Vanaf 15 november in de winkel!



HOME



Het besluit van Dola Korstjens

Elke Geurts

 

In de lente sneeuwt het vaak in deze buurt. Dan dwarrelen er een paar weken lang roze bloemblaadjes door de lucht.

Het precieze aantal bomen kan per straat variëren, maar in elke straat staan er ten minste drie. Allemaal sierkersen. Als het windstil is, zijn de straten met bloesem bezaaid. Het geeft het aanzien van de buurt iets frivools en werkt onbewust in op de gemoedstoestand van de bewoners.

De roze blaadjes stemmen degene eventjes mild, die die dag niet mild is opgestaan. Een fractie van een seconde genereert het de roze wolk voor degene die net onenigheid heeft gehad met zijn geliefde. Het kouwelijke type voelt de warmte van de roze gloed. Zodra een nuchter mens de wereld instapt, wordt hij of zij overweldigd door een kortstondig dronken gevoel. Heb je zojuist een beslissing genomen, dan zie je glashelder dat het de juiste is.

 

Op de ochtend van haar dertigste verjaardag neemt Dola Korstjens eindelijk het besluit om weg te gaan.

Even later zit ze rechtop, op de rand van haar bed, met een rood hoofd, in een vreemde houding; licht voorover gebukt, haar benen stijf tegen elkaar, haar bovenlijf ritmisch heen weer wiebelend. Ze knijpt haar ogen dicht. Nu vast blijven houden. Concentreren. Al haar spieren spannen zich.

Ze heeft er een sport van gemaakt om als ze moet plassen niet metéén naar het toilet te gaan. Een kwestie van zo lang mogelijk de spanning vasthouden. Haar moeder was een fervent plasophouder en die traditie zet zij voort. Een hele eer. Al vraagt ze zich nu af het wel zo’n eer is. Of ze er niet beter aan doet zich van deze familietraditie te bevrijden. Haar moeder was soms dagenlang niet gegaan. Ze doorstond elke aandrang zonder met haar ogen te knipperen. Ooit had ze het een hele week volgehouden. De prijs die ze ervoor betaald had, was hoog. Haar bekkenbodemspieren bleken na die week overspannen en konden geen druk meer verdragen. Moeder lekte. Telkens als ze zich bukte, hoestte of zelfs maar eventjes lachte, druppelde ze.

‘Het regent weer,’ fluisterde ze dan tegen haar tienjarig dochtertje. Ze had er telkens zo intens gekweld bij gekeken, dat Dola moet huilen als ze daaraan terugdenkt. Het was alsof moeder het verlies van de greep op haar bekkenbodemspieren zag als een verlies van haar greep op alles. Alsof ze met iedere druppel, ook een stukje van zichzelf kwijtraakte.

Het is nu al twintig jaar geleden dat haar moeder plotseling de geest liet. Sindsdien gaat Dola door met de strijd. Zij beschouwt de race tegen het plassen vooral als een grote uitdaging. Het vereist precisie en een goede timing. Anderen gaan naar de sportschool om hun biceps te trainen, Dola concentreert zich op het trainen van haar bekkenbodemspieren.

Het gaat vandaag precies goed. Dat geeft de kick: dat het op het randje is. Maar wel nét het goede randje.

 

Voordat ze de voordeur met volle vaart achter zich dicht kan trekken, wordt ze staande gehouden door haar hospita, die op dat moment de voordeurknop aan het poetsen is.

‘Niet iederéén heeft koper,’ zegt de hospita. ‘Als je dan een koperen deurknop hébt, moet je die toch ook poetsen?’

Dola knikt.

‘Waarom dóén ze het dan niet?’ vraagt de hospita.

Waarom niemand die deurknoppen een fatsoenlijke beurt geeft, begrijpt Dola ook niet. Zulke enorme knoppen zijn het zeker niet. Eén keer in de week poetsen zou inderdaad al een hoop schelen. Als je het bijhoudt is het hooguit een kwartiertje werk. Waarom de mensen dat niet doen? Dola haalt haar schouders op.

‘Ik ben een oud mens. Moet ik alle deurknoppen van de hele straat gaan poetsen? Moet ik dat helemaal alleen doen?’

‘Nee zég.’

‘Wie doet het dan wel?’ De hospita kijkt haar aan.  ‘Wie doet het dan wel, als ik het niet doe?’ vraagt ze weer.

Dola wil doorlopen.

‘Al het verval begint bij een niet gepoetste

voordeurknop,’ zegt haar hospita. Dola blijft nog even staan. Nu de wind is gaan liggen, ziet ze overal op straat en op het trottoir van die roze hoopjes liggen. Alsof zelfs de bloesem ervan houdt zich te groeperen, alsof dat de natuurlijke gang van zaken is. Wie er voorbijkomt, moet eventjes snel tegen zo’n hoopje bloemblaadjes schoppen. De mensen doen het onafhankelijk van elkaar. Alsof ook dat iets natuurlijks is.

‘Als het al niemand lukt om de deurknoppen bij te houden, hoe moet het er dan daarbinnen uit zien?’ zegt de hospita plotseling fel.

Het netje waarmee haar kapsel bijeen gehouden wordt, snijdt in haar voorhoofd. Bijgetekende wenkbrauwen. Dichtgesmeerde poriën. Witte poederopstoppingen overal op het gezicht. Poeder heeft ook eerder de neiging zich op één plek te groeperen dan zich over het gehele oppervlak uit te laten smeren.

‘Ik moet gaan,’ zegt Dola ferm.

‘Krijg jij geen bezoek vandaag?’ De ogen van de oude vrouw stralen recht door haar heen. Tussen de ingewanden, organen, hartkamers en vleesmassa’s vinden ze een plaats waar gedacht wordt en gevoeld. De plaats die Dola Korstjens wordt genoemd. Daar blijven de ogen hangen. Met grof geweld rukt Dola zich daarvan los, draait zich om en maakt dat ze wegkomt.

