeltuin waar ook tafels en banken voor volwassenen stonden. Je kon er koffie bestellen. ’s Middags aten we tosti’s in het onderaardse paradijs.
‘We kunnen ook naar de begraafplaats,’ zei Deetje (3) Ze sleepte haar tosti door een plas ketchup.
‘Wat doen?’
‘Oma D. weer ophalen.’
‘Dat kan niet,’ zei ik.
‘Dat kàn wel.’
‘En wat wil je dan doen met oma D.?’
‘We brengen Oma D. naar huis. We hangen slingers op. En dan is ze gewoon voor nep jarig!’
Deetje deed haar armen over elkaar. Ogen triomfantelijk op me gericht. Mond een streepje. Ketchupvegen op haar wangen. Voor nep jarig, hier had ik niet van terug.
‘Maar dat proberen we niet hoor,’ zei ze haastig.
‘Waarom niet?’
‘Dat vinden de mannen van de begraafplaats niet goed.’
‘O.’
‘We proberen het niet, hè mama. We gaan het niet doen.’
‘Nee, we gaan het niet doen.’
‘Maar het kàn wel,’ herhaalde ze.
‘We laten oma D. gewoon waar ze is. Ze slaapt lekker rustig.’
‘Ze sláápt niet.’
‘Nee.’
‘Ze is dood.’
‘Dat is ook zo.’
De wereld onder de wereld komt de laatste tijd op allerlei manieren terug, valt me op.

Geen reacties


donderdag 27 februari 2014

Ander leven

In de douchecabine stond ik, een cel met een ingebouwde radio die ruist en stoort, overal knoppen en knipperlichten, het leek meer op een raket, en toen ik de damp van de plastic deuren veegde, zag ik in het bad tegenover mij heel duidelijk twee meisjes zitten. Ander leven.
Een met lang blond haar en een met lang donker haar. Ik waste mijn haar en begon ze bespioneren. Ze maakten ijsjes met bekertjes en schuimkoppen erop, in hun handen hadden ze naakte vrouwenpopjes die ze van de reuzenijsjes lieten eten, ééntje duwde het plastic hoofdje er zelfs helemaal in, het enorme paard en de kleine dinosaurus keken ook toe, wachtten op de badrand geduldig op hun beurt.
Ik kon er geen genoeg van krijgen.
Later die dag zagen diezelfde meisjes en ik in het Flevopark twee jongedames wandelen in het lentezonnetje, onophoudelijk kletsend, ze trokken allebei een boek aan een lijntje achter zich aan.
‘Dat zijn nou pubers,’ zei ik.

Geen reacties


dinsdag 25 februari 2014

Een ritje naar onze geboortestad

Toen ik met de winnares van de Frans Kellendonkprijs 2014 het café van de Vereeniging binnenkwam, hing er een slaperige atmosfeer. Er zaten hier en daar een paar oudere stellen op fluistertoon te praten, ze dronken koffie en gebruikten er iets bij. Niemand besteedde aandacht aan haar en mij. Eerst gingen we naar het toilet. Ik dacht: is dit het nou? Zijn we hiervoor met de Greenwheelsauto helemaal naar Nijmegen afgereisd. Al was Nijmegen in het geheel geen vreemde stad voor ons. Ooit waren we er geboren, beiden met de initialen E.G. in het Canisiusziekenhuis dat inmiddels niet meer bestaat. Zoiets schept een grotere band dan je zou verwachten. Nu kwamen we hier weer terug. Zij als winnares, ik haar entourage. Het Keizer Karelplein, al sinds de vorige eeuw het meeste gevreesde plein voor autobestuurders, hadden we overleefd. Ergens midden op de rotonde zoefden de auto’s ons links en rechts voorbij. Maar ze zette meteen alle knipperlichten van de Greenwheels aan.
‘Dat is altijd goed,’ zei ze, ‘dan denken ze dat je pech hebt. Dan kijkt iedereen wel uit.’
Na ons toiletbezoek was het café waar we onze entree gemaakt hadden, verdwenen. Dezelfde deur kwam nu uit op een grote zaal vol heren en dames. Er klonk geroezemoes. Ik zag schrijvers en bekenden. Iedereen stond en had een glas wijn in handen. De winnares en ik werden overal hartelijk begroet, de jassen werden aangenomen, etcetera.
Het kon beginnen. Eerst was er de prijsuitreiking voor haar hele oeuvre en toen kwam de Kellendonklezing van A.f.t.h van der Heijden. Het was een mooie, feestelijke middag. Pas na negenen stapten we weer in de Greenwheels en reden we terug naar de stad waar we nu wonen.

Geen reacties


maandag 24 februari 2014

Het leven bezocht

Op zondag het leven bezocht in Noord. Dat moet soms als je op dit nieuwbouweiland woont.
‘Maar voor kinderen is het bij ons echt geweldig,’ zeiden we in de auto nog tegen elkaar. ‘Waar in Amsterdam kun je je achtjarige nou gewoon buiten laten spelen als je weggaat?’ Dat wisten we echt niet.
Wat we ook niet wisten is dat er op datzelfde moment een gewapende overval werd gepleegd in het café op de hoek van onze straat. Gemaskerde mannen en spelende kinderen. Als dat geen leven is!
Nee, wij waren op de kermis. Probeerden met de grijper een neonroze horloge te pakken te krijgen.
In de brandweerauto zwaaide de driejarige steeds opnieuw naar ons – opa, oma, vader, moeder – almaar hetzelfde rondje draaiend. Een loempia besteld, tegelijk met de authentieke tandeloze alcoholist in de grote gevlekte spijkerbroek.
‘Mama, die meneer moet spugen.’
‘Ja, kom we gaan snel weg hier, anders spuugt hij nog per ongeluk op ons.’
‘Die meneer is ziek.’
‘Heel ziek. Bah. Vies. Kom. Weg.’

Geen reacties


donderdag 20 februari 2014

Blauwdrukken

Sinds ik lesgeef, nu al jarenlang, geef ik steeds dezelfde groep cursisten les.
Om de acht weken dragen ze wel andere jasjes, hebben ze andere namen, doen ze nieuwe studierichtingen of werken ze in branches waar ik eerder nog niet van gehoord had, maar meestal ook wel. Om de acht weken hebben ze hoogstens een andere achtergrond, het aantal broers en zussen wisselt en de leeftijden kunnen een paar jaar verschillen, soms zelfs twee decennia, de hobby’s waarschijnlijk ook, dat weet ik niet precies, van de hobby’s van mijn cursisten kom ik nooit veel te weten, of ik moet ze toevallig opvangen in de wandelgangen, zijn hobby is ‘insecten’ las ik gisteren in een verhaal van D.Hooijer, hun hobby is schrijven, natuurlijk. Oké, ze hebben zeker andere eigenaardigheden, zenuwtrekjes, ook de blik in hun ogen verandert om de acht weken wel iets en het gevoel voor humor is tijdens de ene cursus zwarter dan de andere. Maar voor de rest zijn het allemaal exact dezelfde types. Dat begint nu echt ontzettend in de kijker te lopen.

Geen reacties


dinsdag 18 februari 2014

Pluk het beeld

Daarnet op de Bert Haanstrakade rende ik een huilende jonge vrouw voorbij, ze liep tegen de wind in, voorovergebogen, het krullende haar danste rond haar hoofd. Ik dacht: ik had mijn duim op moet steken of ik had tenminste even naar haar kunnen glimlachen. Er is iemand die je ziet. Maar het bleef weer eens bij denken. Toen ik even later door het Diemerpark holde, zag ik in de verte nog een beeld dat ik kan gebruiken. Bij die huizen als doorzichtige blokkendozen, trimde achter het glas, een man op een loopband, in pak en das. Ik dacht aan Shady Hill, Revolutionairy Road en Arlington Park. En er zijn nog een paar van die buitenwijken in de literatuur met die specifieke milieus en specifieke problemen. Of eigenlijk niet zo erg specifiek.
Thuisgekomen ging ik meteen zitten, opende mijn online klasje dat deze week het plot van hun verhaal moet inleveren. Ik zou dat zelf nooit zo kunnen. Maar goed, tijdens het lezen van de plots, nog altijd in sportkleding, dronk ik gekookt water en at ik gezouten pecannoten.

Geen reacties


maandag 17 februari 2014

Het is tijd

Mijn kiezen zitten los en vallen één voor één uit m’n mond. Mijn voortanden trek ik eruit als grassprietjes. Dit is de meest klassieke droom aller tijden. Daarvan ben ik me bewust. In de droom herken ik de droom.Tegelijkertijd probeer ik doodstil te blijven zitten want telkens als ik beweeg, rolt er weer een kies uit mijn mond, als een knikker. En ik moet er toch een paar overhouden om te kunnen eten.
‘Zo erg is het niet,’ zegt iemand, ‘je kunt ook kauwen met je tandvlees.’
Maar zo erg vind ik het wel.
De volgende ochtend ren ik door het park en luister naar het radioprogramma Nooit meer Slapen. Een fijn lang gesprek met Marte Kaan. Zij heeft net een verhalenbundel gepubliceerd en is daarvoor naar Nederland gekomen, maar ze woont met haar gezin in Dehli.
Dit Wil Die Droom Van Jou Zeggen, weet ik ineens. En: Als je het echt wil, moet je er nu werk van gaan maken. Het is tijd.
Met die gedachten hups ik door het Diemerpark. Heen en weer.

Geen reacties


vrijdag 14 februari 2014

Geen recensie.

Wij, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, schreden achter de kist aan door het gangpad van de kerk. Langs een haag van mensen. De klokken beierden. De kleintjes schreiden.
‘Waarom ligt oma D. niet een glazen kist?’ fluisterde Deetje, ‘ik wil oma D. zien.’
Tot zover werkte het goed. Het katholieke ritueel.
Meneer Pastoor (41) opende de ceremonie met de schuldbelijdenis.
Hij had de familie op het hart gedrukt de voordrachten vooral kort te houden. Anderhalve minuut. Het gebeurde vaak dat nabestaanden te lang spraken, was zijn ervaring. Ze konden de aandacht en de spanning niet vasthouden.
Na de schuldbelijdenis was ik meteen al aan de beurt. Het ging prima met de aandacht van de mensen. Ook toen andere kleinkinderen en een zoon voorlazen, haakte er niemand af. In tegendeel. Op die momenten kon je een speld horen vallen.
Zodra meneer pastoor zelf aan het woord was echter, verslapte de concentratie. Nog geen anderhalve minuut nadat hij begon te spreken, verloor hij al het contact met zijn publiek. Zijn monoloog haalde de vaart en emotie uit de dienst. Wat wij opgebouwd hadden, brak hij in een paar zinnen weer af. Zijn tekst was ook te vaag en abstract, met veel te veel herhaling. Daarnaast sprak hij alles op één toon uit. Het belangrijkste: ik geloofde hem niet.
Maar goed, dit is geen theaterrecensie. Het was een uitvaartmis. Het was de twee uur durende dienst van meneer pastoor die wij af en toe onderbraken met onze stukjes. De kerk was steenkoud. De kleintjes begonnen de zuurtjes heel door te slikken. De man in de jurk bleef er tot vervelens toe op hameren dat onze zuster nu bij de heer was. Terwijl iedereen wist dat onze zuster daar zelf het hare van dacht.
‘Ligt oma D. eigenlijk zonder kleren in de kist?’ vroeg Deetje.
Het einde van het ritueel was wel mooi. De klokken luidden. De zes grijze zonen gingen voorop en droegen hun moeder de kerk uit. Ze brachten haar naar de de begraafplaats aan de overkant van de straat. Naar hun vader. We verzamelden ons met z’n allen nog eenmaal rond oma. Het regende hard maar meneer pastoor sprenkelde extra water over de kist. Dat vond ik heel aandoenlijk. De toewijding waarmee hij dat deed. Ik zou hem adviseren voortaan alleen nog dingen op locatie te doen. Een koor van oude mannen zong Latijnse liederen. Het Onze Vader werd gebeden. Onze schoenen zakten steeds dieper de modder in. We werden kleddernat. We waren een familie.

Geen reacties


maandag 10 februari 2014

Wat niet klopte

We, mijn moeder, broer en ik, liepen door de gang van het bejaardentehuis naar oma’s kamer.
Het eerste wat niet klopte was dat de deur op slot was. In de tijd dat mijn moeder de sleutel aan het halen was, maakte ik een foto van het naambordje op de deur. Ik weet ook niet waarom ik dat deed. Toen kwam moeder terug met de sleutel. Het tweede wat niet klopte was de koude wind die ons tegemoet kwam, de gordijnen die opbolden. Het raam dat wijdopen stond.
Het derde was dat de radio uit was.
Het vierde wat niet klopte was oma.
Ze lag op bed, zoals ik haar de laatste maanden steeds op dat bed had zien liggen. Maar toen lagen er nooit bloemen op haar sprei. Mijn moeder en broer liepen al naar binnen, maar ik ging terug de gang op. Waar alles nog goed was. Tl-licht. Hitte. De rolstoel met ‘Geurts’ erop geschreven.
Uiteindelijk kwam ik de drempel over en stonden we met z’n drieën aan haar voeteneinde te kijken.
Ik had de neiging om te gaan zoeken. Er was hier duidelijk iets kwijt. Weg. Dat moest gevonden worden. En wel nu. Ver weg kon het niet zijn. Er moest iets terug die fles in.
Daarna had ik de neiging om te gaan roepen. Oma, waar ben je? Joehoe, waar ben je gebleven? Ja, hé, het is nu niet meer leuk. Waar zit je nou? Ik haat dit soort van verstoppertje spelen.
Maar ik deed natuurlijk niets met al die neigingen.
Na een tijdje liep ik naar haar toe en bekeek haar van heel dichtbij. Hoe onnatuurlijk stil ze lag. Al had ik heus niets anders verwacht. Het liefst had ik aan haar willen vragen wat ze er nu zelf van vond. Deze toestand. Of het nu goed was, of niet. Dat ging dus ook al niet.

Geen reacties


zaterdag 08 februari 2014

Het sterven

Ik heb nu geen oma meer. En mijn vader heeft geen moeder meer.
‘We zijn er intussen ook oud genoeg voor,’ zei hij daarnet aan de telefoon.
Dat is wel waar. Maar toch heb ik het gevoel dat dat niet waar is. Dat we er nooit echt oud genoeg voor zullen zijn.
Ze was vanmiddag bezig met sterven toen ik – met een gigantische hoofdpijn – van het van Gogh museum naar huis tramde. Die pijn hield op toen ik aan de keukentafel zat, naar later bleek precies het tijdstip van haar overlijden. Het één heeft niets met het ander te maken – ook al zou ik zoiets graag willen – want ik nam eenmaal thuis gewoon een Ibuprofen. Oma geloofde ook niet in wonderen. (Maar ik wel)
Toen ik het de meisjes vertelde, ze waren aan het prikken, prikten ze door met hun prikpennetjes. De één een hertje en de ander een tijgertje.
‘Dood,’ zei Deetje. Ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Wie is er dood?’
‘Oma D.’ zei ik nog een keer.
‘O?’ zei ze. ‘Maar hoe is oma D. doodgegaan?’
‘Ze was heel oud, hè? En ze sliep en toen gebeurde het.’
‘O,’ zei Deetje. Weer zag ik die wenkbrauwen fronsen. Even later vroeg ze: ‘Maar gaat óma ook dood dan?’
‘Ja.’ Haar grote zus hield op met prikken. ‘Oma ook,’ zei ze. ‘En opa. Iederéén gaat dood.’
‘O,’ zei het zusje dat nog van niets wist. ‘Maar wij niet hè? Wij niet.’
‘Jawel. Wij gaan dood. Papa en mama. En ik. En jij ook,’ zei haar oudere zus. Toen legde ze haar pennetje weg en zei: ‘Ik heb geen zin meer in prikken.’
‘Maar gaat het huis dan ook dood?’ vroeg Deetje.

5 reacties


vrijdag 07 februari 2014

Driehuis

In de trein naar Driehuis zat ik. We zouden met vijf mensen bij iemand gaan eten en dan met z’n zessen naar een underground toneelstuk in IJmuiden of zoiets, maar op het laatste moment was er één geveld door griep, één kon toch geen oppas krijgen, weer één was te brak van de avond daarvoor en de laatste was te slecht gehumeurd om zich te verplaatsen.
Zij stond al op het perron van Driehuis op me te wachten. Aan haar zijde twee van haar vriendinnen. Met z’n vieren reden we er naartoe. Het stuk bleek in een woonhuis te zijn. De deur werd opengemaakt door een mevrouw in jaren ’50 schort.  Ze leidde ons naar de woonkamer die ook de sfeer van de jaren ’50 ademde. We wachtten. De kamer stroomde langzaam vol met vrouwen. Steeds voller werd het. De meesten waren een jaar of vijftig, zestig. Met wat uitschieters naar boven of naar beneden (een enkeling had haar moeder of dochter meegenomen). Ik dacht aan sleutelfeesten en revolutie: ‘Het is tijd dat we ons met de wereld gaan bemoeien! Wij moeten ingrijpen. Het is de hoogste tijd om iets te gaan dóén. We pikken het niet langer!’ Toen werd er bowl geserveerd en advocaatjes met slagroom. Tussen ons, vrouwen, bevond zich één grote kale man. Dat bleek later de casanova van Driehuis te zijn, die in het appartement boven de Intertoys woonde.

Geen reacties


dinsdag 04 februari 2014

Goud

Ze had me haar onderbroek laten zien. Een jongensboxer. Daarna wandelden we over het museumplein en praatten we over het volgende boek. We gingen zitten op een terrasje en dronken buiten koffie. Op twee stoeltjes, naast elkaar gezeten, het gezicht in de zon. Voor de vitamine D. Nog net geen geruite fleece-dekentje over de benen. Even later slingerde ik door de stad naar huis, koud tot op het bot. Bij de boekhandel in de Utrechtsestraat stopte ik om A handful of dust van Evelyn Waugh te kopen. En ik dacht aan het maken van dingen. En aan klompjes goud die verzilverd konden worden.

Geen reacties


maandag 03 februari 2014

Iets anders

Bij het ontbijt zei Jeetje (8) dat ze later naar de maan zou gaan of naar mars als het even kon en dat ze een paar jaar later wel weer terug zou komen om haar ouders op te zoeken. Misschien kwam ze helemaal niet meer. ‘Dat geeft niks,’ zei ik, ‘ouders willen hun kinderen zien, kinderen hun ouders niet per se. Zo hoort dat.’
Bij het tandenpoetsen, riep ze uit: ‘Waarom gaan we niet voor altijd weg hier. Op wereldreis. Waarom doen we dat eigenlijk niet?’
‘Jaaaa,’ riep Deetje (3)
‘Naar Afrika!’ zei Jeetje. ‘Ik wil eerst naar Afrika.’
‘Nee, ik wil naar Portugal,’ zei Deetje. ‘Ik wil dat de zon schijnt, maar dat het niet koud is.’
Toen ze klaar waren met tandenpoetsen, bracht ik de ene naar de crèche en de andere naar school, en de één moest huilen, zogenaamd omdat ze haar ballon thuis had laten liggen, de andere wilde niet naar school omdat ze het daar zo ontzettend saai vond en  heel even stond ik op het punt om met ze naar zee te treinen. Maar ik keerde terug naar huis. Ik ging zitten op mijn bureaustoel. Ik gaf online les. Ik stuurde een mail. Ik zag een documentaire over een moeder met een gewetenloze zoon. En eindelijk ging ik schrijven. Gisteren hoorde ik een Russische dichter in een documentaire zeggen dat hij het dichterschap al een straf op zichzelf vond. Daar moest ik best om lachen. Maar zo grappig was het ook weer niet.

