Column Trouw, 4 nov

PIJN

Ik had achteraf gezien al een hele tijd last van mijn nek en schouder. Een sluimerend pijntje dat je makkelijk kunt negeren. Ik had te lang en te scheef achter de computer gezeten. Te zware winkelmandjes gedragen. Sinds mijn moeder hier weleens kookt, willen de meisjes het allerliefst gekookte aardappelen. Dus stouw ik die mandjes te vol met aardappelzakken.
Na een heerlijke zondag met de meisjes waarin alles vanzelf leek te gaan, lag ik voor het eerst sinds tijden volkomen ontspannen in bed. Het woord ‘genieten’ neem ik niet graag in de mond, maar ik had die dag werkelijk genoten. Van alle kleine dingen nog wel. Ik had geluk gevoeld.Maar daar in bed gelegen, voelde ik ineens ook de pijn. Die bleek ondraaglijk. Met mijn neus in het kussen lag ik. Mijn hart ging tekeer. Weldra zou ik stikken omdat ik mijn hoofd niet meer naar links of rechts kon draaien. Euthanasie was een optie, maar logischer was het dat de dood zo dadelijk vanzelf zou intreden. Ik stond op en belde mijn moeder.

‘Wat is er?’ vroeg ze.

‘Ik heb pijn aan mijn schouder.’

‘OMG,’ zei mijn moeder.

‘Ik ga denk ik dood.’

‘Onzin,’ zei ze. ‘Jij gaat helemaal niet dood.’

‘Jawel,’ fluisterde ik, ‘de pijn zit ook al in mijn nek en in mijn arm en in mijn hand.’

‘O, dat is psychisch,’ zei ze. ‘Je hebt gewoon een last op je schouders, kind.’

‘Het is niet psychisch,’ zei ik. ‘Het is echt.’

‘Hoe dan ook. Je gaat niet dood van nekpijn,’ zei ze opgewekt.

‘Ik moet roken.’

‘En jij denkt dat roken helpt tegen doodgaan?’

Zo ijsbeerde ik heen en weer door de kamer, almaar luisterend naar mijn moeder die net terugkwam van tien dagen Sicilië met mijn vader. Ze vertelde over de catacomben in Palermo die ze bezocht hadden. De gemummificeerde doden waar ze langs waren gelopen. Hoe prachtig dat was geweest. Dat werkte rustgevend. Het is toch erg, dacht ik, vierenveertig en dan ’s nachts je moeder bellen.

Toen klonk er van boven klonk een ijselijke gil.

‘O, de kleine heeft weer een nachtmerrie,’ zei ik.

Even later lag ik naast een paniekerig huilende dochter in bed en troostte haar. Ze krulde zich op en kroop dicht tegen me aan. Ik hield haar vast en zei dat ze nergens bang voor hoefde te zijn. Dat mama er was. Zo vielen we samen weer in slaap.



Geef een reactie