Het was alle dagen stil

En toen moest ik gaan, in een verder lege bus reed ik vanaf hier naar Assen, waar ik op de trein stapte. Nog geen seconde later liep ik mijn Amsterdamse nieuwbouwstraat in.
En toen zat ik met buurvrouwen en mannen rond een nieuwe spierwitte picknicktafel die voor ons huis bleek te staan, glazen wijn, partyknabbels. En toen waren er mensen voor wie ik taart sneed, thee maakte, wijn inschonk – wit, rood – , of heel iets anders, koffie, hebben jullie suiker?, broodjes zalm smeerde, kaasjes op een plankje legde, bakken chips vulde, felicitaties met mijn elfjarige dochter en ook nog met mijn zesjarige dochter, slingers, ballonnen, lollies, en toen waren er tien kinderen die vroegen of ik ze hielp bij het knippen van hun kroontje, en er waren tien studenten die me aankeken voordat ik met de les begon, er waren mijn ouders, mijn broer en zijn vriendin, er waren vrienden, er was kauwgom dat ik uit het tapijt krabde, er was een logéetje van zes, een logéetje van elf.
En toen moest ik weer gaan, ik zei de meisjes gedag, droogde op het toilet mijn tranen, wierp vanuit een volle tram de echtgenoot nog snel een kushandje toe.
Een seconde later was ik weer hier. Met de specht en de pauw. Alsof ik nooit was weggeweest.



Geef een reactie