Geen reacties


donderdag 30 januari 2014

Een dag

Het is een maandag die geen maandag is omdat het donderdag is. Maar dat is dan ook het enige verschil. De week gaat snel. Het is nog geen februari maar het voorjaar is al bijna weer afgelopen en het nieuwe boek nog steeds niet af. Deze maandag begon met ‘Mama, heeft een ochtendhumeur.’ En nu zit ik alweer in mijn renkleren te wachten tot ik opgehaald wordt door een vriendin. In het donker, naast de houtkachel. Met een nieuwe linker en rechtersok. De poes mauwt angstaanjagend hard en lang, net als gisteren rond deze tijd. Ze is acht maanden nu en definitief geen babypoesje meer. Ik heb ergens op deze dag de dierenarts gebeld die haar zo snel mogelijk weer onvruchtbaar moet maken. Voor het te laat is. Over poesje gesproken. Het woord kut kunnen we vervangen voor vagijn, las ik in een discussie op Facebook. Omdat een kutdag een negatieve connotatie heeft, dat is het geval met alles waar kut voor staat, en een vagijndag nog klinkt als valentijndag. Maar dan minder commercieel.
En nu zit ik alweer naast de kachel, maar heb ik acht punt twee kilometer gerend waarvan het laatste stukje kei hard. En tijdens de sprint voelde ik dat ik door de maandag heen rende, ik voelde dat ik er doorheen aan het breken was.
Als het geen donderdag was geweest.

Geen reacties


dinsdag 28 januari 2014

Ik wil winnen

De kaarten vliegen door de kamer en Deetje (3,5) rent erachteraan.
‘Ik wil winnen!’ gilt ze. ‘Ik wil winnen!’
‘We zullen het spelletje niet meer doen,’ zeg ik.
‘Jawel.’ Ze krijst. ‘Jaaaaaa wel!
‘Nee hoor, als jij zo raar doet, kunnen we geen spelletjes meer doen.’
In een hoek zijgt ze neer. Alsof er net een wereld is vergaan, in plaats van een spelletje memorie verloren.
‘Het gaat om het spelletje, niet om het wínnen.’
‘Ik wil winnen.’ Haar stem is schor.
‘Je kunt een andere keer nog winnen.’
‘Ik wil nu winnen.’
‘Nee, het gaat er om dat wij gezellig een spelletje doen. Gezellig.’
‘Maar ik wil wihinnen.’ Deetje stort zich in mijn armen en blijft zacht snikken. Jeetje (8,5) zet het liedje van Kinderen voor Kinderen in. ‘Moet ik dan altijd een winnaar zijn. Ik doe echt m’n best maar voel me soms zo klein. En wat is er zo erg aan de laatste zijn?’

Geen reacties


maandag 27 januari 2014

munttheevrouw

Ik fietste naar de P. omdat ik een lunchafspraak had. Ik bestelde alvast verse muntthee. Tegenwoordig schaam ik me als ik muntthee bestel omdat ik overal lees dat het ‘bepaalde types’ zijn die daar om vragen. Vooral verse. Zo ook met witte wijn. Vooral droge. Droge witte wijn en verse munttheevrouwen; die schijnen gru-we-lijk te zijn. Daar wil je niet dood mee gevonden worden.
Maar ik dronk de thee gewoon rustig en keek de ruimte rond. Ik meende me te herinneren dat ik hier ooit bij een trouwborrel van vrienden was geweest. Ik dacht aan hun lange, pijnlijke scheiding. Daarna stond ik op om een krantje te pakken. Bij de leestafel vond ik alleen maar zaterdagkranten. Ik ging weer zitten en keek op mijn telefoon. Op twitter kwam de longlist van de Libris nogmaals voorbij. Ik klikte twitter weg. Op Facebook diezelfde lijst. Ik klikte Facebook weg, zoop mijn glas leeg. Toen kwam mijn lunchafspraak binnen. Ze bestelde een muntthee. Die schaamt zich nergens voor, dacht ik. We begonnen met bijpraten. Het ging eerst over dissociëren en plezier hebben  – hoeveel plezier moet een mens per dag eigenlijk hebben? – en daarna hadden we het over walls of fame.

Geen reacties


woensdag 22 januari 2014

Conclusie

Op een weblog las ik vandaag een stuk over de stolp waarin wij in Nederland leven. Het vacuüm. Hier is alles goed en rustig en vrij. En dat we dat eens zouden moeten waarderen. Op de radio hoorde ik iemand zeggen dat er hier niets is waar wij voor hoeven vechten  en dat dat eigenlijk jammer is.
Op de televisie beelden van verhongerde mannen in foetushoudingen. Beestachtige martelingen. In de krant las ik over de uiterst moeizame vredesconferentie over Syrië. Via Facebook kreeg ik ‘de tien vragen die je niet durfde stellen over Syrië’ onder ogen. Wat is daar nou precies aan de hand?
Deze avond vroeg ik mijn cursisten verhalen van zestig woorden te schrijven, waarbij de situatie eerst goed, rustig en positief is en daarna vol problemen, bedreiging en angst.
Misschien denk je dat er nóg een conclusie moet zijn, maar die is er niet.

Geen reacties


dinsdag 21 januari 2014

Omgaan met tijd

11.07 u. Op een kladblokje naast m’n toetsenbord noteer ik steeds hoe laat het is, om de tijd niet weg te laten glippen. Ik wil de uren in de hand houden. Mijn eigen tijd goed indelen. Ik heb vandaag in principe tot 15.00 u. Om de haverklap kijk ik op het blokje om te zien hoe laat het net was en om op te schrijven hoe laat het nu is, en dan ga ik na  wat ik in die tussentijd precies gedaan heb. Soms geef ik online les als tutor. Soms, zoals nu, schrijf ik een blog. Of ik kijk op Facebook om de bezigheden van mijn online vrienden te checken, of ze nog iets leuk gevonden hebben van mij of van anderen. Daarnet stuitte ik op een filmpje over waarom schrijvers drinken en dacht aan al de mensen die geen schrijver zijn en toch drinken. Maar als ik dadelijk ga beginnen, eindelijk het document open, zet ik de wekker eerst op vijfenvijftig minuten. Die vijfenvijftig minuten duren langer. Zoals ook de tien minuten die mijn dochter pianospeelt, langer lijken als ik de wekker zet. Maar ook korter. Het heeft iets met afbakenen te maken. De tijd laten groeien en afbakenen. 11.16 u.
Dit stukje nalezen, schrappen, veranderen. 11.19 u.

Geen reacties


maandag 20 januari 2014

Niets meer aan te doen

We sjeesden regelrecht van radio L1 in Venlo naar het bejaardentehuis in Gennep waar oma (98) in bed ligt. Ze zag er beter uit dan de vorige keer. Haar gezicht was voller. Haar wangen roder. Misschien was het ook omdat ze nu haar gebit in had.
Ze zei: ‘De dokter heeft gezegd dat ik alles mocht eten en drinken. Er was helemaal niets wat ik niet mocht hebben.’
‘Ja?’
‘Weet je wel wat dat inhoudt, Elke?’
‘Nou?’
‘Dat er niets meer aan te doen is,’ zei ze. ‘Ze kunnen er niks meer aan doen.’ Oma sprak elk woord zorgvuldig uit en keek me aan.
‘O ja.’ Ik sloeg mijn ogen neer. Het werd stil in de kamer. Hier zat ik dan aan de rand van oma’s bed en er was niets meer aan te doen. Al zag ze er heel goed uit vandaag. Maar daar durfde ik niet over te beginnen.
‘Heb je zin in een stukje chocola, oma?’
We aten chocola uit het schaaltje dat op tafel stond; oma, mijn moeder en ik. En meer deden we niet.

Geen reacties


vrijdag 17 januari 2014

Heel anders

In de trein naar Maastricht, ik denk ter hoogte van Weert, moest ik Revolutionairy road  opzij leggen om het verhaal Lastmens te gaan lezen. Het was jaren geleden dat ik dat gedaan had. Het kwam mij voor als eeuwen terug. Maar dat kon niet waar zijn. Voorin stond dat het boek in 2010 uitgekomen was.  Ik was op weg naar de kunstacademie om te praten over dit verhaal. De studenten audio-visueel wilden er een korte film van maken.
Het viel me helemaal niet tegen. Het woord negerin stoorde me. Maar dat was alles. Wel begreep ik waarom mensen het verhaal ‘zwart’ genoemd hebben. Af en toe werd ik door de woorden om de oren geslagen. Het waren ooit mijn woorden. Ik wist dat ik ze geschreven had, maar zo voelde het niet.
In het verhaal ‘besluit’ de moeder, Wieke heet ze, zich op zeker moment voor te doen als de au-pair van haar eigen kind. (Het is niet echt een besluit. Die vrouw besluit niks. Het overkomt haar. Ze zegt geen nee.) De afstand die dat met zich mee brengt maakt het voor haar makkelijker met haar dochtertje van drie om te gaan. Als ze haar dochter beschouwt als werk, is de verantwoordelijkheid beter te dragen. Is ze beter in staat liefde te voelen. Als toeschouwer is alles makkelijker. Het leven als baantje is makkelijker dan er middenin zitten.
Even later zat ik voor een klas derdejaars studenten. Ze vroegen dingen als: Heeft Wieke in het verleden een problematische verhouding met mannen gehad? Haat ze kinderen? Waarom is ze bij die man? Is het verhaal misschien een postnatale depressie? Wat is er in het verleden met Wieke gebeurd dat ze nu zo is?
Voor ik het wist zaten we in een therapiesessie waarin ik de woordvoerster van Wieke scheen te zijn.
‘Jullie moeten er vooral je eigen ding mee doen,’ zei ik tegen de studenten, ‘een film is iets heel anders dan een verhaal. Het staat op zichzelf.’
Dat wisten ze allang. Eén jongen stelde voor om in plaats van een kind een hond te nemen. En in plaats van de zandbak waar de au-pairs samenkomen een hondenuitlaatplaats.

2 reacties


woensdag 15 januari 2014

Flarden van de laatste dagen

Murakami in een interview in NRC over schrijven: Ik heb geen enkele bewegwijzering. Het is reizen zonder landkaart. Het enige wat ik nodig heb is vertrouwen – het geloof dat ik ooit, op een dag, het verhaal waaraan ik begin ook daadwerkelijk zal kunnen beëindigen. Voordat ik die kracht in mezelf voel, begin ik niet eens.
Vlak daarna hoorde ik een geïnterviewde op de radio (ik weet nu al niet meer wie)  Kant citeren. De strekking van het citaat: Durf op je eigen verstand en gevoel te vertrouwen. Heb aandacht. Je kunt alleen maar echte aandacht voor andere mensen hebben als je volledig op je eigen perceptie vertrouwt.
En zojuist las ik op Facebook twee stukken van Vlaamse schrijfsters wier werk ik bewonder, Saskia de Coster en Annelies Verbeke, het ene stuk ging over het evenement Literaire Moeders (Mannen, wees gewaarschuwd, vrouwelijke schrijvers rukken op!) en in het andere stuk werd getwijfeld over de uitwerking van zo’n avond lang praten over vrouwelijke auteurs. ‘Omdat ik vrees dat elke beklemtoning van de vrouwelijke auteur als aparte groep, de discriminatie uiteindelijk in de hand werkt,’  schrijft Annelies Verbeke. En: ‘Ik blijf oprecht denken dat mijn geslacht er weinig toe doet wanneer ik schrijf, ik blijf oprecht denken dat ik een parade van mensen ben, een optocht van vrouwen, mannen en hermafrodieten van alle leeftijden die me bij het schrijven goed van pas komt. ‘
Saskia de Coster benoemt in haar column in de Morgen juist haar literaire moeders en schrijft: ‘ Nochtans geloof ik oprecht dat de drang om te schrijven aseksueel is, dat niemand met zijn geslachtsdeel schrijft, en dat je literatuur zelf niet kan opdelen in vrouwenliteratuur en mannenliteratuur. Maar of je effectief aan schrijven toekomt, of het je toegelaten wordt, of het gepubliceerd mag worden of niet, dat heeft eeuwenlang afgehangen van je sekse.’
Dit heeft allemaal op een bepaalde manier met elkaar te maken.

Geen reacties


maandag 13 januari 2014

Gelijk

De poes was al een dag en een nacht weg. Het was niets voor haar. Ze ging nooit ver van huis. Het was het vrouwtje. Ze moest wel verdwaald zijn. Geen erg emancipatoire gedachtegang. Maar het ging om een poes.
‘Nu niet gaan zeggen dat ze een matje is geworden,’ zei Jeetje voordat ik mijn mond open had gedaan. ‘Jij altijd met je dood, dood. DOOD.’
‘Nee, jij,’ zei ik. ‘Het is jouw poesje dat nu zielig en alleen en uitgehongerd ergens op ons zit te wachten. En jij speelt lekker op je kamer met je monster-high poppen.’
‘Ze komt heus wel terug, mama.’
‘Jij maakt je helemaal geen zorgen. Dat vind ik nogal raar,’ zei ik.
‘Hoe wéét jij dat ik me geen zorgen maak?’
Het tengere, blonde kind stond op de vierde traptrede naar me te kijken. Achteneenhalf jaar oud. Armen over elkaar. Zo’n monsterlijke pop in haar ene hand. In haar oorlelletjes kleine gouden ringen.  Het ene lelletje roder dan het andere. Donshaartjes op haar oorschelpen. Het roze hemd hing half uit haar lila spijkerbroek. Vanaf een iets hoger standpunt bestudeerde ze de vrouw die voor haar stond. Mij. Haar moeder.
‘Ik hoef toch niet de hele tijd te zèggen dat ik me zorgen maak.’ Ze articuleerde alsof ze het tegen een zwakzinnige had. ‘Of wel soms? Maak je je soms pas zorgen als je het steeds zegt? Nee, hè? Nee.’
Ik boog mijn hoofd, zei dat ze gelijk had, dat ze gelijk had. En rond drieën ’s nachts zou de poes ook inderdaad gewoon terugkomen. Luid mauwend stond ze onder het raam. Verbolgen omdat het zo lang duurde voor iemand haar binnenliet.
‘Sorry,’ mompelde ik, ‘sorry dat ik je zo lang heb laten wachten. ‘

Geen reacties


donderdag 09 januari 2014

Docu Doe Maar

In Heijen ontstond dus Doe Maar. Hadden wij dat geweten, was onze jeugd anders verlopen. Heijen was niet direct het stoerste plaatsje om in op te groeien, vonden mijn vrienden en ik. In de jaren tachtig. Nu schrijf ik hier: mijn vrienden en ik en het klinkt alsof we een clan waren. Maar ik had geloof ik twee vriendinnen. Waar ik niet echt mee praatte. Dat deden wij niet. Niemand deed dat daar. We voelden elkaar nog gewoon aan.
Waren we ergens anders, werd ons op een gegeven moment altijd die ene vraag gesteld.
‘Wat praten jullie grappig. Waar komen jullie vandaan?’
Hoeveel beter zou het zijn geweest als we hadden kunnen zeggen: ‘We komen uit het dorp waar  Doe Maar begonnen is. Ergens op een zolder. Op een Heijense boerderij. En wij speelden daar rondom heen.’
Alleen Henny deed toen nog niet mee. Het is jammer dat Henny misschien wel helemaal nooit in Heijen geweest is.

 

Geen reacties


dinsdag 07 januari 2014

Luik

De Bulgaar en zijn vrouw zijn de hele dag al boven bezig een luik te maken dat mij definitief van  van de rest van het gezin zal scheiden. De poezen verscheuren kranten als bezetenen. Soms kost het me enige moeite de zin van dingen in te zien.Een vriendin die a Room of One’s own aan het lezen is, drukt me op het hart dat ik een hele dikke kluisdeur moet nemen. Het wordt een luik van multiplex. Hoogstens drie centimeter dik. En met kieren ertussen zag ik net. Het is misschien juist fijn dat ik, als ik werk, mijn kinderen en man nog gewoon kan horen. En de vrienden van mijn kinderen. En daar de ouders van. Een beetje contact met de wereld is goed voor een schrijver. Misschien doe ik dat luik, als het straks klaar is, wel gewoon meteen weg. De luiken blijven open dit jaar. Ik kan ook voor altijd in café’s gaan werken. In de CoffeeCompany op het Javaplein vandaag zat ik tegenover een beroemd politica. Wij, allebei achter onze laptopjes. Het wemelde daar trouwens van de lieve mensjes zoals wij, achter lieve opgetrokken muurtjes.

Geen reacties


zondag 05 januari 2014

De wereld van oma

In de deuropening zie ik haar al liggen met open ogen. Wijdopen. Langzaam loop ik haar kamer in. Vanuit het bed volgt ze mijn gang, als die van een vreemde. Ik haal mijn pet van mijn hoofd. Als ik me naar haar toe buig, kijken we elkaar aan van heel dichtbij. Ik herken haar nauwelijks. Ze heeft grote ogen. Een andere blik ook. Nog nooit eerder zag ik haar zonder tanden. Misschien is dat het? Op het moment dat ik haar kus, flitst het door mijn hoofd dat ik in de verkeerde kamer ben. Bij de verkeerde mevrouw. Dat we elkaar helemaal niet kennen en ik hier een volslagen onbekende sta te kussen.
‘Elke,’ zegt ze dan. ‘Elke.’
‘Ja,’ zeg ik.
Oma ligt scheef in het bed. De aders op haar handen zijn dik en zwart. Er zijn haast alleen nog aders. Ik hou ze vast.
‘Je handen zijn zo zacht, oma.’
‘Dat krijg je als je er niks meer mee doet,’ zegt ze.
Ik lach. Zij lacht ook. De klassieke zender staat op, zoals altijd. Mijn moeder zit aan de ene kant van het bed, ik aan de andere. We babbelen wat. Er heerst rust in de kamer. Het is een compleet andere wereld. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat oma hier ligt te wachten op de weeën. Ze is uitgerekend. Het zal in deze dagen beginnen. De bevalling. Maar ze lijkt kalm. Ze weet dat er niets anders op zit. Ze heeft ooit zeven kinderen gekregen, misschien maakt dat het makkelijker? De overgave.
‘Ik kan niet meer staan,’ zegt ze.
‘Je krijgt toch fysiotherapie?’
‘Ja, maar het gaat niet. Mijn benen zijn verstijfd. Ze willen niet meer.’ Ze haast zich te zeggen: ‘Het is niet de schuld van mijn benen hoor.’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Het is gewoon het lot,’ zegt ze. ‘Het is mijn lot.’
Dan zegt mijn moeder dat mijn vader thuis de piepers op heeft staan voor de zuurkoolstamppot. We moeten gaan, we moeten eten en daarna ga ik met de meisjes terug naar Amsterdam. Ik zeg haar gedag, ze knijpt stevig in mijn hand. Ik knijp terug. ‘Tot de volgende keer,’ zeggen we.
Als ik op de drempel sta roep ik: ‘Doei.’
‘Doeg,’ roept oma.
Dan verdwijnen mijn moeder en ik de hoek om. Terug naar de wereld van de piepers.

Geen reacties


zaterdag 04 januari 2014

Le grande attacco

We liepen anderhalf uur naar Kriterion om dan eindelijk die onuitstaanbare rotfilm te gaan zien, die door alle Nederlandse kranten met vijf sterren beoordeeld is.  Het regende. Het woei. Ik wilde, vanwege dat weer, bij Studio K. al stoppen om de Nederlandse productie Soof te gaan bekijken, maar zag teleurstelling op het gezicht van de ander. Dus: op naar La grande belezza. De zaal was afgeladen. We waren op de de juiste plek, het goede moment, de film moest inderdaad wel heel geweldig zijn. Maar na tien minuten al begon het tintelen van mijn linkerbeen. Mijn barometer dat er iets niet in de haak is. Hoe meer pijn, hoe minder in de haak. Vroeger gaf het been aan dat er een epileptische aanval zat aan te komen. Mooie beelden ja. Mooie beelden te over. Prachtig zelfs. Ik kreeg zin om te zwemmen in die blauwe zwembaden, in whisky met ijs, ijsblokjes, zee. Na de zoveelste serie mooie beelden van Rome, begon mijn been echt heel lelijk te steken. Over expliciteren gesproken, mompelde ik steeds vermoeider voor me uit, over expliciteren gesproken. En iedereen trapt hier in. Ik probeerde een dutje te doen om de tijd sneller te laten gaan, maar de pijn hield me uit mijn slaap. Het leek alsof de bloedtoevoer naar mijn linkerbeen inmiddels volledig tot stilstand was gekomen. Het zou natuurlijk nog altijd de voorbode voor Le grande attacco kunnen zijn.  Vierde rij, in het midden. Frontaal. Na een tijdje begon ik er zelfs op te hopen. Het is ook een manier om weg te komen. Het Niets te beleven. En het zou prachtig in beeld gebracht kunnen worden.

