Doorknallen

In de kleine keuken ben ik neergestreken, mijn laptop bovenop het plastic tafelkleed met roosjes. De geur van de gebakken zalm van gisteravond hangt er nog omdat ik de achterdeur niet de hele tijd open durf te laten staan. In verband met de gevangenen die de tuin bijhouden. In de klapper staat: de achterdeur dichthouden. De gevangenen vriendelijk gedag zeggen, mag wel, binnenlaten mag niet.
Momenteel wacht ik een beetje op de mobiele supermarkt die deze middag in het dorp zal arriveren. Staat ook in de informatieve klapper. Een zak appels heb ik nog. En een stuk kipfilet. Het begint nu wel heel karig te worden. Sinds m’n gezin weg is, heb ik geen brood meer gehaald en ook geen brood meer gegeten trouwens. Het valt me op dat ik meteen teruggrijp op gewoontes uit m’n studententijd. Yoghurt. Thuis eet ik het spul nooit. Ook opvallend is dat ik in m’n eentje veel meer rommel maak, en dat ik nauwelijks aan persoonlijke verzorging doe als toch niemand het ziet.
Daarnet heb ik een rondje door het dorp gerend om te kijken of ik die mobiele supermarkt misschien al ergens zag rijden. Over het Pastoors Smitspad reed alleen een elektrische rolstoel met een grijze cowboy erin en een Golden Retriever die naast hem rende, maar geen supermarkt.
De cowboy en ik groetten elkaar.
Voor ik de deur uit holde, belde mijn agent nog. De eerste persoon tegen wie ik sinds dagen hardop gesproken heb. ‘Ik zal ophangen,’ zei ze al gauw, ‘dan kun jij lekker doorknallen.’
‘Nou,’ zei ik, ‘of ik nou echt lekker doorknal?’
‘Niet?’
‘Schrijven kan overal.’
‘Als je er maar in zit,’ zei ze.
‘Precies,’ zei ik.
‘Misschien is dit wel jouw manier van iets maken,’ zei ze, ‘misschien moet jij altijd wel door van alles heen, voor het zover kan zijn.’



Geef een reactie