‘Tot vanmiddag!’ roept de hospita haar na.

 

Dola loopt flink door nu, de straat uit, op een drafje. Om de nieuwe wending die haar leven zal krijgen, te accentueren. Ook zij kan de verleiding tegen een berg roze blaadjes te schoppen, niet weerstaan. Ze schopt en loopt meteen weer door, het gezicht in de plooi, alsof er zojuist niets in beweging is gezet. Alsof het een plaatselijk wervelwindje is geweest. De blaadjes kunnen alleen maar wachten op het volgende zuchtje wind dat hen weer bij elkaar zal brengen. Al ligt er altijd wel een blaadje alleen. Het blaadje dat in geen enkel verband staat met een ander blaadje.

Zodra ze de straat uit is, mindert Dola vaart en raapt een bloesempje op uit de goot.

‘Jij bent niet zomaar van de boom gedwarreld,’ zegt ze, ‘jij bent daar neergelegd. Om de perfectie wat te doorbreken.’

Ze ruikt aan het blaadje maar het ruikt nergens naar. Een sierkers wordt ook niet gekweekt om lekker te ruiken, noch voor de vrucht. Het gaat bij een sierkers puur om de bloesem. Dola laat het reukloze bloesemblaadje vallen, het komt op de punt van haar schoen terecht en beweegt mee op de maat van haar pas. Ze loopt met rechte rug en een heldere oogopslag. Met een hand in haar zak en haar andere hand slingerend langs haar lichaam, een roze blaadje op haar schoen.

 

Op de plaats waar eerst de kerktoren stond, staat nu een dikke man met een oranje helm. Hij draagt een maatpak met een te krappe oranje hes erover.

Zolang Dola zich kan herinneren staat de kerkklok stil. Maar elke keer als ze er voorbij komt, kijkt ze eventjes omhoog om te zien hoe laat het is. Ze komt pas achter deze zinloze gewoonte nu de klok met toren en al verdwenen is.

Vrachtwagens, kranen, puinbrekers met Hollenberg sloopwerken erop, rijden af en aan. Mannen met duikbrillen in fluorescerende pakken zijn in de weer met sloophamers, betonscharen en drilboren. De dikke man staat wijdbeens op de brokstukken toe te kijken. Als hij Dola ziet, wuift hij en schreeuwt iets naar haar. Alsof het normaal is dat híj daar nu staat, in plaats van de kerktoren.

Dola laat zich niet zo snel verrassen. Als die man dat denkt, heeft die man het mooi mis, denkt ze terwijl ze zich tussen de stalen hekken door wurmt en het roodwit afgezette gebied binnentreedt. Als hele kerken afgebroken worden om mij achter mijn zinloze gewoontes te laten komen, betekent dat dat ik op moet schieten voordat de hele straat gesloopt is. Of de stad weggevaagd.

Zij, Dola Korstjens, laat zich nu nergens meer door weerhouden.

 

De sloopwerkzaamheden worden gestopt. Auto’s zetten hun motoren uit. Voorbijgangers houden halt. Winkels sluiten hun deuren. Rolluiken gaan naar beneden. Het houdt op. Dola zijgt neer. De wereld stort in. De slopers maken van de ineenstorting gebruik om sjekkies te draaien. Ze hebben natuurlijk niets meer om handen, nu alles vanzelf kapot gaat.

Dola had overal rekening mee gehouden toen ze het besluit nam, behalve met haar hospita en met de dood.

Het rode hoofd van meneer Hollenberg – die naam staat tenminste op zijn badge – hangt boven haar. Twee zwarte kraaloogjes in een geperforeerd gezicht. Oppassen dat ze nu niet in zo’n zwart gat tuimelt. Ze probeert zich nog vast te houden aan de rand maar er is geen rand. Ze valt. Midden in de meeëter van meneer Hollenberg. Ze blijft maar vallen en vallen. Tot ze, met een harde klap, neerkomt.

‘Verboden toegang voor onbevoegden,’ zegt meneer Hollenberg. ‘Kun je niet lezen?’

Dit is het dus. Het is snel gegaan. Sneller dan verwacht. Ze is dood, in meneer Hollenberg ontslapen. Ze ligt er netjes bij. De mond is al gesloten. Benen naast elkaar. Ze doet ook haar ogen snel dicht, voor hij het doet.

‘Meissie, ik had nog naar je geroepen dat je hier niet moest lopen. Die hekken staan hier niet voor niets. Hier wordt gewerkt!’ Meneer Hollenberg, met een rasecht Hollenbergs accent. Zijn stem reikt ver. Helemaal tot in het dodenrijk.

‘Je had hier niet mogen zijn! Dit is verboden terrein!’

Dola voelt zich wanhopig worden. Als ze zélfs op haar laatste rustplaats niet op haar plek is, waar dan wel?

‘Schiet eens op, meissie.’

Ik ben net thuis, denkt ze geërgerd, laat me met rust. Laat me even acclimatiseren.

‘Kom es recht overeind!’

Ze is al geheel onverwacht heengegaan en alsof dat niet erg genoeg is wordt ze daarbij nu ook nog lastig gevallen door ene meneer Hollenberg. Hij schept er blijkbaar genoegen in om de rust van de doden te verstoren. Even de ogen open dan maar. Voor een serene doch onverbiddelijke blik.

Het ziet er bij haar thuis niet helemaal comfortabel uit. Geen witte tunnels, groene weides of engelenmuziek maar puinafval, betonvergruizers en drilboren. Geen moeder die haar opwacht maar in plaats daarvan een dikke fluorescerende man. Dola was bij leven een inschikkelijk type geweest en dat is ze nu nog steeds. Al maakt deze meneer het wel erg bont.