Geen reacties


vrijdag 03 januari 2014

De lijkkist

Op dag drie van het nieuwe jaar, of is het dag vier?, raak ik de tel al kwijt. En kom ik in een loods vol tweedehands meubels,  achter de kerkbank die misschien heel leuk past bij onze  keukentafel, ook nog plotseling een glimmend zwarte lijkkist tegen. Zoekend naar oude schoolbureautjes voor onze driejarige, een geinige dossierkast voor op mijn nieuwe schrijfkamer, vind ik juist dat ding! Zwart. Opzichtig blinkend tussen de vintage shit.
‘Die persoon die erin moest, ging misschien toch niet dood,’ zegt man.
‘Misschien ligt er nog iemand in.’
We verlaten de loods met ellende en gaan linea recta naar IKEA. Daar geen doodskisten maar eeuwig groene planten. De ondergrondse parkeergarage is daar nog het leukst. Als ik de auto uitstap, ben ik namelijk meteen weer in Beijing. Zo ondervind ik op dag drie/vier van tweeduizendveertien hoe ontzettend belangrijk geur is voor de herinnering. Ondergrondse parkeergarage = Beijing. Geur = een tijdmachine. En de vorige keer dat ik in zo’n parkeergarage was, wàs ik ook echt in Beijing. Dat is het mooie. Maar dat is vanaf vandaag dus voorgoed voorbij. De volgende keer dat ik in een parkeergarage zal zijn, was ik de keer voor de vorige keer dat ik in een parkeergarage was, in Beijing.

Geen reacties


donderdag 02 januari 2014

Een greep uit de bezigheden op dag 2

De meisjes naar opa en oma laten brengen voor twee nachtjes. Begonnen in Een dagje naar het strand van Heere Heeresma. Een kilometer of zes, zeven gelopen; het normale rondje langs camping Zeeburg plus een rondje Flevopark. Het zeefje van de afwasmachine – of hoe zo’n ding ook heet – noodgedwongen schoongemaakt, er hing nog een half kerstdiner in. In witte, papperige vlokken. De was uit de droger gehaald, voor de helft opgevouwen en in de kasten gelegd. De vetvlekken zaten nog gewoon in het nieuwe, gele kindercoltruitje. Ik heb de laatste tijd (het kan geen toeval zijn, dacht ik) met heel veel verschillende mensen gesprekken gevoerd, waarin op zeker moment het zogenaamd geweldige spul Vanish Oxigen ter sprake kwam. In de roze pot. Het zou tovermiddel zijn. Niets van waar dus. Althans: het werkt bij mij niet.
Het plan gehad een twitterverhaal te gaan schrijven zoals Jennifer Egan dat heeft gedaan. Mijn verhaal begon ermee dat een vrouw die op de eerste dag van het nieuwe jaar in het buurtcafé zat, steeds maar bejaarde versies van bekenden voorbij zag komen, – dat had ik gisteren toevallig ook daarom kom ik erop – vriend en vijand die ik voorbij zag lopen, ze waren van de ene op de andere dag zeker dertig jaar ouder geworden -, maar in het verhaal moet de lezer er dan langzaam achterkomen dat alleen de vertelster  (ik dus) dertig jaar geleden stil is blijven staan. En waarom. Maar in het echt is dat dus niet zo.

Geen reacties


woensdag 01 januari 2014

Absolute zekerheid in 2014

De eerste dag van het nieuwe jaar begon met tosti’s, espresso’s, appeltaart en andere mensen. Nu dan zijn de andere mensen weg, de feesten allemaal voorbij, alleen de appeltaart en de andere lekkernijen niet op. Zojuist heb ik twee porties Häagen-Dazs ijs weg moeten werken en ben ik er nog altijd niet doorheen. Er is zoveel gebeurd in december van het afgelopen jaar dat ik begin te schrijven over het ijsje dat ik net at. In de laatste zes dagen van 2013 kwam er o.a. een Bulgaar met zijn vrouw onze keuken niet alleen veel groter maken, maar ook lichter. De verlichting die we nu, uit gewoonte, niet aandoen. Dus snijden we ons vlees nog altijd in het donker.  Mijn boeken en ik zijn in die dagen ook naar de bovenste verdieping verhuisd.  Ik heb mijn hele hebben en houden dus één trap hoger gebracht. Als het goed is, ligt het daar nu nog allemaal. Vanmiddag – nadat ik vijf kilometer had weten te rennen – zat ik heel stil in mijn renpakje naast de houtkachel. Ik pakte Een roos van vlees erbij. Lezen doe ik tegenwoordig alleen diep in de nacht en op momenten dat ik even niet opzichtig aan het leven ben. Zoals vanmiddag dus. Man was rennen, de kleuter van oudjaarsnachtuitputting in slaap gevallen, de achtjarige speelde boven op haar nieuwe kamer met haar vriendinnetje en ik las. Tijdens het lezen zag ik het beginbeeld van mijn nieuwe boek met absolute zekerheid voor me. Beter kon ik het niet bedenken. Wat ik al met al een heel goed begin van 2014 vond.  Ook al weet ik inmiddels wel hoe het met mijn absolute zekerheid gesteld is. (En die van de rest van de mensheid)

Geen reacties


zaterdag 21 december 2013

Oma

In plaats van haar stoel staat nu oma’s bed middenin haar kamer. Ze slaapt. Mijn vader en ik staan eromheen. We zeggen dat wij er zijn en of ze haar ogen open wil doen. Ze kijkt, dan vallen haar ogen weer dicht. Ik ga zitten op de stoel naast haar bed en mijn vader aan de tafel. In het schrift dat er ligt, begin ik te schrijven dat wij bij oma op bezoek zijn geweest.
‘Elke is erbij,’ zegt mijn vader hard. ‘Ja, ze zegt niet zo veel, hè?’
Waarop ik begin te praten. Ik zeg dat ik naar China ben geweest. Oma lacht als ik over de stokjes vertel waarmee ik moest eten.
‘Ja, ik ben in deze week heel dun geworden,’ zeg ik.
‘Nou, dat heb jij absoluut niet nodig,’ zegt ze.
Mijn vader vraagt of ze dorst heeft. Hij brengt een glas jus d’orange met een rietje naar haar mond. Hij houdt het vast. Hij gaat een paar keer op een andere manier staan. Oma zuigt aan het rietje, met haar ogen dicht. Net zolang tot het hele glas leeg is.
Als we weer op de gang staan, zegt mijn vader dat ik op zijn gezicht moet gaan zitten als hij er later zo bij ligt. Ook als hij het dan niet meer wil.

1 reactie


donderdag 19 december 2013

Piet

Er was een student die zei dat hij graag een dag wilde ruilen met koning Willem-Alexander, en die op de vraag  ‘waar zou je morgenochtend het liefst wakker willen worden?’  antwoordde: de bibliotheek. Hij zou er willen wonen. Zodat hij nog meer tijd zou hebben om aan zijn Nederlands te werken. Het was een grappig stukje. Toch beviel het antwoord me niet erg omdat ik meende dat het sociaal wenselijk was. En aan sociaal wenselijke antwoorden heb je weinig bij het schrijven. Je kunt de hele wereld willen pleasen, maar voor het schrijven is het de dood.
Vanmorgen stond ik met een schaal versierde  cake-boompjes bij het kerstontbijt op de crèche, een week geleden stond ik voor een groep derdejaars studenten Nederlands op een andere universiteit in Beijing. Ik begon de les met een opdracht over hun oorspronkelijke naam. Hoe heet je eigenlijk? De voornamen in China hebben prachtige betekenissen leerde ik, bijna nooit één hetzelfde. Er was daar een student die er als kind mee zat dat er meer mensen waren met zijn voornaam. Nu heette hij  – hij had de naam zelf en met zorg gekozen – Piet.

Geen reacties


woensdag 18 december 2013 post image

Ruilen met je vroegere zelf

Om vijf uur in de ochtend was ik wakker, klaarwakker, en dacht aan de tengere jongen in China, uit een minderheidsgroepering, die als hij één dag met iemand zou mogen ruilen, wilde ruilen met zijn vroegere zelf. Toen hij nog kon spelen met zijn vrienden bij de waterval. Speelgoed had hij nooit gehad, maar er was wel die waterval. Hij had de waterval getekend en de rivier met zijn vrienden erin. Hijzelf stond ernaast in de schaduw van een boom want hij kon niet zwemmen. Nu zat hij hier in de klas op een universiteit in Beijing, als eerstejaars student Nederlands. Met een nieuwe Westerse naam.Ik weet niet hoe lang reizen van zijn ouders, grootouders en oude vrienden vandaan. Eén keer per jaar kan hij nog terugkeren naar de waterval. Veel woorden had hij niet nodig om dit verhaal te vertellen. Kernachtig en precies. Zijn ouders zijn trots op hem. Hij is hun hoop. Hij zal het nog ver schoppen. Het is binnenkort Chinees nieuwjaar en dan zal hij ze allemaal weer zien.

Geen reacties


maandag 16 december 2013

Terug in de tijd vliegen

‘Dit is misschien wel de langste zondag van je leven!’ zei Jeetje. Inderdaad was het gisteren misschien wel de langste zondag van mijn leven. Om twaalf uur ’s middags steeg ik op in Beijing om om half drie ’s middags in Amsterdam te landen.
Misschien was deze week ook wel de langste week van mijn leven. Het voelt alsof ik op z’n minst drie maanden weg ben geweest én het lijkt alsof het nooit gebeurd is.  Alsof ik niet eergisteren nog op de Chinese muur stond en gisterenochtend met stokjes mijn dim sum naar binnen werkte. Nu is het maandag. Afgelopen maandag stond ik voor het eerst voor een groep Chinezen. De eerstejaars. Ze hadden drie maanden Nederlandse les gehad. Ik stapte het kleine klasje binnen. Achter hun tafeltjes zaten de dertien studenten, – die uit allerlei provincies van China kwamen en nu hier in Beijing op de campus woonden, sommigen wel 24 uur treinen van hun ouders vandaan –  al op me te wachten. De Chinese docente Nederlands was er en de Native Speaker docente zat er ook bij.
Het was al stil toen ik binnenkwam.
‘Hallo, ik ben Elke,’ zei ik, ‘ik kom jullie creatief schrijven geven.’ Het bleef stil.
‘O, weten jullie wel wat het woord creatief betekent?’
Ze keken voor zich uit en zwegen.
Dat zwijgen, daar zou ik gauw genoeg achterkomen, was normaal. Uit zichzelf zeiden ze niets. Al zou hun woordenschat later enorm groot blijken. Ook de derdejaars die ik donderdag en vrijdag lesgaf, gaven uit zichzelf geen sjoege. En in de pauze werkten ze door. Elke pauze. Allemaal. Op die tweede universiteit hing bovenin elk lokaal standaard een camera. Steeds als ik opkeek, zag ik de lens.
Ik heb in de afgelopen week in elk geval meer geleerd dan in het hele jaar.

Geen reacties


zondag 08 december 2013

6 december

‘Is het de eerste keer dat je naar Beijing gaat?’ vraagt de purser als we God weet boven welk land vliegen.
‘Ja.’
‘O, ik zal er  niks over zeggen.’ Hij houdt zijn hand voor zijn mond.
‘Hoezo dan?’ vraag ik.
‘Ga je voor de lol of voor je werk?’ vraagt hij even later. Ik zit naast de toiletten en de nooduitgang en kan daarom mijn benen languit strekken, een opzichtig paar nieuwe Nike Air Max aan mijn voeten. Als je reist moet je goed op je poten staan. In het vliegtuig ben ik al vrijwel de enige niet-Chinees.
‘Voor mijn werk,’ zeg ik.
‘Spannend,’ zegt hij.
‘Ja.’
‘Zitten je collega’s ergens anders in het vliegtuig?’
‘Nee.’
‘O god, ben je alleen?’
‘Ja.’
‘Ga je daar wel naar iemand toe die je kent?’
‘Nee.’
‘O god, o, god,’ zegt hij weer. ‘Spannend.’
‘Nou,’ zeg ik. Ik kan hier nu wel  met mijn benen gestrekt in het vliegtuig zitten, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dat is het niet. Een kussen in mijn nek. De stoel rechtop want ik krijg ‘m niet omlaag.
‘Je wordt toch wel opgehaald op het vliegveld?’ zegt hij.
Ik knik. De vrouw die me uitgenodigd heeft, zal me met twee studentes opwachten. Als ze er staat. Ik doe mijn veters los, beweeg mijn voeten in mijn schoenen en sluit mijn ogen.
Als we geland zijn, merk ik dat ik de drie mensen die niet Chinees zijn in de gaten hou. We moeten naar de balie: foreigners. Op het gele papier dat we in moeten vullen worden we aliens genoemd. De vijf regels waar de aliens in China zich aan moeten houden stop ik bij mijn belangrijke papieren. Ook het nummer dat de alien in case of emergency moet bellen staat erop. Eenmaal in de aankomsthal roept iemand mijn naam.

Geen reacties


donderdag 05 december 2013

Gesprekken over vertrekken

Deetje (3) en ik eten tosti’s tussen de middag.
‘Dus Tobie is er niet meer,’ zeg ik.
‘Maar als we weer naar opa en oma gaan,  dàn is-ie er weer!’
‘Nee, dan is hij er niet.’
‘Is-ie dan naar het ziekenhuis?’
‘Nee, Tobie is dood.’
‘O. Dood. Maar waar is hij dan?’
‘Waar hij is, waar hij is. Weg. Gewoon weg.’
‘O. Weg.’
‘Ja, weg.’
‘Maar wànneer komt-ie dan terug?’
‘Hij komt niet meer terug.’
Deetje fronst haar wenkbrauwen, pakt de ketchupfles en knijpt.
*
Even later:
‘Straks gaan papa,  Jeetje en ik jou naar China brengen, hè mama?’
‘Niet helemaal naar China. Naar het vliegtuig.’
‘O. Naar het vliegtuig,’ zegt ze.
‘Ja. En dan zwaai ik naar julie.’
‘En wij zwaaien naar jou.’
‘Ja.’
‘Eérst gaat sinterklaas weg en dan ga jij weg.’
‘Ja.Vrijdag ga ik weg.’
‘En je komt terug als sinterklaas ook weer terugkomt?’
‘Veel eerder.’
‘O.’ Het is even stil. En dan: ‘Vind je het eng om naar China te gaan?’
‘Helemaal niet,’ lieg ik. ‘Waarom?’
‘Misschien kom je een draak tegen.’

Geen reacties


dinsdag 03 december 2013

Het grote nadeel

Tobi, de veertienjarige Jack Russell van mijn ouders, zit erbij in zijn mand als we sinterklaascadeaus uitpakken. Zoals elk jaar. Maar als hij eruit wil komen, moet hij getild worden. Eenmaal op de vloer richt hij zich op en sleept zich voort.  Kruislings staan zijn achterpoten. Een verschroeide plek op zijn achterste. Hij is te dicht tegen de kachel aan gaan liggen omdat hij daar geen gevoel meer heeft. Hij jankt zacht en dat is voor mijn vader het teken om hem naar buiten te dragen.  Tijdens het poepen, valt hij om. ‘Dat zou hij nooit gewild hebben,’ zegt mijn vader. Mijn moeder zegt dat Tobi degene was die ervoor zorgde dat ze opstond in de tijd dat ze niet op wilde staan. Als we ’s avonds aan tafel gaan, wordt zijn laatste blik voer opengetrokken. Aan zijn eetlust ligt het niet. Zodra mijn vader te dicht bij de voerbak komt, gromt hij. ‘Ik heb hem nog nooit zijn voer afgepakt, dat zou hij nu intussen toch moeten weten,’ zegt mijn vader. Na het eten gaan we terug naar huis.  We maken foto’s van de kinderen met Tobi. We aaien hem, allemaal om de beurt. Ik denk aan onze twee poezen en het grote nadeel van het hebben van een huisdier. Het grote nadeel van alles.
‘In de hondenhemel kan hij weer door de weides rennen,’ zeg ik als we in de auto zitten. ‘Dat is fijn voor hem.’
‘Oma denkt dat ook al,’ zegt Jeetje, ‘maar ik geloof dat helemaal niet.’
‘Je kunt het niet weten,’ zeg ik.
‘Het is volgens mij gewoon verzonnen,’ zegt Jeetje.

Geen reacties


vrijdag 29 november 2013

Bloedband

‘Je bent mijn zus niet meer,’ hoor ik Deetje in de vroege ochtend al tegen haar grote zus roepen.
‘Dat kan niet,’ schreeuw ik vanuit mijn bed.
‘En toch ben jij mijn zus niet meer!’ zegt Deetje.
‘Ze blijft je zus. Hoe dan ook!’
Er wordt beneden gegild, gescholden en gehuild. In pyjama stamp ik de trap af.
‘Wat is hier aan de hand?’ .
‘Zij doet stom,’ zeggen ze in koor.
‘Kan me niet schelen wie wat gedaan heeft. Jullie moeten sorry tegen elkaar zeggen.’
En dat doen ze. Eerst zeggen ze het op de verkeerde toon en dus moeten ze het van mij opnieuw doen. Daarna is het goed.
We kunnen aan het ontbijt.
Zussen, bloedbanden. De onderlinge concurrentie. Altijd denkt de een dat de ander beter bedeeld wordt. Dat de ander meer geliefd wordt. Wat is dat precies?  Zelf heb ik één broer. Hij is vijftien jaar jonger. Voor wij aan dit soort ruzies konden beginnen, was ik het huis al uit. Maar het hoefde ook niet. Ik lag sowieso mijlenver voor. Met alles. Dat haalt hij niet meer in.

 

Geen reacties


woensdag 27 november 2013

De ontdekking

Vanmorgen luisterde ik naar Kunststof met Abdelkader Benali. Hij vertelde over hoe hij als kind de kracht van het schrijven ontdekte en meteen wist: dit wil ik voor altijd doen. Hier wil ik blijven. Hier is het spannend. Hier gebeurt het.
Hij vertelde er zo geestdriftig over op de radio dat ik zelf onmiddellijk het schrijven zou willen gaan ontdekken.
Op de basisschool schreef ik drie verhalen waarvan ik me nu nog dat geweldige gevoel herinner; de magie, euforie, àlles.
De krab met de gouden eitjes zond ik in naar de verhalenwedstrijd van het blad Ezelsoor. Ik was een nogal verlegen en angstig type, maar wist zeker dat ik dit zou winnen. Nooit meer iets van gehoord. Pas veel later zag ik dat er een limiet was en ik had in plaats van twee, zo’n  twintig handgeschreven vellen gestuurd. Anders had ik gewonnen. Op bezoek bij de hondenfamilie in Milsbeek was een opstel waarin de ik-persoon Bonzo aangeboden krijgt van moeder hond en niet durft te zeggen dat ze het niet lust. De uitsterving van Heijen was het eerste verhaal waaraan ik zomaar begon. Twee dagen achter elkaar ging ik alleen op mijn kamer zitten schrijven in plaats van spelen. Het was geweldig. Ik liet iedereen in mijn dorp sterven. De straten werden één voor één afgebroken. Tot het hele dorp verdwenen was. Ik wist toen dat dit mijn bestemming was. In dat verhaal liet ik (de ik-persoon) mijn moeder doodgaan aan ‘de ergste soort botkanker die er was.’ Ik weet nog dat mijn moeder het helemaal niet leuk vond toen ze dat las. Ik deed het niet om haar te pesten maar omdat het nodig was voor het verhaal.

