De zondagswandeling

Man had ons uit de auto gezet. We liepen van Fort Diemerdam over een smal paadje in de richting van het Diemerpark. Daarna zouden we het park doorsteken naar huis, Jeetje en ik. In het kader van de zondagswandeling. Ik had geen rekening gehouden met de avond die inviel. Het schemerde behoorlijk. De lucht boven ons werd in snel tempo donkerder. Er was ook af en toe een spat regen, maar de bui zette niet door. Windvlagen. Links van ons lag een vrachtboot laag in het water. Het struikgewas ritselde, het moerasachtige gebied was zwart, de bomen en het gras zwiepten heen en weer. Het meisje naast mij zong het liedje: ‘ik ben toch zeker Sinterklaas niet.’ En ik moest van haar af en toe hoog inzetten met ‘Sinterklaaaaas.’
We hadden nog niet eens het begin van het park bereikt of ik moest al aan Marianne Vaatstra denken.
‘Het is zó fijn, hè mama,’ schreeuwde ze. ‘Hier zijn helemáál geen andere mensen!’ Mijn kleine blonde misantroop spreidde haar armen als vleugels en huppelde.
‘Kom, zullen we rennen?’
We renden en zongen sinterklaasliedjes.
‘Waarom rennen we steeds?’ vroeg Jeetje.
‘We willen het donker voor zijn, toch?’
‘Waarom? Het is al donker.’
‘Er is hier geen verlichting. Straks zien we niets meer.’
‘De maan is bijna vol,’ zei ze. ‘Dat is juist leuk.’
‘O ja.’
Het was inderdaad bijna volle maan. Voor onze voeten schoten konijnen de weg over. Ik pakte haar hand. We liepen verder over de lange rechte weg. Moeder en dochter. We passeerden een bouwkeet. Die was leeg. Achter de bouwkeet was ook niets. Heel in de verte zagen we al een stuk van de fietsbrug.
‘Het lijkt wel of we op zo’n loopbaan staan,’ zei Jeetje. ‘We lopen de hele tijd maar we gaan niet vooruit en niet achteruit.’
‘Is dat een man of een vrouw die daar aan komt rennen, denk je?’ vroeg ik.



Geef een reactie