‘Je mot wat eten,’ zegt hij. ‘Dan kom je wel weer bij.’

Ze kunnen met je doen wat ze willen, realiseert Dola zich als haar dode lichaam omhoog gehesen wordt. Ze wil blijven liggen. Maar meneer Hollenberg kent geen pardon. Hij zet het lijk rechtop. Het lijk wankelt. Logisch. Een lijk is niet gemaakt om te lopen. Ze kan best doen alsof ze leeft als meneer Hollenberg dat graag heeft. Dat is het probleem niet. Het probleem is dat ze net is thuisgekomen en nu alweer weg moet.

 

De slopers trappen hun sjekkies uit op haar thuisgrond.  Auto’s worden gestart. Voorbijgangers slenteren verder. Winkels gaan open. Rolluiken ratelen omhoog. De wereld wordt razendsnel opgebouwd, alleen omdat meneer Hollenberg daar op staat. Zodra hij weg is, zal ze terug gaan. Dood is dood. Dat verandert hij niet.

Het lijk wordt bij de arm genomen en meegesleurd naar de dichtstbijzijnde snackbar. Dola houdt er niet van bij de arm genomen te worden. Ze worstelt zich los. Als ze toch gedwongen wordt te lopen, loopt ze liever alleen.

 

De snackbarjuffrouw probeert zo normaal mogelijk te kijken als ze wijlen Dola Korstjens een bord frikadellen en een blikje cola voorzet. Ze doet alsof ze gewend is overledenen te bedienen. Klanten zijn klanten.

‘Voor de schrik.’ Meneer Hollenberg trekt zijn blikje open. ‘Proost!’

Dola kijkt naar het bord voor zich. Ze had liever friet gehad, als ze had mogen kiezen.

‘Je hebt geluk gehad, meissie,’ zegt hij, ‘dat je er zo goed vanaf gekomen bent.’

Hij ziet het niet, wíl het niet zien. Meneer Hollenberg sluit zijn ogen voor de dood, terwijl dat toch de normaalste zaak van de wereld is. Ze neemt een slokje van de cola en lacht vriendelijk naar hem. Als hij zichzelf voor de gek wil houden, is het zijn probleem

‘Toe dan. Eet dan,’ dringt hij aan.

Ze had niet gedacht dat haar laatste maaltijd uit drie frikadellen speciaal zou bestaan. Bij leven heeft ze ze niet gegeten. Ze had nooit kunnen denken dat ze ze na haar dood wél zou eten. Maar ze eet frikadellen en het valt haar alleszins mee. Misschien verandert je smaak na het overlijden?

In een mum van tijd heeft meneer Hollenberg alles op, veegt zijn bord schoon met een dikke witte vinger, om deze daarna af te likken. Hij leunt achterover, zucht voldaan en zegt: ‘Waarom zeg je niks?’

In haar toestand hoor je helemaal niet te spreken. Maar dat wil hij niet zien.

‘Eet maar lekker. Ze hebben hier de beste frikadelletjes van de stad. Dat is hét medicijn tegen alles.’ Meneer Hollenberg zet zijn helm weer op en gaat betalen.

De snackbarjuffrouw kan haar ogen niet van het stoffelijk overschot afhouden. Dit zal nog wel erger worden als Dola straks opgebaard ligt en alle ogen op haar gericht zijn. Bedroefde vrienden en kennissen die elkaar zakdoekjes doorgeven. Maar alleen haar vader is er. En haar hospita. De medewerkers van het uitvaartcentrum fluisteren tegen elkaar dat dit lijk bij leven een onuitstaanbaar karakter moet hebben gehad. Het is een schril contrast met haar moeders afscheid, waar ze wachtlijsten moesten maken voor de laatste bezichtiging: zóveel vrienden en kennissen had zij.

Meneer Hollenberg heeft betaald.

‘Voortaan niet meer binnen de hekken lopen!’ roept hij nog. Het doet Dola verdriet dat haar vertrek zo plotseling is gekomen. Nog voordat ze aan het maken van bedroefde vrienden en kennissen toekwam.

‘Je komt wel thuis, hè?’ Meneer Hollenberg is weg.

 

Daar zit ze dan. Nog één frikadelletje te gaan. Nu meneer Hollenberg er niet meer is, kan ze niet ineens, ter plekke, loslaten. Doodvallen. Het is nog altijd een snackbar. Ze neemt een hap van haar laatste frikadel en verslikt zich meteen. De lijkwassing. Vóór het opbaren is er eerst Het Wassen. Door lijkwassers. Alles moet gewassen worden. En gróndig, want het is voor het laatst.

Dola’s naakte lijk zal worden opgepakt. Omgedraaid. Een plank in vreemde handen. Haar vader staat erbij te kijken. In de hoop iets van haar moeder terug te zien. De lijkwassers constateren: blubberige buik, deed niet aan sport. Ernstige cellulitisvorming op billen en dijbenen. Vagina, wildgroei tot aan de bovenbenen. Schaamlippen: reusachtig.

‘Misschien was het wel een mannetje’ fluisteren ze. ‘Lijkt wel een klein slap piemeltje hier.’

Blaas: overvol. Haar vader is even geroerd, die blaas herkent hij tenminste van zijn vrouw. Het streven om zo min mogelijk plasjes te doen. Méér van haar ziet hij niet terug bij zijn dochter. Zelfs niet als hij door zijn oogharen kijkt. Vader barst in huilen uit. De lijkwassers zeggen snel dat het moeilijk voor hem moet zijn.

‘Ze was vast heel lief.’

Vader blijft natuurlijk huilen.

‘Wat deed zij eigenlijk bij leven?’ vragen de lijkwassers dan maar. Een veilige vraag, denken ze.

Zelfs als lijk weet ze haar vader en daarmee haar moeder in het graf nog in verlegenheid te brengen. Vader begint nu echt te janken.