 

 

 

Geen reacties


dinsdag 26 november 2013

E. vliegt

We zitten met z’n drieën rond het vuur. Ik lees de verhalen van cursisten, Deetje (3) zit heel dicht tegen me aan naar Maya de Bij te kijken, Jeetje (8) heeft zich  op de bank genesteld met het Donald Duck Winternummer. We hebben blote armen en blote benen. Rode hoofden.
E. vliegt. staat er in mijn agenda bij 6 december. Maar 6 december is het nog lang niet. Dus ik hoef er niet over na te denken. E. vliegt nog lang niet. Maar ik weet dat ik voor ik het weet  hoog in de lucht zal zitten, hangen, wurmen, urenlang, steeds verder en verder vlieg ik bij deze lijfjes vandaan. En voor ik het weet sta ik op Beijng Airport. Ik zie mezelf lopen tussen miljoenen Chinezen terwijl in IJburg de zigeunermeisjes nog staan, tranen biggelend over hun wangen, hun armen naar mij uitgestrekt, maar E. is gevlogen.

Geen reacties


zaterdag 23 november 2013

Hou je van haar?

 

‘Tessa, de moeder uit je boek, hou je van haar?’
‘Ja,’ zei ik. En mompelde ook nog: ‘Meer dan de meeste mensen geloof ik.’
‘Ze is een heel naar mens, toch?’
‘Dat vind ik niet.’
Toen liet de interviewer me een stuk voorlezen waarin ze inderdaad niet vriendelijk overkomt jegens haar dochtertje.
‘Nou?’ zei de interviewer.
‘Ja, dit is inderdaad behoorlijk naar,’ lachte ik.
‘Precies.’
We zaten in een zaaltje met publiek. Een stuk of acht camera’s op me gericht.
‘Jij hebt expres een naar stukje uitgekozen,’ zei ik maar tegen de interviewer. Dat was onzin. Hij kon me op willekeurig welke pagina iets laten voorlezen of er zat wel narigheid in. Maar ik wist niets beters te zeggen. De dagen erna dacht ik erover na. Het was niet de eerste keer dat die vraag mij gesteld werd. Ik had ‘m kunnen voorzien, maar kwam niet verder dan de ontkenning. ‘Ze is heus niet naar.’
Ik krijg dagelijks reacties van mensen die Tessa ontroerend vonden. Die zeiden haar te begrijpen. Die mee werden genomen in haar gedachtengang, ook al wilden ze dat op den duur liever niet meer.  Ze moesten lachen tijdens het lezen, al vonden ze van zichzelf dat dat eigenlijk niet mocht. Iemand schreef me: Ik voelde me betrapt op mijn eigen gedachten.
Dat is precies waar het mij om gaat, denk ik. Ik wilde geen naar mens laten zien, maar de narigheid in onszelf blootleggen. Omdat we mensen zijn. Speelballen van onszelf en onze omgeving. Terwijl we het meestal goed bedoelen. Zo ontzettend goed. Ook Tessa. Vooral Tessa, die ik het niet gemakkelijk gemaakt heb. Nare mensen vind ik oninteressant.
Maar dit zei ik allemaal niet.

2 reacties


zaterdag 23 november 2013

Vrijheid

In de tram bekijk ik mijn zwarte racefiets die met één wiel in het rekje hangt, en ik wil er zelfs een foto van maken. De fiets is het beste cadeau dat ik ooit kreeg. De fiets is vrijheid. Snelheid. Effectiviteit. Lichtheid. Omdat het ding zo licht is, durf ik ‘m tegenwoordig zelfs mee de tram in te nemen en zo ben ik in minder dan tien minuten in centrum Amsterdam. Het is opmerkelijk dat ik dit allemaal denk. Ik hecht mij niet snel, nergens aan, maar helemaal niet aan spullen. Ik raak alles kwijt. Ik gooi veel weg. Soms denk ik dat ik een bepaald gevoel voor schoonheid mis. Ik bewonder mensen die liefdevol over spullen kunnen praten. Zelfs de aankoop van een vergiet kan hen vervullen. Ze aaien het vergiet. Als ik op bezoek kom, krijg ik het vergiet te zien. Het is niet zomaar een vergiet. Bij mij was, tot de fiets in mijn leven kwam, alles eender. Voor ik mijn telefoon gepakt heb om een foto te maken, maakt de tram een bocht en valt de fiets bijna op een kinderwagen. In vier stappen ben ik er. De spaken van het voorwiel zitten klemvast tussen het dikke plastic. Als ik de fiets probeer op te tillen, maakt de tram een nóg scherpere bocht en word ik tegen het hokje van de conducteur aan geslingerd. De passagiers kijken toe hoe ik pogingen doe het voorwiel van mijn – net nog zo innig geliefde – fiets – los te krijgen. Mijn handen worden zwart. Het is spitsuur. De gangpaden staan vol. De conducteur zegt dat ik sowieso geen fiets mee naar binnen had mogen nemen. Als ik de spaken begin te verbuigen, stapt een mevrouw in bontjas naar voren en helpt me.
‘Dat is zónde,’ zegt ze.
‘Als het ding maar losgaat,’ zeg ik. Zegt de verrader.  Zodra het ook maar even tegenzit, wil ik de fiets al laten staan. Achterlaten. Bekijk het maar. Dag fiets. Vrij wil ik zijn.

 

Geen reacties


donderdag 21 november 2013

Mythisch

Thuisgekomen maakte moeder de oven open. Een geur van verschroeid vlees. Pijn. Het litteken van de brandwond, dat daar al zat sinds moedertje een jaar of acht was, lag weer open. Zo zou het dus ruiken als ze gecremeerd werd. Maar dan iets sterker.
De maaltijd, die man voor haar in de oven gezet had voordat hij de deur uit ging, at ze lauw op. Met haar jas nog aan. De bloemen, de olie, het notitieboekje, lagen naast haar handschoenen op tafel. Moeder droeg veel make-up omdat ze net in een televisieprogramma had gezeten, waar ze over moederschap had gepraat natuurlijk. Moeder was een luchtig tussendoortje geweest. Voor haar was de vertaler van een Japans meesterwerk, na haar werd er met de biograaf van de allerbeste schrijver van de twintigste eeuw gesproken.
Terwijl moeder de bloemkool naar binnen propte, dacht ze na over de verbranding. Het kon geen toeval zijn dit juist nú gebeurde. Haar hand was rood. Het vel eraf. Ze staarde recht in haar oude wond. Een beetje moeder zou weten dat je je blote poten niet zonder handschoenen in een hete oven stopt. Hoe langer ze ernaar keek, hoe betekenisvoller de wond.
‘Ik kan niet slapen.’ Bovenaan de trap stond haar oudste dochter in ondergoed. Een engel. Nadat moeder haar een kus gegeven had en nog eens had ingestopt, snelde ze weer naar beneden. De laatste vijf treden gleed ze uit. Ook die val had iets mythisch.

1 reactie


dinsdag 19 november 2013

Gehaktdag

Kokhalzend stond ik achter het fornuis, in een hemd met daarover een helblauw Portugees keukenschort met haan. De trui had ik uit voorzorg uitgetrokken. Een stinkende juf is voor niemand prettig. De kinderen zaten achter twee laptops waarvan er eentje het niet fatsoenlijk deed. Waarom hebben we geen tv meer? Die van acht wilde dit kijken, die van drie wilde dat zien. Ze ruzieden. Ik zag het hangoog van de jongste, de donkere kringen, het gezicht van de oudste was krijtwit, zowat doorschijnend. Het liep al tegen zessen toen ik het gehakt met uitjes en al in de prullenbak kieperde, ik had nog twintig minuten om de zaak goed te krijgen. Het kokhalzen was al begonnen toen ik het biologische rundergehakt uit de verpakking gehaald had.  Maar ik dacht: gehakt heeft altijd iets smerigs, waarom eten wij die troep zo vaak? Ik kots van gehakt. De tartaartjes waren ook ver over de datum. Man appte dat hij er nog niet was. Toen ik uiteindelijk om tien voor half zeven het pand verliet, liet ik de bleke en de schele achter. ‘Zullen jullie geen ruzie maken? Deur niet opendoen, hè? Papa staat in de file, maar lang kan het nooit duren.’ Ze knikten vaagjes, ik sloeg de deur achter me dicht. De oven staat aan, dacht ik op de fiets, de oven staat aan, de oven staat aan.

Geen reacties


zaterdag 16 november 2013

China

Over drie weken vertrek ik voor 8 dagen naar China dus gingen man en ik Chinees eten. We liepen door de Chinese buurt van Amsterdam maar die vuurrode ontvelde eenden voor de ramen hielden ons tegen om naar binnen te gaan. We belandden uiteindelijk in zo’n pluche rood restaurant zonder hangende eenden. Er was daar wel een enorm aquarium. In mijn tas zaten 25 sleutelhangers met een klompje eraan. Voor mijn studenten in Beijng. Typisch Nederlands, made in China.  In het restaurant bekeek ik de glimlachende serveersters. Op straat zie ik nu ook overal Chinezen, net als souvenirwinkels. Rutte is naar Beijng vertrokken. Vanaf 2014 kun je de Chinese taal kiezen als eindexamenvak. De kranten staan er bol van. In de Chinees op vrijdagavond zaten nog meer stelletjes zoals wij tegenover elkaar aan vierpersoonstafels. Warmhoudplaten met waxinelichtjes tussen hen in. Tussen ons in. Het glazige voedsel. Er was een vader met een puberdochter die met haar telefoon speelde. De vader bleef zijn bril tegen zijn neus duwen. Het leek wel een stilterestaurant. Alleen een grote groep Chinese meisjes maakte geluid. De meisjes lachten. Ze feliciteerden één van hen omdat ze zwanger was.  Ze zaten aan een ronde tafel het verst weg en hadden stokjes om mee te eten.
‘Hoe lang is het nou geleden dat wij bij de Chinees aten?’ vroeg man.
We konden het ons niet herinneren. Dat vond ik een goed teken.
‘Dat zijn jouw studenten zo ongeveer,’ zei man over de vrolijke groep.
Als ik maar eenmaal weer terugben, dacht ik, dan is alles goed.

3 reacties


vrijdag 15 november 2013 post image

Laten helpen

Die ochtend kwam ik hem tegen op straat  aan de achterkant van ons huis. Ik was aan het hardlopen en zag hem op een vreemde oprit. Helemaal zwart.  Glanzend. Langzaam liep hij op me af. Met die tijgerachtige pas van hem. Dat kleine hoofdje. Het was voor het eerst dat ik hem in het wild tegenkwam. Zijn territorium was al groter dan ik dacht. Ik bukte me om hem te aaien en hij spinde. We herkenden elkaar. Samen liepen we terug naar huis. Ronnie en ik. Als een kleine hond liep hij met me mee, de straat door, de hoek om, de andere straat weer in. Hij zat rustig naast me te wachten tot ik de voordeursleutel uit het mini zakje dat in zo’n hardloopbroek zit, had gefrummeld. Samen gingen we ons huis in. Die avond toen ik thuiskwam van het lesgeven, lag hij op de bank op een kussen. Heel stil. Hij deed één oog open toen ik hem aaide. Hij miauwde zacht. Hij was ‘geholpen.’ Ik praatte met hem. De tafel was bezaaid met briefjes met rotdierenarts kut kut erop. Jeetje lag al in bed maar begon meteen te huilen toen ze me hoorde.
‘Ronnie is helemaal veranderd,’ riep ze. ‘Ik wil niet dat hij minder gaat vechten. Ik wil niet dat hij rustiger wordt. Hij moet Ronnie blijven.’ Ze schold de dierenarts uit. En daarna schold ze haar ouders uit. Als wij Ronnie’s zusje ook zouden laten helpen, zou zij ons ‘helpen’ en ze zou ze de dierenarts zelf ook laten helpen. ‘Jullie hebben hem erheen gebracht,’ zei ze steeds. ‘Jullie, jullie, jullie.’

Geen reacties


dinsdag 12 november 2013

Hoe gaat het met…

Als je wil weten hoe het met de besprekingen van De weg naar zee verloopt in krant, tijdschriften en op het wereldwijde web, kun je  hier kijken. Ik hou de quotes een beetje bij. In de echte wereld vinden de mensen die me erover aanspreken het ook een spannend boek, ze konden het niet wegleggen en moesten na lezing even uitblazen. Mijn vader had buikpijn toen hij het uit had. Dat is een compliment. Van de mensen die me er niet over aanspreken, hoef ik het denk ik ook niet te weten.
Al trek ik me sowieso nergens iets van aan, natuurlijk. Niet van kritiek noch van complimenten. Zoals dat hoort. Het boek is in de wereld. En de wereld en het boek zoeken het samen maar uit, zoals Donna Tartt dat placht te zeggen. Ik ben al weg.

2 reacties


dinsdag 12 november 2013

Verboden

Aan de telefoon somt de mevrouw de onderwerpen op waarover niet gesproken mag worden in de lessen die ik in China ga geven, en waarover de teksten die ik eventueel meeneem niet mogen gaan. Omdat ik met mijn schrijfhand de telefoon vasthoud, schrijf ik met rechts. Het staat er in grote grillige letters: geen politiek, geen seks, niets over homoseksualiteit, en vooral niet praten over de vervuiling. Jip en Janneke is goed voor de eerstejaars. Het boek Sletvrees dat op mijn nachtkastje ligt, wilde ik toch niet behandelen. De Nederlandse cultuur mag ik wel op andere manieren brengen. Het is bijvoorbeeld leuk als ik kaasblokjes meeneem en leverworst, zodat de studenten weten hoe wij hier verjaardagen vieren. En het liedje over de zilvervloot kan ook een mooi uitgangspunt zijn voor een les.
‘Ik ben geïnteresseerd in dat wat niet gezegd mag worden, maar wat wel gedacht wordt.’ Dit stond de afgelopen weken als kop bij interviews met mij. Het moet dus haast wel waar zijn. In China zal ik mijn hart op kunnen halen. Het mechanisme werkt sterk, merk ik. Misschien ga ik al over de schreef? Misschien lezen ‘ze’ dit weblog en is het zelfs verboden dat ik dit hier opschrijf. Ik voel me nu al onvrij. Moet je nagaan hoe het is als je daar geboren bent.

Geen reacties


zondag 10 november 2013

De bedreiging

‘Toen ik nog een baby was,’ zei Deetje (3) voor het slapengaan, ‘sliep ik nog in een ledikantje hè?’
Ze verhuisde vandaag van het ledikant naar de hoogslaper. Ook de speentjes zou ze daarbij voorgoed laten liggen, maar daarvoor bleken de omgevingsgeluiden ineens echt te bedreigend. Al zei ik: ‘Liefje, de geluiden veranderen niet als je in een groot bed slaapt. Het is gewoon dezelfde kamer.’
Vanmorgen, tijdens het rennen, hoorde ik Frans Bromet bij Kunststof radio vertellen over het gevaar dat er altijd is en waar hij zich ook altijd bewust van is.

La Vie d’Adèle zag ik gisteren. Pas toen ik weer ver na middernacht over de Nesciobrug aan het fietsen was, hijgend, met regenponcho, kwam ik erachter dat die film drie uur geduurd had en dat ik daarom dus toch zo laat was. Het was een heel mooie film vond ik. De seksscène die tien lange minuten duurde, zorgde er uiteindelijk voor dat de pijnlijkste scène van de film ook echt pijnlijk werd. De dag ervoor, nadat iemand me had gezegd dat ze daar ooit half aangerand was, had ik bedacht dat ik deze route op dit tijdstip niet meer alleen wilde fietsen. Ik belde man om te zeggen dat mijn racefiets steeds een vreemd geluid maakte. ‘Zit je poncho niet tussen je wielen?’ vroeg hij.

De nieuwe boeken stapelen zich op op mijn bureau, maar tijd om te lezen heb ik niet. Misschien in het vliegtuig naar Beijng. Nee, dit is alleen maar een bruggetje te maken naar het onderwerp China. Over een maand ga ik daar namelijk een week heen om les te geven aan Chinese studenten Nederlands. Dat is leuk. Maar ook denk ik meteen aan een overlijdensadvertentie in de krant. E.G. geboren te Nijmegen, gestorven te Beijng. Dit denk ik niet per se omdat ik op vrijdag de dertiende zal vliegen.  Die gedachte is er gewoon.

2 reacties


donderdag 07 november 2013

Heel stil

Daar stond ik, druipend, tien minuten te laat, maar de deur van de Vondelkerk werd toch nog voor me opengedaan, ‘het is heel stil,’ fluisterde de dame, ‘ja, dat zal wel, het is kutweer,’ zei ik, ‘nee,’ fluisterde de dame, ‘het is heel stil van stil bedoel ik, iedereen luistert stil,’ ‘o,’ zei ik, ‘ja, het spijt me dat ik er nu pas ben, ik moest lesgeven en…’ de dame wilde weten of ik nog een kaartje moest betalen, ik meldde dat mijn naam op de gastenlijst stond en toen was ze weg, ik bevond me in het glazen halletje van de Vondelkerk, mijn broek plakte aan mijn benen, mijn haar hing in slieren voor mijn gezicht, mijn regenponcho – die ik niet aan had gehad omdat ik dacht dat het niet hard regende en het maar voor een klein stukje was – legde ik op de stenen vloer, mijn rugzak deed ik vast af, er slingerde niet toevallig een handdoek in het voorportaal, daar stond ik en hoorde de cerebrale stem van Lionel Shriver, zag de onbeweeglijke ruggen van de bezoekers – alle schrijfsters van Nederland behalve ik – hoe kon ik mijn rug daar  ongemerkt tussen krijgen? het was wachten op een juist moment, het moment dat ze een grapje maakte misschien, als iedereen lachte, kon ik stil naar binnen glippen, met mijn natte kont in de kerk gaan zitten, ik zag bloed op de tegels druppen, mijn hele hand zat onder het bloed ineens, ik probeerde het bloeden te stelpen met het gele blaadje van een boom dat onder iemands schoenen mee naar binnen moest zijn gekomen.

1 reactie


dinsdag 05 november 2013

Bij de noedels

Buiten regent het. Binnen brandt de houtkachel. Iedereen is terug van crèche, school en werk. Ik heb noedels met kip en broccoli gemaakt. Dat is snel klaar en altijd goed. De meisjes eten meer met hun handen dan met bestek, daar zou ik iets van moeten zeggen.
‘Hebben jullie vandaag nog iets meegemaakt?’ vraagt man.
‘Nou!’ zegt Jeetje (8) meteen. ‘Toen we aan het stillezen waren, stak D. ineens zijn piemel in mijn mond.’
‘O, zo.’ Man en ik kijken elkaar aan, onze mond vol broccoli. We weten dat we nu niet hysterisch moeten gaan doen. Dus als we de broccoli weggewerkt hebben, vragen we rustig door. Het bleek dat de betreffende jongeman een boek over het menselijk lichaam aan het lezen was en toen zijn geslachtsdeel met broek en al tegen haar mond geduwd had. Ze had de juf meteen gealarmeerd en hij kreeg straf.
‘Als zoiets nog een keer gebeurt en de juf is er niet, dan ram je hem recht in zijn kruis,’ zeg ik.
‘Ja,’ zegt man, ‘daar doet het goed pijn.’
Ze giechelt. ‘Mijn moeder zegt: dan ram je hem recht in zijn kruis!’
‘Dat zegt je moeder inderdaad.’
‘Maar als ik dat doe, krijg ik juist straf van de juf. Wij mogen niet slaan.’
‘Daar hoef je niet bang voor te zijn,’ zeg ik en schep de meisjes nog een keer op. Deetje (3) begint meteen alles wat groen is ertussenuit te halen en aan de rand van haar bord te leggen. Ook hier zou ik iets van moeten zeggen.
‘En ík was vandaag in een plas gevallen!’ roept zij dan over tafel. ‘En toen kreeg ik een spijkerbroek van de crèche. En toen moest ik plassen. En toen kreeg ik de knoop van de spijkerbroek niet open. En toen plaste ik in mijn broek.’ In één adem komt het er uit. De ellende.

