wedstrijd

We eten spaghetti en zalm, de opengeklapte laptop staat ook op tafel. Het Nederlands volkslied start. Het beeld is geblokt en bovendien drie minuten vertraagd met de werkelijkheid. Maar dat mag de pret niet drukken. We kijken voetbal. Jeetje probeert erin te komen. Deetje vraagt zich af wat de bedoeling is.
‘De bal moet in het doel,’ zeg ik monter. ‘Dat is dat witte hokje.’
En: ‘wij zijn die mannetjes in dat donkerblauwe pakje. We spelen tegen die gelen. Dat is onze tegenstander. Vij-and.’
‘O, zegt Deetje. ‘Hebben we gewonnen?’ vraagt ze om de paar minuten.
‘Nee, nog niet. Ze gaan nog heel lang voetballen. O, zie je, nu hebben ze ruzie. Ze schoppen en slaan elkaar. Dat mag niet, hè? Dan krijgen ze straf.’
Ze was het daar wel mee eens.
Verder hebben we het nog een paar keer over dat witte hokje, de bal en de richting waarop die zou moeten gaan. Ik leg weer geduldig uit dat dat witte hokje het ‘doel’ is. Ik voel me een expert.
We kunnen nauwelijks gezichten onderscheiden. Buiten wordt gejuicht. Toeters blazen. Claxons. Kinderen schreeuwen. Op ons computerscherm rennen de gele en blauwe vlekken alsof er niets aan de hand is.
Ik zeg: ‘volgens mij hebben we gescoord.’
‘Nee hoor,’ zegt man.
‘Hebben we nou dan gewonnen?’ zucht Deetje.
Pas als het buiten weer stil is geworden, valt het doelpunt bij ons. Zodra ze de maaltijd op heeft, gaat Jeetje naar buiten. Daar is het te doen. Wij kijken dapper verder.



Geef een reactie