 

Ze heeft alleen maar wat voorbereidingstijd nodig.

Dola maakt haar bord schoon met haar vingers en likt de mayonaise- en ketchupresten eraf. Zolang ze haar kaken blijft bewegen, verstijven ze niet. Zolang ze de techniek van het ademen beoefent, zal haar bloed niet stollen. Zolang ze de mechaniek van het denken traint, zullen de hersenen blijven werken. Zolang ze het hart laat pompen, het lichaamsvocht niet vergeet te filteren en het verteringsproces in gang houdt, zal het best gaan.

Het ontbindingsproces is moeilijk en uiteindelijk helemaal niet tegen te houden maar je kunt het wel iets oprekken. Dola bevoelt haar gezicht met haar vingertoppen, de huid zit er nog netjes omheen. Maar die zal loslaten. Dat is een van de eerste dingen die gebeuren: ze zal opzwellen. Verkleuren. Totdat ze er niet meer omheen kan.

Op namiddag van haar laatste verjaardag neemt Dola Korstjens het besluit de dood op te houden als een plasje.

Het is een kwestie van de spieren aangespannen houden. Ze is erin getraind. Ze kan het in elk geval langer dan de meeste mensen.

Ze staat op en moet zich aan de tafel vastgrijpen om niet meteen te vallen. De snackbarjuffrouw houdt haar nog steeds in de gaten. Dola zwaait haar vriendelijk gedag. De polsgewrichten bewegen wat stijfjes. Ze weet niet of ze nou altijd al zo stijf waren of dat het iets nieuws is. Nu vooral niet ook nog hypochondrisch worden.

‘Kijk uit!’ roept de juffrouw maar Dola is al in volle vaart tegen de glazen deur aangelopen. Ze had niet gezien dat daar een deur zat. De klanten lachen besmuikt. Een kind lacht luidkeels. Eventjes denkt Dola Korstjens aan de totale ontspanning. Om het helemaal op te geven. Dan zal het lachen hen wel vergaan. De gedachte aan haar ouders weerhoudt haar. Ze proeft bloed in haar mond. Een dode met een bloedlip.

‘Gaat het wel?’ De snackbarjuffrouw is achter de toonbank vandaan gesneld en houdt de deur open.

‘Het is allemaal nog even wennen,’ stamelt Dola, ‘maar dat had u allang gezien natuurlijk.’

De snackbarjuffrouw knikt alweer zo vriendelijk naar haar.

 

Het begint te regenen. Er loopt een stoffelijk overschot over het kruispunt en terwijl de lucht steeds donkerder kleurt en de mensen in de buurt winkels invluchten, trams instappen, onder afdakjes schuilen, dringt de ernst van de hele situatie tot Dola door. Voordat haar nieuwe leven heeft kunnen beginnen, is ze van de prelude rechtstreeks in het nawoord terechtgekomen. Met elke dag die verstrijkt, verstrijkt ook haar houdbaarheidsdatum.

Ze ziet het doorweekte bloesemblaadje dat nog op haar schoen geplakt zit. Het blaadje zal eerst opdrogen. Bruin worden. Dan inkrimpen. Tot er niets meer van over is. Het blaadje weet er niets van. Dat is het grote verschil tussen haar en de bloesem van een sierkers.

Een luid claxonneren. Een automobilist draait zijn raampje naar beneden: ‘Wil je dood of zo?’

Dola staart hem aan. Wat een vraag. Natuurlijk wil ze dat niet. De wil is ondergeschikt in dezen. Dat moet hij toch ook weten? Het leven is maakbaar, maar met sterven ligt dat gecompliceerder.

‘Je bent een gevaar voor jezelf!’

 

Het gevaar voor zichzelf staat midden op het kruispunt van het Victorieplein, waar de regen in haar gezicht striemt, auto’s en bussen voorbij razen en luid bellende trams rakelings langs haar heen scheren. Met dit hondenweer waagt geen mens zich nog op straat en de victorie en Dola zijn verder van elkaar verwijderd dan ooit.

Ze moet terug naar huis want ze is nat, doornat. Ze kan er nu geen verkoudheid bij gebruiken. Rennen is goed om de spieren warm en het bloed stromende te houden. Ze moet blijven bewegen.

 

Haar buurt bestaat uit een twintigtal symmetrische rijen van identieke grijze huizenblokken met identieke voordeuren en identieke voordeurknoppen. Alle roze kleur is weggeregend. Een fonkelend lichtje springt in het oog. Dáár moet ze zijn. Met één hand steekt ze de sleutel in het slot, met de andere hand pakt ze de glimmende koperen deurknop vast, de huid ziet er nog goed zalmroze uit. Ze loopt regelrecht in de armen van de hospita. De koffie en de cake blijken al geruime tijd klaar te staan.

‘Ik ben wel nat,’ hijgt Dola als ze naast de hospita op de bank plaatsneemt. Wie nat is, moet binnen niet al te lange tijd droge kleren aan.

‘Doornat,’ probeert Dola.

‘Ik heb de cake speciaal voor je verjaardag gebakken.’

‘Wat lief van u.’

‘Ik dacht dat je vader ook wel zou komen.’

‘Nee dus.’

‘Je moet wel je best voor hem doen, hè,’ zegt de hospita streng. ‘Het is je vader.’

 

Die avond zit het karkas zichzelf aan de keukentafel met vereende krachten bij elkaar te houden. Ze heeft een vel papier voor zich. Bovenaan haar nog te doen-lijstje staat: vrienden en kennissen maken. Bij hen een goede indruk achterlaten. Omdat dat alles is wat er van haar overblijft: goede indrukken in het hoofd van een ander. Die heeft haar moeder ook veel achtergelaten. Bij iedereen.

