Hoe ik wacht

Gezeten tegenover hem, een veertiger en een vijftiger, ze zwijgen, denk ik terug aan de bruine koffer vol brieven die boven ergens ligt, die we weg moeten gooien volgens opruimcoach Marie Kondo, ritueel moeten verbranden, oude brieven zijn ballast, ze hebben hun functie gehad, er moet ruimte zijn voor de toekomst.
‘Vanavond ga ik in het logeerbed slapen,’ zegt hij dan.
‘Ja.’
‘Dan kunnen we tenminste rustig slapen. We houden elkaar wakker. Slaap is belangrijk.’
‘Slaap is belangrijk.’
‘Je moet er niet zo zwaar aan tillen.’
‘Nee.’
Gezeten tegenover hem, – hij rechtop op een stoel, ik op de bank nog in mijn sportkleding – denk ik terug aan de eerste brief die ik op het logeerbed vond, in zijn huis in Culemborg, waar ik mocht blijven tot ik een andere kamer had, hoe ik van het ene op het andere moment dakloos was geworden, hoe ik de ochtend na de politie-inval bij mijn Surinaamse hospita met twee volle vuilniszakken naar de academie liep, op blokhakken natuurlijk, alsof het de normaalste zaak ter wereld was, ik meende als negentienjarige dat alles de normaalste zaak ter wereld moest zijn, hoe de vriendelijke jongeman mij zolang het logeerkamertje in zijn huis aanbood, hoe ik daar thuiskwam, en hoe ik toen een paar weken later de verzegelde brief op het hoofdkussen vond, geschreven op dik, lichtbruin papier, met een zwarte kroontjespen, korte onafgemaakte zinnetjes, veel puntjes, dit is een soort Sam Shepard liefdesgedicht stond er, hoe ik die brief steeds opnieuw bleef lezen, totdat ik de voordeur hoorde opengaan, ik hem oneindig lang in de keuken hoorde rommelen, hem zijn eten hoorde maken, hoe ik toen zeker wist dat hij die brief vergeten was, ik moest er ook niet te veel waarde aan toekennen, die kunsttypes waaiden alle kanten op, hoe mijn hart bonsde en ik doodstil op dat logeerbed zat en wachtte, hoe ik wachtte tot ik zijn voetstappen de trap op hoorde komen, de gang over, tot hij naast me op het bed kwam zitten, hoe we zwegen, en hij minuten later pas vroeg: ‘Heb je de brief..?’, hoe ik iets dichterbij hem ging zitten, nog dichterbij, hoe het niet dichtbij genoeg kon zijn.



Eén reactie op “Hoe ik wacht”

  1. Maartje schreef:

    Jezus, wat mooi!

Geef een reactie