Zomertijd column Trouw, 8 juli

Zomervakantie.

 

Het studiejaar van de Schrijversvakschool was afgelopen. Ik moest Carina uit het eerste jaar gaan vertellen dat ze na de zomervakantie niet terug hoefde te keren. Ik was haar mentor Ze kwam lachend binnen en ik zei haar plaats te nemen.
“Je hebt voor vier van de zes vakken een onvoldoende gehaald,” zei ik meteen, “dat is te veel.”
“O?” zei ze. “Wat bedoel je?”
“Je bent niet door,” zei ik. “Maar je moet niet denken dat je niet kunt schrijven hoor,” voegde ik daar snel aan toe. “Dat is het niet.”
“Wat is het dan?”
We zaten tegenover elkaar in het kleine lokaal, ik keek op mijn wekkertje en Carina kneep in haar handen. Ze deed me aan mezelf denken, twintig jaar geleden, toen ik een schrijfopleiding volgde en raadselachtige werelden beschreef, die voor mij dan wel glashelder waren, maar voor ieder ander onnavolgbaar bleken.
Carina zat vaak met een spierwit gezicht in de klas, omdat ze de hele nacht had doorgewerkt aan één van haar sciencefictionboeken. Ze had er al twaalf geschreven, maar er geen afgemaakt.
Ik voelde haar enorme drijfveer wel, om zichzelf te verduidelijken. Om haar wereld met lezers te delen. Om niet meer alleen te zijn, uiteindelijk.
“Je werk is tot nu toe onbegrijpelijk,” zei ik. “Misschien zou je het dichter bij jezelf kunnen zoeken. Jouw verhaal is goed genoeg.”
Ze trok een vies gezicht.
Ik sprak over de andere docenten die het over mist hadden gehad. Alsof je door een dikke mist heen moest, wilde je bij haar of haar teksten terechtkomen. Soms vingen we een glimp op van Carina. Een paar prachtige observaties.
Ze boog haar hoofd.
“Mijn therapeut gaat ook al dood,” zei ze.
“O jee.”
“Dit was de enige plek waar ik het gevoel had dat ik er nog bij hoorde.” Ze begon te huilen. “Hier was ik veilig.”
Ik zag haar mascara steeds verder uitlopen. Niks mist. Niks SF. Het was helder.
“Niet opgeven hoor,” bleef ik zeggen. “Jij gaat bewijzen dat we ongelijk hadden.”
Voor Carina zelf zou het zoveel beter zijn als ze gewoon op school mocht blijven. Als ze erbij mocht horen. Een enkeling zal gebaat zijn bij een afwijzing, maar de meeste mensen hebben vooral veel vertrouwen nodig. En verbinding. Ik kon haar dat allebei niet geven.
Toen het kwartier voorbij was, gaven we elkaar een hand.
“Een goeie zomer,” zei ik.
“Jij ook,” zei ze.



2 reacties op “Zomertijd column Trouw, 8 juli”

  1. Frieda zegt:

    Heel erg.

Geef een reactie