Daarna komen de praktische zaken, zoals: buik eraf trainen. (O nee, die slinkt nu vanzelf. Voordeel!) Netjes bikinilijn scheren. Nette onderbroek aan. Oneffenheden verwijderen. Zodat haar vader zich zeker niet hoeft te schamen. En haar moeder ook niet.

‘Perfect! Ik wist wel dat je een beetje op mij leek,’ hoort ze haar moeder zeggen terwijl ze Dola goedkeurend bekijkt. ‘Ik heb jou toch ook gemaakt.’ En: ‘Wat ben jij geliefd, kind. Wat heb jij veel vrienden gemaakt in je leven. Veel meer dan ik er ooit gehad heb.’

Dola slikt een paar keer. Ze krijgt de brok haast niet weg. Slikken gaat al moeizamer maar haar traanklieren werken nog goed. Gelukkig.

Ze moet ook nog een afscheidspeech schrijven waarin ze iedereen bedankt, voor alles. Haar hospita, voor de cake.

 

De twee nachten die volgen, brengt ze wakend door. Woelen, draaien, licht aan, telkens weer op de wekker kijken, opstaan, iets drinken, even kuchen, liedje zingen. Om maar alles te laten stromen. Het is moeilijk om in je eentje dat hele apparaat in werking te houden. De onmenselijke taak waar Dola voor staat: ademen, verteren, bloed rondpompen. Lampje aan, lampje uit, even verifiëren hoe ze erbij ligt. Of ze er nog ligt. In het donker denkt ze steeds dat ze niet meer dan een muffig luchtje is met een stem. Als die stem weg is, is alles weg. Slaap is directe familie van de dood. De derde nacht, de uitputting nabij, wordt ze erdoor overmand. Zo komt Dola erachter dat ook de doden slaap nodig hebben.

 

Een paar dagen na haar heengaan is het alweer gewoon en houdt Dola de dood net zo gemakkelijk op als het gemiddelde plasje. In het voorbijgaan kijkt ze nog steeds op de fantoomtoren hoe laat het is. Zo’n toren blijft nog wel een tijdje staan nadat hij gesloopt is. Laat zich niet zomaar weghalen. Zoals zinloze gewoontes ook niet zomaar verdwijnen.

Zodra ze de snackbar binnenkomt weet de juffrouw het al: ‘Drie frikadelletjes speciaal met extra mayo.’

Er valt niet tegenop te eten. Het is meer een kwestie van het vetgehalte op peil houden.

‘En een extra grote cola?’ vraagt de juffrouw.

‘Zo noemden ze me vroeger.’

‘Wat?’

‘Cola.’

‘Zei ik. Extra grote.’

Dola hoeft alleen nog maar te knikken en te gaan zitten. Opmerkelijk hoe snel alles went. Natuurlijk, haar fysiek verandert al kan ze zich haar fysiek van voorheen niet meer echt herinneren. Over het algemeen denkt ze dat ze nu wat rilleriger is. Ze heeft doorlopend koude voeten, koude handen. IJsklompjes. Niet aan het weer gerelateerd. Ook begint ze over het hele lichaam, heel lichtjes, te zwellen. Maar dat is zo’n geleidelijk proces dat het zich aan het oog van de mensen onttrekt. Als de mensen al iets denken, denken ze dat het een kwestie is van te veel vocht vasthouden.

Haar vriendin, zo mag je haar nu intussen wel noemen, legt de bestelling in het vet.

Een beetje vriendin hoor je met enige regelmaat te zien. Het zal niet lang meer duren of ze zal aanschuiven om bij te kletsen. Misschien nu al wel. De cliëntèle is momenteel toch niet groot.

Dola zal vragen hoe ze heet. Dat is wel het minste dat je als vriendinnen uitgewisseld moet hebben.

Buiten zijn de Hollenberger slopers bezig de laatste funderingen van de kerk met de hand los te beitelen. Meneer Hollenberg is er niet. De kerk is met de grond gelijk gemaakt. Op de plaats waar Dola het leven heeft gelaten, staat een grijze container voor restafval.

 

De laatste hap frikadel. Dola kijkt de snackbar rond. Morgen zal haar vriendin tijd voor haar vrijmaken. Morgen zal Dola haar naam vragen. Morgen zal de snackbarjuffrouw de televisie uitzetten om eens rustig bij haar nieuwe vriendin te gaan zitten. Dan zal het gebeuren: het bijkletsen. Haar vriendin kijkt trouwens wel veel televisie. Als ze niets aan het frituren is, kijkt ze televisie. Soms doet ze het allebei tegelijk. Met één oog de televisie in de gaten houden, terwijl ze de frikadellen in het vet gooit. Maar als ze dat nou zo graag doet, kunnen ze het morgen toch misschien samen doen? Zittend aan het achterste tafeltje, bij het raam. Samen televisie kijken.

Dola kucht even, loopt rood aan en gaat op het puntje van haar stoel zitten. Voorover gebukt, haar benen stijf tegen elkaar, wiebelt ze haar bovenlijf ritmisch heen en weer. Ze knijpt haar ogen dicht. Nu vast blijven houden. Concentreren. Al haar spieren spannen zich.

Met haar vingertoppen bevoelt ze haar gezicht, beweegt haar kaak, doet haar ogen open en weer dicht, schudt haar armen en benen uit.

 

Ze houdt het wel tot morgen.

