Peter

Ik werd gebeld door Peter.  Hij zei: ‘Dag Elke.’
Het was half elf ’s avonds, ik zat op de bank bij de houtkachel, en ik vroeg waar Peter mij zo laat nog voor belde, om er heel snel achteraan te zeggen dat ik niet echt een Peter kende, ja, ik ken wel Peters, mijn vader heet zo en ook de overbuurman, dat waren de Peters die meteen in mij opkwamen, maar geen van die Peters was de Peter die ik nu aan de lijn had, mijn vader klonk anders en zou ook niet snel ‘met Peter’ zeggen en ook Peter de overbuurman had niet zo’n lage stem.
Toen ik hem vroeg Peter Wie? zei hij: ‘Peter Rutten.’
‘Peter Rutten.’
‘Ja,’ zei hij.
‘O ja. En waarvoor bel je ook alweer?’
‘Gewoon om even te kletsen.’ Er klonk verbazing in Peters stem.
Ik had Peter Rutten aan de lijn die ik moest kennen, maar ik wist echt niet waarvan ik Peter Rutten zou moeten kennen en ik schaamde me diep omdat ik zo snel de namen vergat van de mensen die me dierbaar waren, kennelijk zo dierbaar dat ze me om half elf ’s avonds nog belden om even te kletsen.
Ik groef dieper naar de Peters in mijn geheugen. Er was een Peter die een bestseller geschreven had, een Peter die dood was en er was de broer van een aangetrouwde tante die ook Peter heette. In mijn hoofd klonken steeds de eerste regels van een Slauerhoff-gedicht: zeven zonen had moeder, allen heetten Peter, behalve Wanjka die Iwan heette.
‘Komt het nu ongelegen, Elke?’
‘Eh ja, Peter,’ zei ik. Ik gluurde naar man die even verderop met gefronste wenkbrauwen naar het gesprek tussen Peter en mij zat te luisteren en weer schaamde ik me, de stem van Peter Rutten klonk zwoel, het moest mijn geheime minnaar zijn die op een verkeerd tijdstip belde, Peter Rutten en ik waren intimi, maar ik had dat verdrongen en nu kwam het alsnog allemaal uit.
‘Lag je al in bed, Elke?’ vroeg Peter.



Geef een reactie