 

 

Geen reacties


maandag 04 november 2013

Vriendelijkheid

In café Tabac las ik gisteravond voor uit De weg naar zee. Ook  Jan Glas, Elfie Tromp, Jerry Hormone en theatergroep de Hollanders droegen voor bij Sunday in the Village. Thomas Verbogt en Alma Mathijsen presenteerden het. Omdat we er eerst met z’n allen aten, hadden we meteen een band. Van alle literaire avonden in Amsterdam die ik bijwoonde, vond ik dit toch wel één van de prettigste. De sfeer was goed. Iedereen was vriendelijk. En al vielen buiten de hagelstenen uit de lucht, het werd drukbezocht. Het publiek was aandachtiger en geïnteresseerder dan ik gewend was. De vier mannen die voor de karaoke-avond gekomen waren, kwamen er op tijd achter dat ze hier niet goed zaten. Het waren Oost-Europeanen en ik hoorde ze ‘diesco, diesco’  mompelen vlak voordat ze de hagelbui in doken. Op de terugweg, met een fles koude prosecco in mijn tas, werd ik staande gehouden door een meisje dat mijn telefoon wilde lenen. Ze was jong, knap en had vuurrood gestifte lippen. Haar fiets was gestolen, haar beltegoed op en ze moest haar moeder bellen. ‘Het is zeker jouw dag niet vandaag,’ zei ik. Ze mocht mijn telefoon. Ze gaf hem gewoon weer terug. Ik stapte verder van de Brouwersgracht via de Haarlemmerstraat naar het Centraal Station en een kwartier later was ik thuis. Ik had niet genoeg geld op mijn OV-kaart staan, maar de tramchauffeur maakte een loop-maar-door gebaar.

Geen reacties


zondag 03 november 2013 post image

Zondagzwaan

We zien hem vanaf ons huis al; de witte stip in het midden. Hij ligt op de fiets- en voetgangersbrug naar Steigereiland. Dichtbij gekomen is de zwaan op het asfalt haast té wit om te kunnen zien, alsof we tegen de zon in kijken.  De druppels liggen op zijn verenkleed. Kleine knikkers. Zijn kop ligt in een bloedplasje. Zo moet het gegaan zijn: hij wilde over de brug vliegen maar had de hoogte net verkeerd ingeschat waardoor hij zijn nek brak, of iets dergelijks. Aan de reling hangt een briefje dat de dierenambulance al gebeld is en dat hij weldra opgehaald zal worden. Iedereen die voorbijkomt, stopt, begint foto’s van de vogel te maken en fietst of loopt dan weer door. ‘Die heeft  een hersenbloeding gehad,’ lacht iemand.
Jeetje en ik blijven staan totdat we weer met de zwaan alleen zijn.
‘Ik snap niet dat de andere zwanen daar gewoon blijven zwemmen,’ zegt Jeetje. ‘Alsof er niets aan de hand is.’  Ze wijst. Aan de horizon dobberen tientallen soortgenoten.  Na een tijdje begint het te regenen en ook wij verlaten de dode zwaan. De middenstip wordt steeds kleiner.
Maar zodra de dierenambulance in de straat arriveert, staat Jeetje weer buiten.
‘Er is er nog één tegen de brug gevlogen!’ hoor ik haar even later roepen. ‘Het vrouwtje was haar mannetje aan het zoeken en raakte de brug toen ze naast hem wilde landen. Ze is nu zwaargewond.’
Dus op deze zondagochtend is er een zwanenechtpaar per ziekenauto afgevoerd.

Geen reacties


vrijdag 01 november 2013

Twee weken en één dag

Het boek is nu twee weken en één dag in de wereld.  Er is al veel over geschreven en ik heb de nodige interviews gehad. Ik zie mijn hoofd terug in kranten en tijdschriften. De Donald Duck is het enige blad dat hier op de mat valt waarin nog niets over De weg naar zee gestaan heeft. Dat is allemaal mooi maar  onrustig. Mensen zeggen er goede dingen over en ik lees dingen waarin ik me niet kan vinden. Ik wil me er niet mee bezig houden maar ook als ik denk dat het me niet bezig houdt, houdt het me bezig. In mijn slaap. Ik moet er aan wennen. Het is inherent aan dit vak. Dat ondanks dit soort onrust toch het mooiste vak is dat ik me kan voorstellen. Maar gisteren kocht ik een ringband en met de perforator maakte ik gaatjes in de informatie die ik verzameld heb voor boek 4. De eerste teksten. Er ligt een nieuw schrift op mijn bureau waarin staat wat er zou moeten gebeuren. Het grote lezen is begonnen. Nieuwe boeken, nieuwe inspiratiebronnen, aantekeningen. Dit is een leuke fase. Nu hoop ik dat ik me niet te veel laat afleiden. En dat intussen mijn boek op eigen poten gaat staan. Zonder mijn begeleiding kan. Maar vooral hoop ik dat het boek de weg zal vinden. Naar de lezer.

2 reacties


dinsdag 29 oktober 2013

Moederschap

Vandaag heb ik ‘Let’s talk about Kevin’ van Lionel Shriver uitgelezen. Een lijvig boek over het moederschap. Wat als je moeder van een zoon bent die een slachtpartij op zijn middelbare school heeft aangericht? Als je die roman aan het lezen bent, begin je je eigen kinderen op den duur ook als harteloze monsters zien die, terwijl ze lief naast je in bed kruipen, er alleen maar op uit zijn je te pijnigen.
Vandaag kwam ook de VPROgids met een fijn artikel over ‘De weg naar zee’ en ‘Het lam’ van Jannie Regnerus. Het stuk begint zo: ‘Jannie Regnerus en Elke Geurts komen – vrijwel gelijktijdig – beiden met een roman over moederschap. Moederschap dat niet bracht wat hoopvol was verwacht. Het moederschap is heikel literair terrein. Wie het aandurft de relatie tussen moeder en kind tot onderwerp te nemen, loopt nog altijd grote kans beticht te worden van het produceren van huisvrouwenliteratuur. Domestic novels noemen ze die in het Engels. Romans die dichtbij huis blijven. Gelukkig hebben we nu een Nobelprijswinnaar die heeft bewezen dat een actieradius van twintig kilometer grootse literatuur op kan leveren. Maar over Alice Munro is de afgelopen weken volkomen terecht al voldoende bejubeld…’
Moederschap dus. Een hot item de laatste tijd. Gisteren schreef iemand in een mail aan mij dat ze het gevoel had dat boeken over moeders en kinderen het zwaarder hebben dan andere boeken. Iemand anders vertelde me dat ze dacht dat moederschap binnen de literatuur steeds normaler ging worden. Hoe meer vrouwen er schrijven, hoe meer moederschap er automatisch in de geschriften terechtkomt.  Zonder dat we daar nou van opkijken.
Zo. Nu kan ik het woord niet meer horen.
Toen ik Jeetje (8) net in bed legde, zei ze dat mijn voorhoofd hetzelfde aanvoelde als dat van mijn moeder.  ‘Ik ken niemand op de wereld die zo’n voorhoofd heeft,’ zei ze, ‘behalve jij en oma.’

Geen reacties


maandag 28 oktober 2013

De plooi

De hele dag zat ik hier toch in de plooi omdat de fotografe zou komen. Ook al wist ik niet of ze zeker zou komen. s’ Ochtends vroeg belde ze al om te zeggen dat ze ergens in Nederland in de file stond en dat vlak vóór haar de vrachtwagens omvielen op de snelweg. Haar auto schudde ook  heen en weer, zei ze.  Ze liet nog wel iets van zich horen als ze het nog zou redden. Ze kon niets voorspellen. Op nieuwssites zag ik foto’s van ontwortelde bomen die boven op auto’s terechtgekomen waren. Ik las over twee dode automobilisten in Amsterdam. Die fotografe kwam niet meer, de eerstkomende tijd zeer zeker niet, maar toch bleef ik in de plooi. Het werkt niet lekker in zo’n plooi ,maar ik begreep dat die niet weg zou gaan voordat ik zekerheid had. Gelukkig was het allemaal niet voor niets. Aan het eind van de dag stond de fotografe  voor mijn deur. Even later stond ik op de tafel in de achtertuin in een innige omhelzing met ons kromme appelboompje. Of ik er één wilde plukken, vroeg ze. Dat wilde ik. Natuurlijk wilde ik dat. Met het plukken van een appeltje begon tenslotte alles. Ik stond dus op de tafel, hield het boompje vast alsof het mijn geliefde was, de zon scheen fel in mijn gezicht, het begon te regenen, er waren windstoten. Ze knipte en knipte, en achteraf bedenk ik me dat ze net zo lang doorging tot ze me helemaal uit elke plooi had. Toen ging ze weer.

Geen reacties


zaterdag 26 oktober 2013

Wel en niet

Er ligt één boek van mij tussen de andere boeken op tafel, zie ik meteen bij binnenkomst. Het is de eerste keer dat ik het in een boekhandel zie liggen. Het is de vraag of de andere boeken verkocht zijn of dat dit het enige exemplaar was. Gisteren stond er een interview met mij in het Parool met daarboven de  kop: Dat grimmige heb ik altijd al gehad. Zojuist zie ik mezelf terug in een absurde houding in de Brugkrant. Verkleed als een soort potloodventer. Brullend als een leeuw. De fotograaf en ik waren een week geleden naar de drie rokende mesthopen in het Diemerpark gefietst. Daar had ik de lange leren jas aangetrokken voor de rubriek De Jas en toen werd de foto gemaakt. Er stond een mevrouw te kijken terwijl ik in allerlei poses voor de mesthopen aan het poseren was. Diezelfde dag stond er een oude vrouw in het begijnhof vlak voor het bankje waarop ik geïnterviewd werd voor een radioprogramma. Ze leunde op haar stok en keek toe terwijl wij praatten.’Wat zijn jullie aan het doen?’ vroeg ze.
‘Dit is voor de radio,’ zei de interviewer.
‘O, ik maak nog eens wat mee zeg,’ zei ze. ‘Radio.’ Nadat ze een tijdje geïnteresseerd toegekeken had, stiefelde ze door. Vandaag, toen ik de verzamelde kronkels van Carmiggelt afrekende, stond ik oog in oog met een affiche van mijn lachende zelf. Ik lachte terug. Maar wat ik hier mee wilde zeggen, het is net of het niet over mij gaat. Dat gaat het ergens ook niet. En ergens ook wel.

 

 

Geen reacties


dinsdag 22 oktober 2013

Onbetrouwbaar

Ik wilde gisteren net een blog gaan schrijven over mijn aanstaande verhuizing binnenshuis, een andere werkkamer, een ander uitzicht, en over de eerste reacties van mensen uit mijn omgeving die mijn boek gelezen hebben. Ik krijg woorden terug als: Lamgeslagen, buikpijn, beklemming, goed.
Maar toen ik stiekem even op Facebook ging, ik had nog zo met mezelf afgesproken er niet op te kijken, las ik daar over de plotselinge dood van een collega. Thomas Blondeau. Vijfendertig jaar. Het was te laat om het bericht weg te klikken, Facebook uit te zetten, van niets te weten. Het was ook te laat om nog een blog te schrijven over lezersreacties en/of werkkamers. Het was overal te laat voor. Al kende ik hem nog nauwelijks. We zaten allebei bij de Bezige Bij. Allebei net boek drie uit. Op een auteursfeestje bij de uitgeverij sprak ik hem voor het eerst. Bij de borrelnootjes. Het ging over vertrouwen. Wie vertrouw je wel en wie niet. Ik vond hem intrigerend en ook grappig. Met die haarlok en die manier van praten. Maar vannacht droomde ik over hem en over de  onbetrouwbaarheid van onze lichamen.

Geen reacties


zaterdag 19 oktober 2013

Eerste besprekingen De weg naar zee

Vandaag staat er al een grote recensie in NRC:’De weg naar zee is ondanks de lichte toon een beklemmende roman, waarin de ouderschapsdingetjes steeds meer worden overvleugeld door de alras gevaarlijker aandoende gekte van de hoofdpersoon. (…) Een moeder onderneemt een helletocht door verbrande duinen in de roman van Elke Geurts. Het is angstaanjagend wat zij met haar dochtertje uitspookt. Maar het echte gevaar komt van binnen. Er zit meer dan genoeg Munro in haar schrijverschap.’
Noot: Arjen Fortuin had wel liever gezien dat de roman nog compacter was dan die al is. Hij prefereert de verhalenschrijver in mij.

De LINDA zegt over De weg naar zee : ‘Ouders krijgen het kind dat ze verdienen. Tessa bedenkt dit als ze op stap gaat met haar dochtertje Summer. Wat een onbezorgd uitje naar het strand had moeten worden, ontpopt zich tot een tocht van de waarheid. Sterke en spannende roman over grenzeloze moederliefde.’

De weg naar zee is boek van de week in de LIBELLE en Marleen Janssen schrijft daarover op haar boekenblog. ‘De weg naar zee is geschreven in heel korte zinnetjes. Staccato. Stekelig soms. Koel en observerend. Dat zorgt voor een enorme spanning. Het verhaal greep me bij de strot. De gekte van de moeder, de schoonheid van het ‘mislukte’ kind, dat met recht Summer heet. Wat een beeldschone kleine roman. Elke Geurts heeft een stevige, heldere stem. Met een zwart soort humor maakt ze het drama licht.’

De weg naar zee is ook een must read in de OPZIJ hoorde ik net precies De recensie is door de telefoon voorgelezen, maar ik weet niet meer wat erin stond. (Nog vermoeid van de boeklancering gisteravond.) Een must read in elk geval.

Geen reacties


woensdag 16 oktober 2013

Vanavond De Avonden

Vanavond in de Avonden heb ik een gesprek met Jeroen van Kan over De weg naar zee.
Dus luistert allen.

Geen reacties


dinsdag 15 oktober 2013

Dit is wel iets voor je

 
Om zeven uur ’s avonds, net toen Deetje (3) een woedeaanval had, ging de bel. De overbuurvrouw die bij de Bezige Bij werkt, kwam me feliciteren met De weg naar zee, – ze had het al gelezen zei ze – en ze bracht me een ander boek. Lof van het rommelige leven van Katie Roiphe.
Ze zei erbij: ‘Ik vermoed dat dit wel iets voor je is.’
Ik ken haar verder helemaal niet. Zij mij ook niet. Maar er is niets leukers als mensen die vermoeden dat boeken of dingen wel iets voor je zijn, vind ik. Dus toen het rommelige leven hier in bed lag, ging ik voor de houtkachel liggen, sloeg de verzameling essays van Katie Roiphe open en begon te lezen.
Er stond: ‘In mijn eigen leven doe ik vaak mijn uiterste best conflicten en zelfs meningsverschillen te vermijden, dus het is wel wat vreemd dat ik in mijn essays vaak de confrontatie lijk te zoeken, waardoor mensen zich gauw ongemakkelijk en soms zelfs diep gekrenkt voelen. Het is moeilijk uit te leggen waar dat precies door komt. En al geef ik grif toe dat het op zich een weinig zinvolle of houdbare levenshouding is, toch lijk ik mijn dagen zo te vullen: als een vriendelijk persoon, die op papier fel uithaalt.’
Ik wist meteen dat het iets voor me was.
En op mijn keukentafel ligt:

Geen reacties


maandag 14 oktober 2013

Superalleen

Mijn boek was kleiner dan ik dacht, vierkanter en dunner. De donkerblauwe stoffen kaft was minstens twee keer zo dik als de inhoud. Op de cover een geel stripeendje met ogen op steeltjes. Het boek was ook zo zwaar als een baksteen.  Ik kon het niet lang vasthouden zonder een lamme arm te krijgen.
‘Niet handig voor de mensen die het mee willen nemen in de trein,’ dacht ik nog. ‘Maar ja.’
De titel luidde Superalleen!  Daar stond ik ook van te kijken. Er zat een briefje bij de doos dat er op het laatst voor Superalleen! gekozen was, omdat ze dat toch beter vonden, en er was haast bij geweest. Verder geen tijd meer om dat nog met mij te bespreken.
‘Superalleen!’ zei ik een paar keer zachtjes voor me uit. ‘Superalleen.’

Geen reacties


vrijdag 11 oktober 2013

Nobelprijs

We hebben verse muntthee en broodjes gegrilde aubergine met kalkoenfilet besteld.
‘Ze is goed,’ zeg ik.
‘Waarom is ze dan zo goed?’ vraagt hij.
‘Je moet die verhalen gewoon eens een keer lezen, man.’
‘Die titels van haar alleen al.’ Hij trekt zijn neus op. ‘Liefde van een goede vrouw, Liefde slaapt nooit, Te veel geluk.’
‘Het gaat bij Alice Munro over de dagelijkse levens van mensen – vrouwen meestal – in de periferie van de samenleving, die op de een of andere manier aan hun lot, achtergrond proberen te ontsnappen.’
‘Precies,’ zegt hij. ‘Van die nuffige huisvrouwtjeslyriek.’
We zetten onze tanden in de kalkoenbroodjes.
‘De onderwerpen mogen dan wel dicht bij haar leefwereld liggen, maar het wordt juist geen moment saai.’ Ik spreek met volle mond. ‘Elk verhaal blijft hoogst origineel en verfrissend. Ik leer van haar dat je je onderwerpen juist dicht bij huis mag zoeken. Moet zoeken misschien zelfs.’
‘Vrouwen schrijven graag over hun eigen kleine wereldjes.’ De collega verorbert zijn broodje, alsof hij een hele kalkoen aan het afkluiven is.
‘Het was echt een openbaring, weet je dat, toen ik haar verhalen voor het eerst las. Een heel nieuw perspectief. Haar fragmentarische vertelstructuur. Haar gebruik van tijd. Alsof die niet eens bestaat. Zo soepel springt zij heen en weer tussen heden, verleden en toekomst. Virtuoos. En dan alle wendingen die ik niet aan zag komen. En…’
Hij knijpt de honingfles leeg in zijn theeglas en roert.
‘Binnen een paar zinnen schetst Alice Munro haarscherp de psychologie van iemand,’ zeg ik. ‘In elk verhaal weet ze opnieuw menselijke drijfveren bloot te leggen die ondoorgrondelijk zijn, eigenlijk ook onbenoembaar en met het blote oog nauwelijks waarneembaar. Je begrijpt meer van jezelf als je haar verhalen leest en daardoor begrijp je dus meer van de wereld.’
Hij neemt een slokje en duwt het laatste stukje van zijn broodje naar binnen.
‘Vrouwen schrijven over hun eigen kleine wereldjes en mannen schrijven over dé wereld. Dat is het verschil,’ zegt hij als hij uitgekauwd is.
‘We kunnen net zo goed zeggen: Vrouwen gaan dieper op de details in en mannen blijven meer aan de oppervlakte. Ze vertellen minder. Maar dat zeggen we nooit.’
‘Nee, dat zeggen we nooit,’ zegt hij.
 We drinken thee. We kijken op onze telefoons. De thee is op. De broodjes ook.
‘Ach, je moet haar werk eens lezen,’ zeg ik voor we gaan. ‘Dat is alles.’
‘Ik hou ook gewoon niet van korte verhalen,’ zegt hij.
‘Ze heeft minder woorden nodig om alles te vertellen.’
Hij knikt.

