Zomercolumn Trouw, 22 juli

Liefde

Mijn dochters en ik die hand in hand de stad uitwandelen, op weg naar het feest, hoe we om de beurt het blauwe bolletje van Google-maps bestuderen, of aan iemand de weg vragen naar het dorp waar we zijn moeten, en steeds tegen elkaar zeggen dat de mensen hier allemaal zo aardig zijn.
Hoe ik dagenlang schrijf over een ik-figuur die in een wormgat zit, en van het ene naar het andere tijdvak moet zien te komen en hoe ik al die dagen ’s middags en ‘s avonds de bloemkoolsoep eet die mijn moeder voor mij gemaakt heeft.
De vrouw voor me bij de kassa van de Etos, – waar ik sta met een fles luizenlotion -, die een zwangerschapstest koopt en steeds opnieuw vraagt hoe ze de test precies moet gebruiken. Hoe de rij achter haar steeds langer wordt, maar de medewerkster geduldig uit blijft leggen op welke manier ze de staaf in haar ochtendurine dient te stoppen. “Nee, niet de hele staaf, mevrouw.”
Bij de visboer een hoogzwangere vrouw in een strakke zwarte jurk, op hoge hakken, en een jongeman die haar omarmt. Ze nemen twee stukjes witte vis.
Mijn vriendin vraagt of ik getuige wil zijn bij haar huwelijk deze zomer.
Een mailtje van iemand die schrijft dat het hem fijn lijkt me weer te zien.
Hoe ik met de buurvrouw en een stoet kinderen onze maandagavondwandeling door het park maak, en we onderweg kikkersprongen doen, of een stukje hinkelen, samen toekijken hoe jong en oud zich keer op keer van de grasheuvel laat rollen.
Voor het slapengaan het eindeloze kammen met de luizenkam. Het geluk als er we er weer eentje te pakken hebben. Hoe we met z’n drieën in de wasbak turen en onze vangst tellen. Grootmoeder luis, moeder luis, kindjes luizen, eitjes nog.
Duizend vlechtjes in het haar van de twaalfjarige vlechten omdat ze krullen moet hebben voor de eindmusical op school.
Met mijn broer naar een appartement voor mij gaan kijken, dat om de hoek van zijn straat blijkt te zitten. Het vertrouwde idee dat hij en ik in dezelfde buurt wonen en ik maar een gil zou hoeven geven
De vrouw, op het feestje in het dorp, die aanbiedt mij en de meisjes terug naar huis te brengen. Hoe we ’s avonds laat in een auto zitten met zeven stoelen vol kinderen, en ik helemaal achterin mijn zevenjarige zie knikkebollen.
Over de liefde die ik tegenkom, kan ik eindeloos doorschrijven, merk ik. Liefde is overal.  Je moet er alleen even op letten.



Geef een reactie