 

Verder lezen? Bestel hier uw boek

 



De weg naar zee

 

Ze zijn op weg naar zee. Dat houdt ze zichzelf voor. Nee, dat zijn ze ook. Ze zou de zooi – kleed, handdoeken, emmer en schep, picknickspullen – toch zeker niet voor niets meeslepen?  Daar bovenop ligt haar dochter.  Breeduit. Uitpuilend. Pal in de zon. Ze trekt de bolderkar door het hete zand. Het is zomer. Te veel zomer. Nergens een buutvrijplek van de zomer. Summer is zwaar als een betonblok. Altijd al. Zodra ze vervoerd wordt, slaapt ze. Ook al is ze inmiddels zeven. Ze kan zich bij mij goed ontspannen, denkt ze, van iedereen op de wereld voelt ze zich het veiligst bij haar moeder. Ik moet het als een compliment opvatten.
Ze weet niet meer hoe lang ze hier loopt. Wanneer is ze met bolderkar en al op het paardenpad beland? Haar dochter snurkt nu zwaar. De kno-arts had beloofd dat dat minder zou worden als de amandeltjes geknipt waren, maar dat is dus ook al niet waar, met elke stap die ze zet, lijkt het snurken luider te klinken.

‘Laat het gaan, Tessa,’ zegt ze hardop. ‘Je bent er bijna. Je moet er bijna zijn.’

Tessa stopt even om een handdoek over het gezicht van haar dochter te draperen. Voorzichtig dept ze de kin van het meisje droog. Alle mensen kwijlen in hun slaap. Ze moet de tere huid beschermen tegen de straling. Zon op het littekenweefsel is gevaarlijk. Het veroorzaakt zwellingen en roodheid. Het hoofd hangt over de rand van de kar. Zo’n kinderhoofd kan onvoorstelbaar ver naar achteren buigen. De lintjes van de zonnehoed verdwijnen haast in het vlees van haar wangen. Ze voelt. De strik zit goed vast, maar niet té vast. Met één hand houdt Summer de platte plastic haai tegen zich aan gedrukt, als een knuffel.

Kon ze haar ook maar even leeg laat lopen. Het lichaam vastpakken en het net zo lang en hard tegen zich aandrukken tot alle lucht eruit verdwenen was. Ze zal haar netjes opvouwen, haar in de strandtas stoppen, om haar weer op te blazen als ze er zijn. Haar pas zal licht en soepel zijn.

Tessa’s hemd plakt aan haar lijf, haar rokje en bovenstukje zijn doorweekt. Ze sjort het bikinibroekje terwijl ze loopt steeds tussen haar billen uit. Seafolly is geen goedkoop merk, maar geen enkele bikini is bedoeld om zo lang in te lopen, hoogstens om over strand of  boulevard te flaneren. Het zou kunnen dat haar billen breed zijn, maar niet dik. Ze draagt meestal large of een Duitse medium. Breed is bouw, daar doe je niets aan. Dik worden is een keuze. Niet die van Tessa.

‘Op je veertigste ben je het aan je lijf verplicht een goede bikini te kopen,’ zei haar vriendin Gina van de week bij het ontbijt. ‘Als je ook maar een beetje om jezelf geeft tenminste.’

Hieruit mag ze concluderen dat ze om zichzelf geeft, en om haar dochter dus nog meer. Ze had voor Summer twee Seafolly’s aangeschaft. Het stelt haar gek genoeg gerust.

‘Wat hebben we een geluk met het weer,’ hoort ze Gina opnieuw zeggen. ‘Het had zomaar de hele week kunnen regenen.’ Iets te veel geluk, dacht ze. Iets te veel. Ze had ‘nou en of’ gezegd. Om het goed te houden.

 

Ze kenden elkaar al sinds de basisschool. Ze kwamen uit hetzelfde dorp. Ze verhuisden naar dezelfde stad. Ze trouwden er in hetzelfde jaar en kregen in hetzelfde jaar allebei een dochter. Ze spraken niets af, het ging gewoon zo, hun levens verliepen griezelig parallel.  Tessa was nu bijna een jaar gescheiden. Gina nog niet. Daarin was Tessa haar dus voor.

‘Het is schandalig. We moeten echt binnenkort afspreken. We moeten nodig bijkletsen.’ Dat was de strekking van de berichten die ze de laatste jaren over en weer stuurden. Het kwam er haast nooit van, al woonden ze maar een kwartiertje fietsen bij elkaar vandaan. Ze hadden hun eigen leven en hun eigen vrienden. Het feit dat de ander bestond leek genoeg.

Maar de vorige maand waren ze allebei veertig geworden en ze trakteerden elkaar op een midweek weg. Het leven ging beginnen. Nu echt. Dat wilden ze vieren, samen met de dochters. Ze hielden allemaal van zee en zon.

‘Jij hoeft echt niet jaloers op me te zijn, Tess,’ had Gina de eerste avond plotseling gezegd. Het was ver na middernacht maar ze zaten in hun jurkjes buiten.

‘Waarom zou ik jaloers op jou zijn?’ Tessa keek in de vlam van het waxinelichtje voor hen op tafel, tussen de lege champagneglazen. De bak Bugles. Ze bleef er vanaf. Tessa hoorde haar vriendin wel kletsen – ook het aanhoudende gekraak van de chips tussen haar kiezen –, maar kon haar niet zien. Net zoals ze de krekels wel hoorde. Een oorverdovend geluid. Alsof ze ergens diep in het zuiden van Europa zaten in plaats van twintig kilometer van huis. Het is niet ver weg, dacht ze. Als het niet gaat, ben je zo thuis.

‘Hier is nog echte duisternis, Gien,’ zei ze toen. ‘Het is lang geleden dat alles zo verschrikkelijk zwart was.’

‘Jij hebt een geweldige dochter, weet je dat wel?’

‘Ja. Hoezo?’

Gina sloeg op haar dijen om haar woorden kracht bij te zetten en schonk hun glazen weer tot aan de rand vol. Zodra er een nieuwe hand Bugles in haar mond verdween, kieperde Tessa haar eigen glas in het struikgewas leeg. Ze wilde geen spelbreker zijn.

‘Ik zie mijn Milly nu echt elke dag een stukje verder van mij weggaan, elke dag is ze weer iets minder van mij. Ze heeft mij haast niet meer nodig. Voor je het weet is ze helemaal weg. Komt ze alleen met kerst nog bij ons langs.’

