Naar de kapper

Zodra iedereen de deur uit is, ga ik naar de kapper. Het rijk alleen! Voor twee dagen! Dat wordt keten. Met de muizen. Dan moet je haar goed zitten.
Dus ik stap het kleine eenmanszaakje in en de kapper begroet me als een oude bekende. Zijn langharige hond blijft liggen. Ik kom hier ook al jaren. In tien minuten is het klaar en sta je met natte haren weer buiten. In die tijd vertelt hij óf over de luxe reis die zijn vrouw en hij binnenkort gaan maken – al kan luxe hém niks schelen – zijn kleindochter van twee, of over de lol die hij heeft met zijn vrienden van de markt. De kapper is een oude Amsterdamse bling bling hippie.
‘Als ik iemand niet mot, knip ik ‘m nie.’
Ik dacht dat ik de kapper helemaal door had. Maar het loopt anders.
Zo anders dat ik die nacht niet kan slapen door het verhaal van de kapper. Hoe verraderlijk is het toch te denken dat je mensen helemaal snapt. In een flits zie ik ’s nachts de ogen van het muisje weer naar me kijken. En dat de kapper even preciés zo naar mij gekeken had. Vanuit een heel andere wereld.
Ik meende dat ik naar de kápper zeker niet meer om hoefde te kijken, omdat ik wel wist hoe het zat met hem. Ik hou ervan om exact te weten wie ik voor me heb.
Dit bezoekje veranderde mijn voorgaande bezoekjes. Al zijn stoere verhalen kwamen in een ander licht te staan. Zelfs de enorme hond die daar lag te stinken, kreeg een nieuwe functie.
Voor het eerst zag ik pas dat de eenmanszaak van mijn kapper ook echt een éénmanszaak was.
Toen ik met natte haren weer buiten stond, veegde hij mijn haren nog bijeen.



Geef een reactie