Geen reacties


donderdag 10 oktober 2013

Even een stukje over de poezen

De poezen puberen volgens mij. Ze nemen het huis over, rennen als gekken de trappen op en af, gaan op mijn toetsenbord zitten als ik de deur van mijn werkkamer niet sluit. ’s Ochtends in alle vroegte smijten ze zich tegen de slaapkamerdeuren van de meisjes. We worden tegenwoordig eerder gewekt door hun gebonk dan door iets anders. ’s Nachts slapen ze in de gang voor de kinderslaapkamers.  Tijdens het eten zitten ze altijd onder de stoel van de kleinste omdat die het meeste knoeit natuurlijk. Een keer is Ronnie al hoog opgesprongen om met zijn bekje een stuk brood uit haar handen weg te pakken. Deetje werd helemaal rood en begon naar hem te schreeuwen dat ze dit onaardig vond.
‘Dit is heel onaardig Jonnie!’  zei ze. ‘Dat mag niet.’ Er volgde een preek. Maar Ronnie zat een eindje verderop met het stuk brood met honing tussen zijn klauwen, alsof het een net gevangen muis betrof, en het ging allemaal zijn ene oor in en zijn andere uit.
Nu liggen ze naast mij op een kussentje te slapen. Twee kleine hondjes. Tegen elkaar aan. Ik denk dat ik ze heel binnenkort zal moeten  laten ontmannen- en vrouwen. Misschien morgen al.

Geen reacties


woensdag 09 oktober 2013

Interessant vak

De journaliste van het Parool zit er al als ik binnenkom. Ik ga zitten en zij zet het opname apparaatje aan, zo ging het gisteren ook. Het interviews geven, wordt op dag 2 al routine. Het is heel vreemd dat ik zo dadelijk van alles zal gaan vertellen en dat zij dan later met mijn woorden aan de slag gaat. Er een consistent verhaal van maakt. Dat ik dat niet zelf doe, met die woorden. Wiens verhaal is het dan?
Interessant vak, journalistiek.

Geen reacties


dinsdag 08 oktober 2013

Control freak

Na een gesprek van 2,5 uur kijkt de journaliste van de Volkskrant me aan: ‘Dus ben jij een faalangstige control freak?
‘Eh, nou dat ook weer niet,’ zeg ik. ‘Geen control freak…’
‘Dat dacht ik ook niet hoor.’
‘Nee?’
‘Nee, een control freak èn een buitenstaander zijn gaat niet samen.’
Hier moest ik even over nadenken. Waarom zou dat nou niet samengaan?
Ze zei: ‘Een control freak bevindt zich per definitie ín de situatie om de zaak goed in de gaten te kunnen houden.’
Dat was waar.
Ik bèn ook helemaal geen control freak gelukkig. Maar hoe was dat control freak dan in de conversatie geslopen? Er was iets met controle. Ik wilde wel graag ergens de controle over hebben, maar waarover ook alweer? Controle, controle, controle.

Geen reacties


maandag 07 oktober 2013

Show don’t tell

In alle vroegte rende ik langs de achterkant van de Joodse begraafplaats in het Flevopark toen ik plotseling dacht aan show don’t tell. Laatst had ik daar een gesprekje over met een collega. Als ik begin met een schrijfcursus, komt show don’t tell meestal meteen aan de orde. Daarvoor gebruik ik een hoofdstuk uit ‘Het Dikke Schrift’ van Agota Kristof. Het is belangrijk om dat principe te snappen als je begint met schrijven. Het laten zien in plaats van het te vertellen. De werking van suggestie. Leren observeren en heel precies op te schrijven wat er is, wat je ziet, hoort, ruikt.  Je ervan bewust worden wat je precies zegt. Het gebruik van vage woorden tegengaan. Ervoor zorgen dat de lezer zelf z’n mening kan vormen en dat de schrijver het niet allemaal voorkauwt.
Maar vanmorgen, toen ik langs de graven holde, dacht ik aan een ware show-don’t-tellmaffia.
Alsof het de borstvoedingsmaffia betreft, dacht ik. Ik heb geen idee waarom dat op dat moment in mij opkwam. De zon piepte door het gebladerte. Zonnestralen schenen op de stenen. De ochtendmist hing tussen de zerken. Ze stonden kris kras door elkaar. De meesten weggezakt. Scheef. Het terrein was groter dan ik altijd gedacht had en bijna overwoekerd.
Die collega had mij gezegd: ‘Jij doet het zelf ook. Jij schrijft heel erg show don’t tell.’
‘En jij niet, hè?’ zei ik
‘Nee.’
‘Jij doet het helemáál nooit, hè?’ zei ik.
‘En bedankt,’ had hij gezegd.
Show don’t tell, dacht ik. Show don’t tell. In een regelmatig tempo liet ik de begraafplaats achter me en draafde de ringdijk op.
Nu doe ik het volgens mij weer.

1 reactie


donderdag 03 oktober 2013

Geheimen

‘Ik wou dat ik helemaal door jouw ogen kon kijken,’ zo begint Jeetje (8) bij het ontbijt al.  ‘Dat ik jou even kon zijn.’
‘O jee, ja? Waarom?’ zeg ik.
‘Dan zou ik weten wat jij precies ziet. Misschien zie jij heel andere dingen dan ik.’
Ik knik, doe intussen iets met boterhammen en beleg.
‘En ik zou te weten komen wat je allemaal écht denkt,’ gaat ze door. ‘Dan kom ik achter al jouw geheimen.’
‘Maar ik heb geen geheimen,’ zeg ik. ‘Denk jij dat ik geheimen voor jou heb?’
Ze knijpt haar ogen samen en bekijkt me. Ik doe net of ik niet weet waar ze het over heeft, terwijl ik nog heel goed weet dat ik vroeger exact hetzelfde verlangen had. Mijn moeders geheimen moest ik zien te ontrafelen. Dat was een belangrijke missie.
‘En dan ben jij mij geworden en dan kun je niet meer terug,’ zeg ik.
‘Ik wil het maar even,’ zegt ze, ‘een dagje wil ik jou zijn. Langer echt niet.’

Geen reacties


woensdag 02 oktober 2013

Toch?

Op de fiets naar het flevopark met de drie-jarige achterop.

‘Ik zat in jouw buik toch, mama?’ roept ze.
‘Ja.’
En toen ik een baby was, kon ik alleen maar liggen. Baby’s zitten in de buiken van mama’s en niet van papa’s.’
‘Nee, niet van papa’s.’
‘Waarom eigenlijk?’
‘Zomaar.’
‘Daarom is geen reden toch?’
‘Nee.’
‘Zomaar wel?’

‘Hee mama, ik ben toch een kind?’
‘Ja.’
‘En een meisje?’
‘Ja.’
‘Is een kind ook een mens?’
‘Ja, jij bent ook een mens.’
‘Wie is er nog meer een mens?’
‘Ik ben een mens. Papa is een mens. Jeetje is een mens.’
‘Wie is er geen mens?’
‘Ronnie en Noenoe zijn geen mensen.’
‘Wie nog meer niet?’
‘Beesten zijn geen mensen.’
‘En de Gruffalo ook niet hè?’
‘Die bestaat niet in het echt, hè?
‘O nee, alleen in het bos, hè?’

Als we in het park zijn en ik haar van de fiets til, kijkt ze omhoog.
‘De bomen. Ik denk dat die omhoog gehouden worden met een touw anders zouden ze vallen. Toch?’

Geen reacties


dinsdag 01 oktober 2013

Sfeer

Eindelijk zag ik de film Borgman en ik weet nog niet precies hoe ik ‘m moet plaatsen. Dat vind ik op zich al interessant. Ik heb erg moeten lachen om het geweld. Werd er iemand gewurgd, schaterde ik het uit. De mannen onder de grond deden me denken aan  vampiers die uit hun graf opstaan. Van Warmerdam moet de serie True Blood hebben gezien.
Een eigen kille wereld, met een eigen logica. Maar de villa die speciaal gebouwd was voor deze film, zou je makkelijk hier op IJburg aan kunnen treffen. Het gezin dat er woont ook.
Ik heb tientallen van dat soort villa’s gezien op het laatste eiland. De laatste tijd kom ik er wel eens met hardlopen omdat ik in het donker liever niet door het park ren. Dus ren ik langs de vrijstaande villa’s met strakke gazons en glimmende wagens op de oprit. In het midden een dieprode, lichtgevende rechthoek. Een verlicht tennisveld. Altijd als ik er kom is dat tennisveld leeg. Er is daar sowieso nooit een mens op straat. Vorige week zag ik er al wel een dennenboom met kerstverlichting.

Geen reacties


vrijdag 27 september 2013

Zelfde schilderij, ander omslag!

3 reacties


donderdag 26 september 2013

In nood

Met een rotgang fietste ik van Bos & Lommer de Baarsjes in, tenminste dat stond nu op de straatnaambordjes ‘Baarsjes’, het was spitsuur en over een dik kwartier moest ik op het Roeterseiland zijn om les te geven. De eerste les van het seizoen. De routeplanner op mijn telefoon kon de huidige locatie niet vinden. De mensen aan wie ik de weg vroeg, verstonden me niet. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Ik racete alle kanten op. Het kwam me allemaal even onbekend voor. Maar zelfs m’n eigen straat zou ik nu niet meer herkennen. Er was geen enkel aanknopingspunt.
Ik kwam terug van de boekpresentatie van ‘Van dode mannen win je niet’ van Walter van den Berg en probeerde maar beter te accepteren dat ik te laat zou komen. Meteen toen dit gebeurd was, herkende ik de Nassaukade en wist ik waarheen de weg mij leidde. De receptionist zei dat ik er gehaast uitzag en dat hij deze keer maar geen grapjes zou maken. Mijn blouse was nat. Als ik mijn armen bewoog, rook ik mezelf. Terwijl de cursisten een schrijfopdracht maakten, las ik passages uit ‘Van dode mannen win je niet.’ Eenmaal thuis legde ik mijn benen op tafel en las door.
Vannacht schrok ik wakker van een diep en donker mannengebrul. ‘Neuken,’ werd er gebruld. Het klonk onmenselijk. Beestachtig.  Ik knipte mijn lampje aan en sloeg het boek weer open. Buiten schreeuwde de man: ‘Neuken. Ik wil neuken.’

Geen reacties


woensdag 25 september 2013

Vulpen

In de tweede klas van de basisschool kreeg iedereen een nieuwe vulpen. Behalve de linkshandigen.
De nieuwe vulpennen waren rood en hadden een mat-zilveren dop. Mijn pen was helemaal donkergroen. Volgens de meester zouden linkshandigen met de nieuwe vulpen vlekken in hun schrift maken. Maar ik vlekte nooit bij het schrijven. Ik had mezelf al in de eerste klas aangeleerd om mijn hand op een bepaalde manier omhoog te houden. Zo schrijf ik nu nog steeds.
In de weken nadat de kinderen de nieuwe vulpen hadden gekregen, kreeg ik steeds meer moeite met het schrijven met mijn donkergroene pen. Mijn pen ging stroef over het papier. Mijn pen bleef haken. Mijn pen veroorzaakte vlekken in mijn schrift.
Totdat de meester mij op een dag ook een nieuwe vulpen gaf. Het moment waarop ik mijn oude pen bij hem inleverde, herinner ik me nog goed. Maar nog beter herinner ik me de eerste keer dat ik met de nieuwe aanwinst schreef; de softe, lichtblauwe, dikke letters die in mijn schrift kwamen te staan. In plaats van de messcherpe, donkere, dunne lijnen die mijn oude pen gemaakt had.

Geen reacties


maandag 23 september 2013

Donna

Middenin de nacht fietste ik terug met het boek van Donna Tartt aan mijn stuur. Meer dan negenhonderd bladzijden. Ik had er iemand morsdood mee kunnen slaan.
De boekpresentatie van het Puttertje was in de Stadsschouwburg en we wilden weleens zien hoe Donna dat deed.
De eerste drie kwartier werd er alleen maar over de schrijfster gesproken, zonder dat we haar zelf te zien kregen. En toen het zover leek te zijn, zagen we nóg alleen maar haar silhouet achter een doek. Een schaduwspel. Ze las voor. We hoorden haar stem. Ze versprak zich twee keer.
Het hoogtepunt van de avond was het moment waarop ze tevoorschijn kwam. In een lang gewaad. En op grote schoenen. Daar stond de schrijfster. In het volle licht.
De gelijkenis met haar en het puttertje was opvallend. Als je tien jaar over een boek doet, word je het onderwerp waarover je schrijft. Dat kan ook haast niet anders.
Bij de borrel stond ze een paar keer vlak bij ons. Je zou haar gemakkelijk over het hoofd zien vanwege haar lengte. Ze is maar één meter vijftig lang. Rondom haar was steeds een hele lege cirkel. Het was stervensdruk. Maar waar zij ging, weken de mensen uiteen.

Geen reacties


zondag 22 september 2013

Temperatuur verschil

Op een feest in Enschede sprak ik met een vrouw uit Eindhoven die ook een hele tijd in Groningen gewoond had. Maar wel in een huis zonder zwembad. Hoeveel huizen ze er ook bekeken hadden, er was er in Groningen geen met zwembad te koop. ‘Vind je dat niet gek?’
Ik knikte. Heel gek.
De makelaar had hen na de zoveelste bezichtiging gevraagd wat ze nou met een zwembad moesten.
‘Gek toch?’ zei ze.
Weer knikte ik.
Ze zei dat ze de opmerking van de makelaar, toen ze er uiteindelijk woonden, ineens heel goed begreep.
‘Je kunt daar gewoon niet zwemmen!’ riep ze uit. ‘Het is daar echt veel kouder. Dat scheelt een paar graden.’
‘O, maar natuurlijk!’
‘Waarschijnlijk zijn de zwembaden in Groningen allemaal onderpandig,’ ging ze door. ‘In Groningen zwemmen de mensen binnen. Ze moeten wel.’
Daarna vertelde de vrouw over de middendertigers in Eindhoven die alle oude villa’s opkochten, ze vervolgens afbraken om er de prachtigste nieuwbouwvilla’s neer te zetten. De ene villa was nog mooier dan de ander. Schitterend gewoon.
‘Crisis, hè?’ zei iemand anders in het gezelschap.

Geen reacties


donderdag 19 september 2013

In gezelschap

Het rennen is in een versnelling gekomen sinds ik niet meer altijd alleen loop. Ik loop verder en harder  in gezelschap. Het is leuker. Gisteren, toen ik echt geen zin had, sprintten we steeds een stukje door het Diemerpark, van lantaarnpaal naar lantaarnpaal. In mijn eentje zou ik dat nooit gedaan hebben. In mijn eentje zou ik gisteren helemaal niet gegaan zijn. Ik beweerde hier ooit dat ik niet met iemand anders kan lopen omdat ik me automatisch aanpas aan het ritme van de ander en mijn eigen ritme daarbij hoe dan ook verlies. Dat blijkt niet waar. Of ik ben inmiddels gewoon beter in staat mij niet in meteen in een ander te verliezen. Dit biedt perspectief voor de toekomst. Wie weet wat ik nog allemaal in samenwerkingsverband ga doen, nu ik als gezelschapsdier optimaler blijk te functioneren.

Geen reacties


dinsdag 17 september 2013

Gek vak

De laatste dagen fiets ik elke dag wel een keer naar de uitgeverij. Om wat op te halen, weg te brengen, te bekijken of te bespreken. Het duurt nog precies een maand voor het boek uitkomt. En pas dan weet ik zeker dat er een boek uitkomt. Daar kan ik me nu niets bij voorstellen. Waar we het over hebben is ongrijpbaar.
Wat ik nu weet is dat ik niets meer aan de inhoud kan veranderen. En dat ik het zo goed vindt. Waar het over gaat, weet ik niet meer precies. Wel dat ik het erover wilde hebben.
Het gaat over van alles. Het is lastig dat allemaal onder woorden te brengen, eigenlijk is het meer dat ik daar geen zin in heb, het staat tenslotte in dat boek.
Maar als er naar gevraagd wordt, moet ik het wel proberen. Als er niet naar gevraagd wordt niet per se. Dan hoop ik dat de lezers het begrijpen. Als de lezers ook niet weten waar het over gaat, is het toch geen goed boek.
Als er lezers zijn tenminste. Dat is de eerste voorwaarde.

2 reacties


maandag 16 september 2013

Enge museumbezoekers

We bezochten het Huis van Marseille. De foto’s die Eddo Hartmann maakte van zijn ouderlijk huis dat hij op 12-jarige leeftijd ontvluchtte en waar hij na 20 jaar weer terugkwam, waren indrukwekkend. Het was een absolute chaos in het herenhuis. Het papier en andere troep lag er opgestapeld tot aan de negentiende eeuwse plafonds, maar daaronder was alles precies zoals zijn moeder en hij het toentertijd achterlieten. De telefoonlijst van de klas waarin hij zat, lag nog naast de grijze draaitelefoon. Zijn tekeningen hingen aan de muur.
Maar daar wilde ik het hier helemaal niet over hebben. Ik wilde het hebben over Deetje (3) die zich na een paar foto’s zo vreemd begon te gedragen, dat ik dat hele huis van Marseille zo snel mogelijk moest zien te verlaten.
Als een dolle rende ze de kamers door, ging overal languit op de vloer liggen, op haar buik, met handen voor haar ogen. Bezoekers moesten over haar heen stappen om de de volgende expositieruimte te kunnen betreden. Ik glimlachte en trok mijn Deetje als een dweil over de vloer. Haar beentjes in de gele maillot maakten zwembewegingen.
‘Waarom doe je nou zo raar, Deetje,’ zei ik toen we eindelijk  buiten stonden. ‘Wat is dat voor gekkigheid.’
‘Ik ben zo bang voor de mensen,’ fluisterde ze.
‘Wat een onzin,’ zei ik. ‘Mensen in een museum doen juist niks.’
‘Ik vind die mensen eng, mama.’
Ik wist hier niets op te zeggen. Wat was er eng aan museumbezoekers?
‘Ze lopen er met z’n allen zwijgend rond,’ zei man toen. ‘Ze staan stil, kijken een hele tijd naar zo’n foto aan de muur en lopen dan weer zwijgend door. Alleen de vloer kraakt af en toe.’

1 reactie


vrijdag 13 september 2013

Read My World

Kom morgen allemaal naar de Tolhuistuin in Amsterdam. Of liever vandaag al.
Zaterdag vanaf 16.00 lezen daar voor: Maartje Wortel, Sanneke van Hassel, Said el Haji, David Vann (ja, die van Legend of a suicide) en ik.
En nog tienduizend andere schrijvers. Het is al begonnen. Kijk op: www.readmyworld.org

Geen reacties


vrijdag 13 september 2013

Twee merkwaardige zaken

Deze ochtend fietste met Deetje (3) naar de stad om bij de uitgeverij proefdruk twee op te halen. Ook gingen we onderweg wat in speeltuinen zitten en in winkels kijken.

In de kledingwinkel zegt de juffrouw: ‘Wat een schat van een kind heb jij zeg. Wat speelt ze lief.’
‘Ja, hè?’
En dan: ‘Wat heb je zelf een ontzettend mooie broek aan.’
‘Dank je.’
‘Hij zit perfect. Hij staat je erg goed.’
‘Ok. Bedankt.’
Ik draai me om en loop met de lieve schat aan mijn hand vlug de winkel uit.

In de zandbak in het Sarphatipark komt er een mevrouw naar me toe. Ze vraagt me welk kapper ik heb. Ik vertel haar over de kapper die ik bezoek in mijn eigen straat.
Dan zegt de mevrouw: ‘Je ziet er helemaal geweldig uit. Weet je dat?’
‘Nou, dank je,’ zeg ik.
De mevrouw glimlacht en gaat weer bij haar peuter zitten. Even verderop.
Ik sta op van de zandbakrand en we maken dat we wegkomen. Tegen zoveel onverwachte vriendelijkheid ben ik niet opgewassen.

Mijn proefdruk. Het is geen dik boek. Het zijn 156 bladzijdes. Dat vind ik dan toch best jammer. Het liefst had ik plotseling een lijvig werk geschreven. Maar ik schreef een kleine roman. Het lijkt of je daar vrij weinig over te zeggen hebt.
‘Jij maakt mijn dag helemaal goed,’ zegt de receptioniste tegen Deetje. ‘Wat ben jij een kleurig meisje.’