‘Dat heb ik niet, nee.’

‘Nee. Ik ben juist jaloers op jou! Had je niet gedacht, hè?’

Gina sprak met dubbele tong. Ze kan beter naar bed gaan, dacht Tessa. Voor ze nog meer zegt.

Tessa stond op en zei dat ze ging slapen. Over een paar uur zat ze samen met haar meisje te puzzelen aan de lage tafel in de woonkamer. Zes uur, daar kon je de klok op gelijkzetten. Puzzelen is goed, dacht ze, puzzelen is heel goed. Het verbindt de hersenhelften.

 

Haar arm is, pees voor pees, bezig van haar romp te scheuren. Ook al is ze extreem flexibel volgens de yogajuf, zoveel rek is onmenselijk. Tessa pakt het handvat van de kar over met haar andere hand en ploegt verder door het glooiende, zwartgeblakerde landschap. De lucht is stil, leeg en strakblauw als ze omhoog kijkt. De vogels zijn allang vertrokken. Zelfs de insecten zijn weg. De beesten weten alles eerder. Dit is het welbekende vacuüm, de stilte voor de storm, het moment voordat de bom valt.

Net zo goed zou dit het ogenblik kunnen zijn voordat het leven definitief losbarst.

Ze moet gewoon even volhouden.

Haar armen en benen glimmen. Drijfnat van het zweet. Ik ben een bokser in de ring. Maar dan een die elk moment knock-out geslagen wordt. Een die de wedstrijd niet wint, denkt ze.  Zo erg is dat niet. Dat geldt in wezen voor iedereen. Er bestaan geen winnaars. Al denkt Gina graag van wel, nee ze denkt het niet: haar vriendin gedraagt zich alsof ze er een is. Dat mag ook best, van Tessa mag iedereen zich gedragen zoals hij zelf wil. Misschien is het beter je als een winnaar voor te doen. Ze zou het niet weten. Maar wat ze wel weet, is dat het niet de waarheid is. Mensen zijn verliezers. Deze wetenschap troost haar.

We zijn toch allemaal hetzelfde, denkt ze. Het maakt niet uit. De handdoek over het gezicht van haar dochter gaat zachtjes heen en weer en lijkt het snurken iets te dempen.

Ze ruikt een verbrande luchtje. Verschroeid haar. De hemel is een droogkap die te heet staat. Maar er is hier niemand die aan de knoppen zit. Hier is geen stagiaire die ze kan ontslaan. Alles is uitgedroogd. Het duinlandschap dat ze doorkruist, is platgebrand, het werk van de onbekende pyromaan die hier al twee zomers heeft huisgehouden en hen de afgelopen nacht uit hun slaap hield. Helikopters in de lucht, sirenes, geblaf van honden. Voor hun vakantiehuisje hadden ze staan luisteren naar de geluiden die hen omsingelden.

‘Hij is er weer,’ had Gina gefluisterd. ‘De pyromaan is terug.’

‘Waarom denk jij dat dit geweldige huisje in het hoogseizoen in de aanbieding was, Gien?’

‘We moeten hier weg.’

‘Het is overal om ons heen.’

Tessa had op een huizenhoge vlam gewacht, de vuurzee.  Het verzwolgen worden. De krantenkop:  ‘twee moeders (40) en dochters (7) omgekomen bij nieuwe duinbrand.’

Vannacht was de tweede keer dat Summer bijna stierf door een brand. Er moest geen derde keer komen.

De zon brandt dwars door haar schedel. Ze heeft water nodig, meer water. Dat is het. Haar hoofd bonkt. Ze heeft natuurlijk een zonnesteek. Mensen met een zonnesteek kunnen rare dingen doen. Daar moet ik voor oppassen.

 

Verder lezen? Bestel hier uw boek



LASTMENS

Elke Geurts

 

‘Waar kom jij vandaan?’ klonk het naast haar. Een buitenlands accent. Wieke reageerde niet. Ze was er net, ze had haar ogen net dicht. Omdat het mooie weer was aangebroken, zat ze met Freya in de zandbak in het Vondelpark. Tussen de au-pairs. Zij was de enige oorspronkelijke moeder. En nog de oudste ook. Freya moest van top tot teen ingesmeerd worden met zonnebrandcrème. Ze had dezelfde lelieblanke huid als haar vader. Maar ze vond het heerlijk in de zandbak met al haar collegaatjes. De oudere kinderen gooiden zand in de ogen van de jongsten, de au-pairs speelden spelletjes op hun mobieltjes. Wieke hield haar ogen gesloten. Even rust. Al was het maar een paar seconden.

‘Waar kom jij vandaan?’ werd er weer gevraagd. ‘Indonesië?’

Ze voelde hoe het zonlicht haar oogleden verwarmde. Ze bevoelde het gladde omslag van haar boek. Madame Bovary.

‘Indonesië?’

Wieke zuchtte. Naast haar, op de rand van de zandbak, zat een stevige negerin. De enige niet Aziatische au-pair. Ook de enige hier die al wat ouder was. Ze leek ongeveer van haar eigen leeftijd.

‘De jouwe is ook zo verwend, hè,’ zei de negerin. ‘Of versta je helemaal geen Nederlands? Ben je er nog niet zo lang? Where do you come from? Indonesia?’

‘Nee,’ zei Wieke. ‘Eh…ja, ik versta wel Nederlands, maar…’

‘Kijk, ze spelen samen!’ riep de negerin. ‘De jouwe is al net zo brutaal als die van mij. Gemeen zijn ze. Onder elkaar. Geniepige kinderen. Verwend. Onopgevoed. Maar dat is niet mijn taak. Ik ga het niet doen hoor.’

‘Ik ook niet,’ zei Wieke.

‘Die snotpegels veeg ik er ‘s avonds pas af, vlak voor de ouders terugkomen. Jij?’ De negerin giechelde. ‘Ik vind ze zó smerig.’

