Sporen

Het batterijgeluid van het zwarte briotreintje dat niet op het spoor mag rijden, maar tergend traag van de klaargelegde houten rails vandaan rijdt, dwars door de kamer, onder kast en tafel door,  in de richting van de voordeur. Het ding omdraaien, en zo langzaam maar zeker terug laten keren naar zijn bestemming, wordt absoluut niet geaccepteerd.
‘Nee, de trein mag niet op de rails.’
We zien hier glashelder de aard van onze tweejarige. Het verleden, het heden en de toekomst in één. Terwijl man aan het vertellen is dat hij als veertienjarige in Heemstede vaak naast het spoor wandelde, waar het verboden was te lopen, en dat hij er altijd wel stukjes mensenvlees tegenkwam.
‘Dat vond je normaal?’
‘Het leek gewoon op gehakt.’
‘O.’
‘Verder vond ik er niets van.’
Hij vertelt dat hij een jongen in de klas had die naast een onbewaakte spoorwegovergang woonde en die op een dag beide ouders tegelijk verloor aan een voorbijrazende trein. Dat vond iedereen zielig voor die jongen. Dat was alles.



Geef een reactie