Geen reacties


donderdag 12 september 2013

Volmaakt

Tijdens spitsuur schuifelen Jeetje en ik in de massa mee op weg naar tram 26. Recht voor centraal station staat een grote mevrouw, – twee vlechten, een extra-large groezelig t-shirt, legging – uit volle borst te schreeuwen en te zingen dat Jezus ons ook in zijn hart wil sluiten, als we maar even naar Hem zouden luisteren. Jezus is er ook voor jou, gilt ze. De kudde splitst zich voor haar neus in tweeën, buigt af naar links en naar rechts. Wij hobbelen in de groep mee die zich naar de trams aan de rechterkant beweegt. Mijn achtjarige dochter in haar glinsterende gouden jas. De H&M tas (met daarin een jurk en gymbroek) in haar ene hand, de andere hand in de mijne. Haar twee blonde staarten zwaaien. De grote witte tanden. Ze is volmaakt.
‘Het is wél heel goed geprobeerd van haar,’ zegt ze als we de vrouw passeren, ‘maar het helpt niets. Niemand hoort echt wat ze zegt. Ze moet iets anders gaan bedenken.’

Geen reacties


dinsdag 10 september 2013

Nog waarder dan de waarheid

Ik was bij een redactievergadering van de Brugkrant die per september heel Amsterdam Oost bestrijkt en met 70.000 exemplaren een grotere oplage heeft dan het Parool. Maar daar laten we ons niet op voorstaan. We doen het op eigen kracht. Er wordt thee en cola geschonken en op tafel staan worteltjes en koekjes met chocola. De hoofdredactie vertelt over de nieuw te varen koers. Minder IJburg, meer de stad in. Het is allemaal reuze opwindend.
‘Er moeten in elk geval niet méér columns in hoor,’ zegt een medewerker, ‘ik vind het er nu al veel te veel. Wat moeten de mensen daar nou mee?’
De mede-columniste naast me gaat met haar theezakje heen en weer in mijn glas. De thee kleurt vreemd  lila.
‘Korte berichten zijn wel heel leuk,’ zegt de medewerker, ‘daar staat tenminste nieuws in, wetenswaardigheden, dát willen de mensen lezen. Niet die zielenroerselen.’
‘Géén fictie,’ fluister ik tegen mijn mede-columniste die maar met het ouwe theezakje in het hete water blijft bewegen.
‘Nee,’ fluistert ze, ‘maar wat ik schrijf is allemaal echt gebeurd.’
‘Precies. Wat ik opschrijf ook.’
‘De mensen willen er óók iets van opsteken,’ gaat de medewerker door. Het blijft even stil. Iemand bijt op een worteltje. Mijn thee is donkerpaars geworden.
‘Of zitten er hier soms ook columnisten bij?’ vraagt de medewerker aarzelend.
Eenmaal thuis pak ik de krant. Het eerste wat ik lees is de column van Frits Abrahams, zoals elke dag, en vandaag ook de wekelijkse column van Pia de Jong over gemiddelde kinderen die jaar in jaar uit en van minuut tot minuut door hun ouders en professionele coaches gemanaged worden om hen voor te bereiden op de selectie voor een topuniversiteit. Dat laatste boeit me bovenmatig. Omdat het te maken heeft met waar mijn boek over gaat. Maar dat is fictie.

2 reacties


maandag 09 september 2013

Normaal

Een jongeman haalt een microfoontje onder m’n roze blouse door. Voor de boekenkast ga ik zitten, op de bank die er speciaal voor is neergezet. Een grote, hoge ruimte. Er staat een camera op statief. De jonge vrouw vraagt of ik in tweeeneenhalve minuut wil vertellen waar mijn boek over gaat. Voor de verkoop. Eerst in het Engels. En daarna in het Nederlands. De twee glimlachen vriendelijk en geven mij een teken dat ik kan beginnen. ‘Ja. Nu.’
Dat zal moeilijk gaan. Ik wil toevallig net nu dood.
‘Ja. Nu.’
Ik heb echt  geen idee waar mijn boek over gaat.  Maakt mij niet uit in welke taal ik het moet verwoorden.
‘Ja. Nu.’ Ze blijven glimlachen.
‘Ik doe het niet hoor,’ zeg ik.
Maar even later hoor ik mezelf braaf mijn Engelse voorbereide verhaaltje opzeggen. Daarna moet het in het Nederlands. Dat heb ik niet van tevoren opgeschreven. Ik ga wel heel erg kort door de bocht, hoor ik. Maar het maakt mij allang niet meer uit. Als ik hier maar weg mag is het enige wat ik kan denken. Als ik hier weg ben, is alles goed. Eenmaal weer veilig thuis eet ik, nog in mijn roze blouse, een zak chocolade pindarotsjes leeg. Het was al met al best gemakkelijk, als ik maar normaal had gedaan.

Geen reacties


vrijdag 06 september 2013

Lambs

Op IJburg is blauwalg gesignaleerd en opnieuw een kinderlokker. De strandjes zijn afgezet. Ik loop met een vriendin die ik al sinds de kleuterschool ken het Diemerpark door richting Muiden. Als we teveel praten, vliegen de insecten onze mond in. Dus soms is het even slikken. Eén keer fietst de kinderlokker voor ons. In slakkengang. Dik, wijdbeens, met een nat staartje in zijn nek. Maar dat is kinderachtig.
We rennen net de brug over als de eerste auto naar ons toetert.
‘De kinderlokker!’ roep ik. ‘Daar is-ie!’
Het blijft even stil naast mij. Dan zegt mijn vriendin:  ‘Eerder een ouwe wijvenlokker, denk je niet?’
Dat is waar. Ik denk dat het komt omdat we vroeger in ons dorp de kinderlokkers en de heksen  constant van ons af moesten schudden. Als ik met haar loop, schiet ik automatisch een jaar of dertig terug in de tijd.
Zodra we IJburg weer in rennen, claxonneert de ene auto na de andere. Het moet de schemer zijn, de blote benen, en de ongewone warmte die maakt dat de bestuurders toeteren.
Daarna komen we te praten over Engelse spreekwoorden als ‘Mutton dressed as lamb.’

Geen reacties


woensdag 04 september 2013

Noodbrief ingevuld

‘Waarom regel jij nooit iets.’ Jeetje schreeuwt het uit. ‘Nooit!’
‘Wat moet ik regelen?’ Ik zit rechtop op de rand van haar bed, klaar om Het nooit eindigende verhaal voor te lezen en kijk haar aan.
”Ik heb vandaag alwéér een nieuwe noodbrief van de juf meegekregen.’
‘Een nieuwe noodbrief?’
‘Ja, ze geeft me er elke dag weer een mee naar huis.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik de enige van de klas ben die de noodbrief nog niet ingeleverd heeft!’ De tranen springen in haar ogen. ‘De énige.’
‘O.’
‘De juf vraagt steeds aan mij of ik thuis ergens een noodbrief heb zien liggen. En dan zeg ik ‘nee’ en dan kopieert ze een nieuwe.’
‘Vandaar,’ zeg ik. ‘Ik dacht al: liggen die brieven nou overal?’
‘Ja! We hebben er nu al acht!’ schreeuwt ze. ‘ACHT.’
‘Wat moet ik met acht noodbrieven, Jeetje?’
‘Wat moet je daarmee? Wat moet je daarmee?’ roept Jeetje. ‘Wat denk je dat je daarmee moet?INVULLEN natuurlijk.’
‘Maar ik was de eerste noodbrief helemaal niet kwijt hoor,’ zeg ik. ‘Dacht de juf dat? Nee,  ik heb de noodbrief gewoon netjes op het prikbord hangen. Zeg dat maar tegen de juf.’
Even later komen we over de witte muur van haar slaapkamer te spreken en de optie de muur te behangen met fel oranje noodbrieven. Daarna kunnen we verder met het nooit eindigende verhaal.

Geen reacties


dinsdag 03 september 2013

Verlaten

De school was uit. Het blonde meisje viel op tussen de andere blonde meisjes op het schoolplein.Het was de manier waarop ze rondkeek. Hoopvol. Zoekend. En hoe langer ze er stond, hoe langer haar nek werd, om over al die ouders heen te kunnen kijken die steeds maar niet voor haar kwamen.
Een voor een werden de kinderen opgehaald.
Het schoolplein liep langzaam leeg. Ze verroerde zich niet. Ze beet op haar lip terwijl ze de straat afspeurde. Ze huilde niet, daarvoor vond ze zichzelf denk ik te oud. Een jaar of acht moet ze zijn geweest. Jeetjes leeftijd. Om haar schouders hing een grote canvas tas, met natuurlijk een lege beker erin en een trommel vol broodkorstjes. Na een minuut of twintig waren echt alle ouders verdwenen en liepen er  alleen nog kinderen in fluoriderende hesjes van de naschoolse opvang. Een tijdje bleef ze op dezelfde plek staan. Toen haalde ze haar schouders op en vertrok. Ik zag haar lopen. Het dappere ding. Over de brug ging ze. In de richting van het andere eiland.

1 reactie


maandag 02 september 2013

Huilen

Op de bruiloft werd veel gehuild. Eerst in de Amstelkerk en later in het restaurant bij de speeches. Overal zag ik tranen rollen en ogen gedept worden met zakdoekjes. De hele kerk kreeg het te kwaad toen de bruidegom zijn bruidegom toezong.
‘Moet je nou zien!’ Ik stootte man aan. ‘Iedereen huilt.’
‘Dat is ontroering,’ fluisterde hij. ‘Ont-roe-ring.’ Zijn ogen waren nat.
‘Ja, dat weet ik ook wel.’
Ik begreep het allemaal best .De liefde die hier gedeeld en getoond werd, was mooi. Dat zag ik. Maar ik hoefde niet te huilen. Al zou ik het willen. Sterker nog: ik zou het wel willen. Met iedereen meehuilen. Maar het gebeurt niet.
Toen ik hier tijdens het diner met iemand over sprak, stelde hij me gerust. Ik hoefde niet per se een onverschillig en ongenaakbaar type te zijn. Ik was gewoon meer een observator. Iemand die ziet dat iedereen huilt en constateert dat er ontroering is. Die mensen moeten er ook zijn.
‘Dat is handig voor een schrijver,’ zei hij. ‘Als je een zekere afstand tot de wereld hebt.’

Geen reacties


donderdag 29 augustus 2013

Oké, goed, prima.

Daarnet op de uitgeverij nam ik de proefdruk nog eens door met de mevrouw die daarover gaat.
Ze zegt: ‘Hier staat ‘ze is oké’.Vind ik prima. Maar jij hebt er nu ‘goed’ van gemaakt. Waarom?’
‘Ja, ik dacht goed is toch beter dan oké.’
‘Ik vind oké ook goed hoor.’
‘Vind je oké beter?’
‘Ik vind oké wel prima. Maar als jij per se goed wilt…’
‘Misschien past ‘oké’ toch meer bij het personage.’
‘Dus het is goed?
‘Het is oké.’
‘Prima.’
‘Goed.’
Hierna maakte ik nog een rondje langs de burelen. Over anderhalve maand komt mijn boek uit. Er wordt over De weg naar zee gepraat. Al bestaat het nog niet. Voor mij is het alweer klaar. Af. Als het nog lang duurt, ben ik het echt vergeten. Het ligt bijna achter me. Maar het moet nog beginnen.

1 reactie


woensdag 28 augustus 2013

Kijken wat er gebeurt.

Een interview met Alex van Warmerdam in NRC vandaag, maakt me nieuwsgierig naar Borgman, maar meer nog werkt het inspirerend. Door de manier waarop hij het maakproces verwoordt.

“Je zou kunnen zeggen dat dat misschien wel de essentie van kunstenaarschap is. Een idee in de wereld zichtbaar maken. En dan als poppenspeler aan de touwtjes trekken. Kijken wat er gebeurt. Kijken hoe mensen zich gedragen. En dat is meestal niet best. (…)
Hij vertelt ook hoe elke film voortkomt uit de andere, vaak als reactie, omdat hij iets anders wil proberen- ‘Ik wil mezelf vermaken tijdens het schrijven’ – of een scène voor ogen heeft die hij altijd nog eens wilde verfilmen.”

Ik krijg meteen zin om aan iets nieuws te beginnen. Kijken wat er nu weer gebeurt. (Meestal niet best)

Geen reacties


dinsdag 27 augustus 2013

De goedheid van de mens

Op mijn racefiets doorkruiste ik de stad en ter hoogte van het Hoofddorpplein bedacht ik dat ik ook eens moest opschrijven hoe lief en behulpzaam de medemens kan zijn. Toen ik de PC Hooftstraat voorbijkwam, was mijn ketting er namelijk af gegaan. Ik stond op het trottoir naar de lege tandwielen te kijken toen een jongeman die bij de G-starwinkel werkte, hij deed mij denken aan de zanger Blaudzun, naar buiten kwam om me te helpen. En dat terugleggen van de ketting ging niet één, twee, drie. Nee, na een hele tijd klooien, zijn handen werden steeds smeriger, hij moest zelfs nog een schroevendraaier gaan halen om het spatbord eraf te kunnen schroeven om erbij te komen, lag het ding er pas weer op. De jongeman was perfect gekleed en nu zat hij hier op de stoep midden in de zon, vlak voor een overvol terras, te priegelen aan een racefiets van een hem onbekende  vrouw.

Goed, ik was dus in de buurt van het Hoofddorpplein toen het in mij opkwam de goedheid van de mens te beschrijven en er precies op dat moment, echt waar,  een fietser op me inreed. Met een enorme klap. Het was een jongen van een jaar of twintig met voorop het rekje van zijn fiets een meid in plaats van een mand, waardoor hij me niet had gezien. Zij gilde bakvisachtig. En ik riep: ‘Wat doe je?’ 
Zonder op of om te kijken, of zelfs maar sorry te zeggen, stak hij de straat over. Toen ik na een tijdje weer opstapte, hoorde ik het giechelen van de meid nog. De rest van de tocht trapte ik zwaarder. Er schuurde iets. De stang van mijn fiets was verbogen. Het wiel liep aan. 

Geen reacties


vrijdag 23 augustus 2013

Create your new life op IJburg!

Create your new life op IJburg! stond er op het bord. Ik rende langs het bouwterrein. Een poster van het IJmeer met daarop een rug van een meisje dat op de boulevard zit en over het water uitkijkt. Haar rugzak nonchalant naast haar neergezet. Create your new life op IJburg! Waarom was haar ouwe leven niet goed? Waar liep ze voor weg? Dacht ze nou werkelijk…?
Meteen ook moest ik denken aan de Ikeaspreuk Design your own life. Daarna flitste man door mijn hoofd die gisteren gepolst was om in een Ikea reclamespot te figureren. Op het schoolplein was hij er  al ooit uitgepikt voor een ANWB-reclame. En nu Ikea.
Maar goed, ik was dus aan het joggen en aan mijn linkerkant lag dat braakliggend stuk grond. Rechts van mij aan het water stond een geel bordje met: Surfstrand, hier niet zwemmen. Een paar weken geleden was daar een jongen van vijf verdronken. Ik zag nergens een spoor van hem. Op het voetpad kwamen vaders met kinderwagens me tegemoet slenteren. Badend in het zonlicht. Vrijdag: papadag. Op de boulevard lag een grijs/blonde vrouw in foetushouding, – opgekruld, knieën opgetrokken – naast haar een leeg theeglas.

Geen reacties


donderdag 22 augustus 2013

Burgeroorlog

‘Zijn die mensen dood?’ vraagt Jeetje (8) aan het ontbijt. Ze wijst op de voorpagina van de krant.
‘Ja.’
‘Maar er zitten ook kinderen bij,’ zegt ze.
‘Die kinderen worden niet speciaal doodgemaakt hoor,’ zegt man snel, ‘die zijn gewoon óók omgekomen bij het bombardement. Net als iedereen daar.’
‘Bombardement?’ vraagt ze.
‘Ja,’ zeg ik. ‘In Syrië is een gifgasaanval geweest. Omdat daar  een burgeroorlog is.’
‘Bur-ger-oor-log?’
‘Ja, dan gaat de bevolking met elkaar vechten.’
‘Waarom?’
‘Ze willen de president weg hebben.’
‘O.’ Jeetje buigt zich over de foto’s van de gestorvenen, bestudeert de man met het dode kind, tot ik de krant bij haar vandaan trek en zeg dat ze door moet eten.
‘En wat is er dan met Egypte?’ Terwijl ze van haar boterham met pindakaas hapt, leest ze de kop van haar nieuwe Kidsweek: ‘Ik hoop dat het goedkomt met Egypte.’
‘Ja, daar is ook bijna een burgeroorlog,’ zeg ik. En ik herhaal dat ze door moet eten omdat we anders te laat op school komen. En dat willen we zeker niet.

Geen reacties


woensdag 21 augustus 2013

Sleutel vergeten

Het was het slaapkamerraam waar Ronnie de kat een paar weken geleden door naar buiten gevallen was. Daar moest ik doorheen zien te komen. De houten ladder waar ik op stond, was niet lang genoeg. Met mijn handen kon ik bij de vensterbank. En als ik wat sterker was geweest, als ik wat krachttraining had gedaan, zou ik mezelf misschien zo omhoog hijsen en naar binnen werpen. Maar dat had ik niet.
De tweede ladder die gebracht werd, was iets langer, nog steeds te kort, maar het moest kunnen. Ik zou me door het raam naar binnen moeten kunnen wringen.  Op z’n minst een snoekduik naar voren maken, met mijn kop op de oude houten gymzaalvloer knallen.
Met één hand vernielde ik het horregaas. Toen we hier kwamen wonen waren we vooral blij omdat er horren voor de ramen zaten.Die dingen zijn hartstikke duur. Die koop je zelf niet. Hier dacht ik aan terwijl ik het gaas in één beweging opzij ratste.
De buurvrouw hield de ladder vast. Op de stoep dromden steeds meer mensen samen. Het werd een heel woensdagmiddag evenement. Ik hield me vast aan de sponning van het raam en tilde mijn been zo hoog mogelijk op. Deze keer zou het gaan lukken. Mijn spijkerbroek spande rond mijn reet, net nu had ik er een aan waar nul procent elasticiteit in zat.

Geen reacties


dinsdag 20 augustus 2013

Weerzien

Ze stond bij de mineola’s. Ik herkende haar kleine, ronde lichaam van veraf al. Het gele winkelmandje om haar arm was nog leeg. Het gekke was: ze stond daar wel, maar maakte op geen enkele manier aanstalten om de mineola’s  in haar mandje te laden.
‘Hee wat goed je weer es te zien,’ zei ik. ‘In de Vomar of all places. Hoe is de verhuizing gegaan?’
Ze zweeg.
‘Jij ook aan de mineola’s?’
Omdat ze nog altijd niets zei, ging ik door.
‘Jeetje wil geen sinaasappel of mandarijn mee naar school. Het moet een mineola zijn. En als ik Deetje vraag wat ze op de crèche voor fruit gegeten heeft, zegt ze: mienejoola. Het lijkt wel een mineola hausse!’ Ik lachte. Zij bleef onbeweeglijk staan.
Toen ik tenslotte vooroverboog om een plastic zakje te pakken voor de begeerde vruchten, zag ik wel dat haar bovenlip beefde.
‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Gaat het wel met je?’
‘Wat is er?’ zei ze. ‘Gaat het wel met je?’
‘Wat doe je?’ vroeg ik.
‘Wat doe je?’ zei ze.
‘Ben je mij nou aan het napraten?’
‘Ben je mij nou aan het napraten?’ zei ze.
Nadat ik zoveel mogelijk mineola’s bij elkaar in een zakje gepropt had, maakte ik dat ik wegkwam bij de groente- en fruitafdeling.

