Column Trouw, 4 maart

Spanningen

Met vier collega’s verbleef ik een lang weekend in een vakantiehuisje in de Ardennen en de onderlinge spanningen liepen per uur hoger op. Ik stond buiten te roken. De lucht was er inktzwart. Het was doodstil. Ik besefte dat man al wekenlang van mijn zijde verdwenen was. Helemaal weg. Waar iets van hem me vroeger altijd vergezelde, was ik nu echt alleen.
Mijlenver van huis leek ik, waar man en de meisjes lagen te slapen. Alleen ík hoefde me daar nu nog maar bij te voegen. Dan zou alles goed zijn.
Op zondagavond kwam ik thuis. Uitgeput. Het viel me op dat man zijn hagelwitte blouse iets te ver open had geknoopt. Lente is in de lucht, dacht ik. En: thuis zijn doet hem goed.
Het deed mij ook heel goed. We aten met z’n vieren. Ik ging in bad. We brachten de meisjes samen naar bed.
“Mama, wil jij aan papa vragen of hij vannacht bij ons blijft slapen,” fluisterde de zesjarige. “Alsjeblieft.”
“Waarom vraag je hem dat zelf niet?”
“Dat durf ik niet.”
“Je weet dat papa naar de boot gaat, hè.”
“Ja, maar ik wil het zo graag.”
Voor man terugging, kletsten we nog wat over de spanningen in de Ardennen. We rookten buiten een sigaretje. De lucht was hier zacht en een stuk lichter.
Hij zei: “Ik las in de krant dat ik het je moest zeggen als ik een ander had.”
“In de krant?” zei ik. “Was je dat gesprek vergeten dan?”
Hij glimlachte ongemakkelijk. En toen zei hij het.
“Hoe lang dan al?”
Hij schonk nog een wijntje voor ons beiden in en zei hoe lang.
“Zo lang al,” zei ik. En: “Ik hoop echt voor je dat je gelukkig wordt.”
“Dat vind ik fijn dat je dat zegt.”
“Ik vind het fijn dat je het mij toch verteld hebt.”
Hij vertelde nog iets over de andere vrouw. Ik stak de ene sigaret met de andere aan en zei dat hij ons vieren nu echt kapot had gemaakt.
“Zie je wel,” zei hij, “ik kan tegen jou ook níéts persoonlijks zeggen. Dan word je meteen boos.”
Hij pakte een sigaret uit het pakje.
“Je kunt nu geloof ik beter vertrekken.”
“Ja.”
“En snel.”
Mijn ex liep naar binnen, ging zitten en begon zijn glimmende schoenen rustig dicht te veteren. Ik liep op hem af. “Ik zou nu maar héél rap maken dat je wegkomt.”



2 reacties op “Column Trouw, 4 maart”

  1. Jan Willems zegt:

    Lof der zotheid.

  2. Hi Elke, Ik kijk elke zaterdag uit naar jouw column in de Trouw! En ik schrok van de zin: “En toen zei hij het.”
    Vanaf het moment dat ik hetzelfde hoorde, word ik geconfronteerd met mijn diepe verlatingsangsten. Wat een proces! En wat is het hard werken om uit de verwijten en de verhalen te blijven en de pijn toe te laten en de ruimte te geven! Ik volg je!

Geef een reactie