Geen reacties


maandag 19 augustus 2013

Het normale leven begint weer

Het was de eerste schooldag, nieuwe mensen namen hun intrek in het huis naast dat van ons, de lucht was fris en helder. We fietsten met z’n allen naar school om Jeetje naar groep vijf te brengen. Deetje fietste zonder zijwielen naast me. Ik zag het donkere kruintje. De blote benen die heel snel trapten. De gebruinde handen aan het stuur. Op het trottoir liepen hele gezinnen in slingers. Op een dag als vandaag gingen ze nog hand in hand. We kwamen in een stoet van ouders en kinderen terecht; voor de schooldeuren eindigend in een fuik. We wachtten tot we naar binnen konden. Op het schoolplein klonk geroezemoes en gelach. Alle kinderen leken wel geknipt en hadden waarschijnlijk ook een druppel teatreeoil op hun hoofd. Om de luizen af te weren. Al doen de meeste luizen toch gewoon waar ze zin in hebben.
Toen we even later met z’n drieën het gebouw weer uitkwamen, was de lucht al donker en zwaar. In een zeiknat zomerjurkje leverde ik Deetje af op de crèche.

Geen reacties


zaterdag 17 augustus 2013

Docentschap 2

Aan het eind van dag vijf van mijn cursus zat ik voorovergebogen te luisteren naar de teksten die voorgelezen werden, en te roepen wat er weg kon of welke zin bovenaan moest staan. Iedereen zat op het puntje van zijn stoel. Er werd geschrapt, geschaafd en opnieuw voorgelezen.
 ’s Avonds zou er een voorstelling zijn in het Crea theater waarin alle zomercursussen van de afgelopen week zich in tien minuten presenteerden. Mijn deelnemers mochten een verhaal van één minuut voordragen. In de ochtend werd er gemopperd en getwijfeld. In één minuut kon je niets zeggen. Verhalen van één minuut, dat was niks.
Maar het hardop redigeren van de teksten en ze dan telkens weer voorlezen, bewees het tegendeel. Hoe korter de stukjes werden, hoe beter. Dat kon iedereen horen. Het was alsof er in de laatste minuut nog een belangrijke klik werd gemaakt.
Een jongen had aan het begin gezegd: ‘Ik vind het eigenlijk vooral interessant om te kijken wie er allemaal op zo’n cursus Vervreemdend Proza afkomt.’
Dat vond ik ook. Wie het allemaal precies waren, weet ik nog steeds niet. We hebben alle introductie overgeslagen. Maar daar ging de week ook niet over.

Geen reacties


donderdag 15 augustus 2013

Docentschap

Op dag vier van mijn cursus ‘Vervreemdend Proza’ gaat het mis. Net na de pauze loop ik met nóg een stapel gekopieerde verhalen in mijn hand lokaal 1.23 in. De lucht is dik en muf omdat de ramen er niet open kunnen. Mijn hoofd moet al rood zijn. De tafels staan in een rechthoek en zijn bezaaid met papieren, honderden vellen, kris kras door elkaar. De twaalf cursisten lopen er omheen en proberen de boel voor zichzelf compleet te krijgen. Juiste volgorde. Juiste naam. Iedereen heeft meerder pagina’s geschreven. De meeste vellen zijn zonder naam, zonder nummering. Ik sta aan het hoofd van de tafel en leg er nóg een stapel papier bij. Er wordt naar elkaar geroepen en er worden dingen aan mij gevraagd. Deze verhalen kunnen we onmogelijk allemaal bespreken in een paar uur. Het lokaal is net groot genoeg voor zoveel mensen, als ze op hun stoel blijven zitten. ‘Orde,’ wil ik roepen. En: ‘Ho, ho.’ De tijd loopt.
‘Ik ben beter in tekstanalyse dan in de logistiek,’ zeg ik maar.
‘Ja, we willen allemáál alleen de leuke dingen doen,’ zegt de cursist die naast me staat.

Geen reacties


dinsdag 13 augustus 2013

Vervreemding

“Marquez verklaarde ooit dat een gedetailleerde leugen altijd de schijn van waarheid wekt. Als je vertelt dat er opeens tweehonderd blauwe olifanten langs kwamen rennen, gelooft niemand je. Maar zeg je dat het 167 volwassen dieren en vijftien kleintjes waren, dan klinkt dat al een stuk geloofwaardiger. Ook Cortazar past deze truc vaak toe. (….) Mijn verhalen zijn voor het merendeel van dezelfde makelij als mijn romans, zegt Cortazar, openingen naar de verwondering, overhalingen tot een verplaatsing van waaruit het gewone niet langer geruststellend is, omdat niets gewoon is zodra je het onderwerpt aan een stil gestaag onderzoek.”

Dit kwam ik tegen in een oud krantenartikel en las ik vanmorgen voor aan mijn cursisten die ik de hele week de cursus Vervreemdend Proza geef. Een term die hoe langer  en meer ik ermee werk, onhoudbaarder wordt. Want ik kan nu, na de tweede dag van de cursus, al helemaal niets meer bedenken wat niet vervreemdend is. En ’s avonds onderweg naar huis, op mijn racefiets, zie ik ook hele andere dingen.

Geen reacties


zaterdag 10 augustus 2013

Heetgebakerd

Briesend kwam mijn vriendin er aan gefietst. Ze was onderweg naar het station twee keer bijna aangereden door dezelfde auto en had, toen ze daar iets van zei, van de bestuurder een grote mond gekregen.
‘Het is gewoon eng,’ zei ze, ‘de enorme woede die ik meteen op voel komen.’
‘Dat ken ik.’
‘Ik ben eigenlijk heel heetgebakerd,’ zei ze.
‘Ik ook,’ zei ik. ‘En wraaklustig.’
Het waren geen mooie eigenschappen die onderweg naar het café al ter sprake kwamen. Daar hou ik van. Maandenlang had ik haar niet echt gesproken. En ik merkte hoezeer ik haar gemist had.
De zon scheen. Het terras waar we gingen zitten, zal vol lachende en kletsende mannen en vrouwen. Klinkende glazen. Schaaltjes met grote, glimmende olijven. Zoenende stelletjes. We keken rond.
‘Mensen zijn gewoon allemaal heel verdorven,’ fluisterde ze.
‘Zo is het,’ zei ik. ‘Een dun laagje vernis.’
Na het eerste wijntje kwamen we er al op dat onze woede niet eens zo heel verkeerd was. Het diende toch zeker ergens toe. Het was een manier om duidelijk een grens aan te geven. Een overlevingsmechanisme. Tot hier kun je gaan en niet verder. Lafheid was veel erger.
Bij het zoveelste wijntje zeiden we dat we agressie niet goed keurden, dat het ook zeker niet verstandig was, maar waren we het er allebei over eens dat onze mannen best iets minder conflictvermijdend hadden mogen zijn.

Geen reacties


vrijdag 09 augustus 2013

Kattenstuk

De kinderen zijn uit logeren, maar we hebben er nog twee. Ronnie B. is eergisteren uit het raam gedonderd. Eén hoog. Vermoedelijk heeft hij het gaas van de hor opengekregen, is aan de buitenkant van de vensterbank gaan zitten en toen uitgegleden. Nu heeft hij zijn rechterpoot gekneusd en doet het rustiger aan. Opvallend is dat zijn zusje sindsdien naar hem gromt en blaast. Helemaal niet begripvol.
Maar als ik het zusje op schoot genomen heb –  misschien keken we te veel naar haar arme broertje – wil ook Ronnie B. er per se bij komen liggen. Hij houdt zijn pootje een beetje slap omhoog en kijkt mij aan met zijn zwarte kopje. Het zusje blijft luid spinnend liggen waar ze ligt.
Toen heeft man Ronnie B. maar mee naar buiten genomen aan een tuigje. Zijn zusje zit nu met haar neus tegen het raam en volgt jaloers zijn bewegingen.
Verder hou ik niet bijzonder veel van katten. Behalve dus van deze twee. Zo ook met kinderen.

Geen reacties


dinsdag 06 augustus 2013

98

Mijn vader en ik, met Jeetje (8) en Deetje (3) op de achterbank, rijden door het Noord-Limburgse landschap op weg naar oma’s 98ste verjaardag. Als we er bijna zijn, zegt Deetje: ‘Ik vind oma eng.’
‘Waarom?’
‘Daarom is geen reden, hè?’ zegt ze.
‘Nee,’ zeg ik.
De verjaardag wordt in de immense tuin van één van haar zoons gevierd. Als wij aankomen, is iedereen er al. Oma heeft dekens om haar benen en een deken om haar schouders. Ze is bijna helemaal ingepakt omdat ze zo dun is. We zitten in een grote kring rondom haar met blote armen en benen. Ze eet taart en drinkt wijn. Ze heeft haar stoel rechtop staan, kijkt rond en ze praat ook best veel. Maar als ik haar feliciteer, zegt ze dat ze 98 echt te oud vindt. Dat ze zo moe is. Ze mag niet klagen van ons. ‘Het is maar net wat je instelling is!’ zegt een oom.
We zijn blij dat ze er nog is. Zij moet ook blij zijn dat wij er zijn. Als oma  binnen op de bank ligt, hebben wij het over leeftijd en dat we voor we het weten 98 zijn.
‘O, nee, dat vind ik veel te oud,’ zegt een tante.
‘Ik wil ook zeker geen 98 worden,’ zegt een andere tante. ‘Absoluut niet.’
Een oom zegt dat hij liever van de brug geduwd zou willen worden dan ooit in het bejaardenhuis te belanden. Wij vinden dat oma blij moet zijn dat ze zo oud is, maar niemand zou zelf die leeftijd willen bereiken. Behalve ik, misschien. Ik weet het niet. Maar dood zijn, lijkt me helemaal niets.

2 reacties


maandag 05 augustus 2013

De bel ging

In mijn renpakje deed ik open. Voor de deur stond een rokende man met in zijn kielzog een vrouw. Ze identificeerden zich met een stuk dat ik op mijn weblog geplaatst had. Ze wilden dat ik het er vanaf haalde.
‘Wat goed dat jullie mijn blog volgen,’ zei ik. ‘Dat wist ik niet.’
‘Mijn broer zit in de gevangenis,’ zei de vrouw.
‘Ik verzin nog wel iets,’ zei de man. ‘Ik hoop dat je verkracht wordt in het park.’
Daarna verdwenen ze, even plotseling als ze gekomen waren, in het duister dat hen omringde. Mijn vriendin, die achter de deur had staan luisteren, en ik konden eindelijk gaan rennen.
‘Nou, gezellig hier op IJburg,’ zei ze.
‘Ja,’ zei ik, ‘het is Living on the Edge hier.’ Ik versnelde het tempo. ‘Elke dag moeten we blij zijn dat we nog leven. Maar dan ben je ook ècht blij, snap je? Dat is het hele mooie.’
Ze knikte. Maar of ze het echt begreep, weet ik niet.

1 reactie


donderdag 01 augustus 2013

Mensen

Op deze bloedhete dag werk ik boven aan een kerstverhaal terwijl helemaal beneden twee poesjes over de piano wandelen. Of ze knallen balletjes in alle hoeken van de kamer. Maar als ik even niets hoor, loop ik de trap af om hun water te verversen. En meteen dat van mijzelf. Ook zij zullen zich hier nu wel gevangen voelen. Hoe leg ik die arme beestjes uit dat het voor hun eigen bestwil is dat ze binnen zitten? Dat het nog maar een paar weken duurt.
Ik mag hier gelukkig dadelijk al even weg. Die mensen overal om me heen. We zitten hier de laatste tijd veel te dicht opeengepakt volgens mij. Dat verstikt. Zoveel mensen op één eiland. Ze maken mekaar nog af. Ik heb ook helemaal geen zin in mensen. Ze vervuilen mijn hoofd. Ik wil me niet met ze bezighouden. Ze zijn lelijk en ze stinken. Geef mij maar kleine katjes.

Geen reacties


woensdag 31 juli 2013

Liefde

We landden zacht dit jaar. Het terugkeren verliep pijnlozer dan ooit tevoren. Er was ook haast geen temperatuurovergang. Het buitenleven kon thuis worden voortgezet. Het was zelfs leuk alle buren weer te zien, misschien hadden we het keuvelen op de stoep wel gemist? Ook de logistiek binnenshuis ging gesmeerd. Op dezelfde dag dat we uit het vliegtuig stapten,  hadden we al vier wassen gedraaid,  waren de koffers teruggezet op de plaats waar ze hoorden en de boodschappen gedaan; pindakaas, drop, vegetarische kruidenworst en dorade voor op de barbecue.

 ’s Avonds gingen we met vijf burenstellen en hun kroost op de stoep barbecueën om het leven te vieren, dat we weer thuis waren, of ter afscheid van de familie die morgen zou vertrekken. We beschilderden hun caravan ‘make love not war.’ De kinderen verfden regenbogen en rode harten terwijl de volwassenen proostten. Als het zo doorging, zou dit weleens uit kunnen lopen op zo’n klef IJburgs lovefeest waar iedereen het altijd over heeft, maar waarvan niemand weet waar of het is.

Tegen half negen zwaait er ergens een deur open. De bewoners komen, met een bel wijn in hun hand, bij ons staan.

‘Ga lekker zitten. Er is nog genoeg.’ In eerste instantie vermoeden we niets. Hun dochter is de caravan aan het beschilderen met de andere kinderen. Deze mensen zijn meestal weg voor hun werk en doen niet aan stoepgekeuvel. Het zijn vooral hun steeds wisselende au-pairs waar we mee te maken hebben. Maar nu zijn ze er dan.

‘Jullie zijn slechte ouders,’ zegt de vrouw. ‘Dat wil ik even zeggen.’

Het wordt in een keer muisstil.

‘Twee jaar lang sluiten jullie met z’n allen onze dochter buiten. Hoe laag is het om een kind stelselmatig te negeren. Als volwassenen! En nu mag ze wel meedoen. Nu kan het ineens wèl, hè? Dit doen jullie alleen maar om goede sier te maken voor de rest van de buurt. Jullie zijn slechte ouders.’

Hierna begint ze de buurvrouw die ze het langst kent en plein public te beledigen. Niemand doet iets. Ik bekijk de tierende, lange vrouw met naast haar de gekromde, tengere echtgenoot. Zijn grote spiegelbril boven strakke kaken. Haar lijkbleke, maskerachtige gelaat. Wat is er ineens in die twee gevaren?

‘Ja, kijk maar niet zo verbaasd.’ Ze richt zich tot mij. ‘Jij weet goed waar ik het over heb. Héél goed. Jij doet het ook. Jij.’

De buurman fluistert dat ik kalm moet blijven. Dat het geen enkele zin heeft.

‘Ik weet van mezelf dat ik een goede moeder ben,’ hoor ik haar zeggen. ‘Een héél goede moeder.’

Het is mooi dat zij daar zo zeker van is. Ik zou het over mezelf niet durven beweren. Misschien is dat wel laf. Maar hun dochter is een  leuk, sprankelend kind. Daar is niets mis mee, nog niet. Juist door er zo min mogelijk voor haar te zijn, bewijst de vrouw haar meisje waarschijnlijk de allergrootste dienst. Dat inzien, is inderdaad goed moederschap. Dat is pure liefde. De goede moeder trekt haar dochter bij ons vandaan en sleurt haar – en haar spiegelman – mee terug hun huis in. De deur slaat dicht. Onze landing is alsnog hard.

Hier alvast de column voor de Brugkrant van augustus! 

Geen reacties


dinsdag 30 juli 2013

Roze Princess

Ver na middernacht, het was na tweeën, liep de licht gekromde, tengere man op All Stars door de straat, – zwarte jeans, oversized t-shirt, sigaret tussen opmerkelijk gespannen kaken – met onder zijn arm een roze kinderfietsje. In het licht van de lantaarnpaal zag je dat er Princess op het frame geschreven stond. De spaken waren verroest maar wel versierd met gekleurde kraaltjes. De hoge zijwieltjes als vliegtuigvleugels. Het ijzeren mandje hing scheef aan de bagagedrager in plaats van aan het stuur en hinderde hem steeds bij het lopen. Maar hij liep verder.

In de deuropening rookte hij de laatste peuk voor het slapengaan toen het fietsje daar ineens gestaan had. Pontificaal voor zijn deur. Midden op zijn stukje stoep. Recht voor zijn neus. Hij zag dat driejarige buurmeisje er weer op voorbij sjezen. Hij hoorde haar lachen. Zingen. Terwijl zijn eigen achtjarige meisje binnen zat met het geluid van de televisie voluit om het kletsen van de kinderen niet te hoeven horen.
Zijn kaken verstrakten. Hij stak een nieuwe sigaret op, keek een paar keer om zich heen, pakte toen heel snel het fietsje en verdween ermee in het donker.

Op de steiger aan het einde van de straat hield hij halt, keek schichtig rond, en smeet de roze Princess het water in. Daarna dat rotmandje dat ernaast gevallen was. De plons was goed te horen. Maar vrijwel iedereen sliep toch.

Geen reacties


maandag 29 juli 2013

Noe-Noe en Ronnie B.

Veel gebeurtenissen later, waarvan de bosbrand en de evacuatie van een camping in Portugal wat mij betreft het meeste indruk maakte, – niet per se leuk, maar de parallel met het boek dat ik net afgerond had, is op z’n minst vreemd te noemen, ik ben dol op parallellen en toevalligheden (als ze er niet zijn maak ik ze) – zijn we weer thuis. Waar ik de drukproef op de mat vond. Waar het leven weer begint. Voor het eerst sinds jaren, vind ik het terugkomen niet per se erg. Ook wonderlijk is dat.
Maar nu het belangrijkste: De komst van Noe-Noe en Ronnie B (voluit: Ronnie Blacky) gisteravond.  Onze twee nieuwe huisgenoten van twaalf weken oud. Het zijn stoere plattelandskinderen en nu dan, na een autotocht van anderhalf uur, in de stad terechtgekomen. Het eerste wat ze deden was hun kopjes tegen de achterdeur drukken, de vier houten schuttingen van ons tuintje bekijken. Die konden ze gemakkelijk hebben.Vannacht trof ik ze dicht tegen elkaar aan slapend op de gang voor onze slaapkamerdeur. Toen heb ik beneden de twee nieuwe mandjes gehaald. Noe-Noe en Ronnie B. trippelden geruisloos achter mij aan. Trap af en even later trap weer op. Ik zette de mandjes op de door hun gekozen plek neer en zei: ‘Ga maar lekker slapen Noe-Noe en Ronnie. Het is goed.’ Of ze dat gedaan hebben, weet ik niet. Af en toe schrok ik wakker van een pianotoets die aangeslagen werd. Ook hoorde ik een keer een ontzettend gekrab beneden. Ik hoopte maar dat dat niet het bankstel was. En dat bleek het ook niet te zijn.

Geen reacties


donderdag 04 juli 2013

Vakantie

Op 17 oktober a.s. verschijnt De weg naar zee van Elke Geurts. Zo staat het in de catalogus van de uitgever. Zo ziet het boek eruit. En nu begint de vakantiestop. Tot daarna, graag!

Op een hete zomerdag sleept Tessa haar zevenjarige dochter in een bolderkar door een zwartgeblakerd duingebied. Een verzengende tocht, waarin ze de zeven jaren met Summer overdenkt. Het meisje is niet haar gedroomde evenbeeld geworden, maar dat heeft Tessa er nooit van weerhouden alles op alles te zetten om het beste uit haar kind te halen; een goede versie van zichzelf.  Hoe langer ze door het mulle zand loopt, hoe sterker haar het gevoel van mislukking overvalt. 

Geen reacties


woensdag 03 juli 2013

Ernst

‘Hans straalt een ernst uit die ik lang niet ben tegengekomen: we zijn eraan gewend geraakt te veinzen dat wij zelf ook weten hoe belachelijk we zijn.’ Dat schrijft Arnon Grunberg vandaag in zijn column in NRC waarin hij verslag doet van zijn vrijwillige verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
En dat vind ik een goeie observatie.
Ik denk dat ik ook ernstiger ga worden.

Geen reacties


maandag 01 juli 2013