Ze gruwelden samen van de vele lichaamssappen die de kinderen uitscheidden en van de stank die op hen afkwam zodra die luie, blanke billetjes hen toegestoken werden om afgeveegd te worden. Na het ‘drukken’.

‘Schijten,’ zei Wieke, ‘in de volksmond.’

‘Stront,’ zei de negerin, ‘uit de gewone kont.’

Ze lachten.

De negerin boog zich naar haar toe: ‘Ik heb de wormpjes weleens uit de aarsjes zien kruipen.’

Ze keken naar de onreine beestjes in de zandbak, die hun fijngekauwde voedsel langs hun kinnen lieten sijpelen. Het liep in de shirtjes en trok sporen over de buikjes. Tenslotte kwam het in de navels terecht. Kleine, stilstaande poeltjes van verderf. Daarbinnen krioelden de wormen.

‘Moet jij ook koken, schoonmaken en alles? Of doe jij alleen het kind?’

‘Ook koken en alles,’ zei Wieke.

‘Betalen ze jou tenminste wel goed?’ vroeg de negerin.

‘Betalen?’

‘Ja?’ De negerin lachte hard. ‘Of is het soms liefdewerk?’

‘Nee, zég,’ zei Wieke. ‘Liefdewerk.’

Toen Wieke opstond en Freya wenkte om te komen, stond zij ook meteen op.

‘Mijn naam is Dikeledi,’ zei ze. ‘Aangenaam.’ Ze waren precies even groot.

‘Wieke,’ zei Wieke. Ze schudden handen.

‘Wieke, dat is een Indonesische naam!’

‘O, ja?’

‘Morgen weer. Wieke? Same time, same place?

‘Even zien nog.’

‘O, ben je morgen vrij?’

‘Was dat maar waar.’

‘Wieke en Dieke. Ze noemen me hier vaak Dieke, wist je dat? Wieke en Dieke.’

‘Grappig,’ zei Wieke.

Haar dochtertje kwam erbij staan met een gezicht vol snot en zand. Een uitgezakt blond paardenstaartje. Naast haar stond het jongetje waar ze mee aan het spelen was. Vol aarswormpjes, dacht Wieke.

‘Mama?’ vroeg Freya.

‘Och, de mijne vergist zich ook zo vaak,’ zei Dikeledi, ‘hoe heet de jouwe?’

‘Freya.’

‘Freya! Hoe verzinnen ze het!’

Wieke lachte ongemakkelijk.

‘Mama, ik heb honger.’ Freya trok aan haar mouw.

‘Ja, we gaan,’ zei Wieke, ‘maar ik ben nog even met deze mevrouw aan het praten. Dat hoor je toch?’

‘Wie noemt z’n kind nou ook Freya,’ zei Dikeledi. ‘Dan vráág je er ook om.’

‘Waar vraag je dan om?’ vroeg Wieke zacht.

Dikeledi’s huid was zwart gevlekt. Een spinnenweb van rode adertjes in haar oogwit. Sommigen waren gesprongen, zag Wieke.

 

*

 

Na de lunch viel Freya, net toen Wieke de hoop op wilde geven, toch nog in slaap. Moe gehuild. Wieke moe gestreden. Maar in de spiegel die in de vestibule hing, zag ze nog een aantrekkelijke vrouw. Voor een moeder van in de veertig. De negerin in haar kwam sterk naar voren omdat de zon weer was gaan schijnen. Ze had ook best een scherpe, observerende blik. Ze had iemand kunnen voorstellen. Haar dikke zwarte haar zat wel slordig, daar was net aan getrokken, en haar ogen stonden misschien wat vermoeid. Uitgewoond. Geleefd. Bloeddoorlopen. Maar wat wilde je met een peuterpuber en een man. Edmund zat weer voor een paar weken in het buitenland. Japan, of iets dergelijks. Hij was een succesvol ondernemer. Dus altijd van huis. En als hij niet in het buitenland zat, bracht hij meer tijd door met zijn vriendjes en hun plezierjachtjes dan met haar en Freya in de Van Eeghenstraat in Amsterdam.

Ze stiftte haar lippen. De vrouw in de spiegel droeg eenvoudige kleding. Smaakvol. Verschrikkelijk prijzig. Maar dat kon alleen de goede verstaander zien. Haar buurtgenoten.

De minder bedeelden, haar vriendinnen, moeder, ieder ander die ze kende, hield ze voor dat haar kleren van de H&M kwamen of van een monsterverkoop. Wieke hoorde zulke kleding niet aan te hebben. Nooit. En zeker niet in deze tijd, waarin de mensen de lappen stof weer van de markt gingen halen.

TO DO MORGEN: ZANDBAK! schreef ze in zwierige letters, met haar vuurrode lippenstift, op de spiegel.

Hoe feller de zon scheen, hoe zichtbaarder de negerin werd. Maar vandaag, in de zomer waarin Wieke drieënveertig werd, was ze duidelijker te zien dan ooit.

De onbekende negerin in haar bloed had haar waarschijnlijk ook de slaafse eigenschappen meegegeven, waar Wieke anno nu met geweld vanaf moest zien te komen. Het leek wel alsof de negerin zich door haar heen probeerde te drukken. Hier. Nu. In de centrale hal van hun monumentale pand waarin op de derde verdieping haar kleine lag te rusten. Alsof de negerin zich van Wieke wilde bevrijden, dan wel volledig bezit van haar ging nemen.

Wieke keerde zich snel van de spiegel af. Op haar tenen liep ze naar boven, de sierhouten trappen op. Midden in de roze slaapkamer, die groter was dan de woonkamers van Wiekes vriendinnen, stond het ledikant waarin Freya lag te slapen. Met betraande wangen. De kleine had zich helemaal in haar dekentje gedraaid, ze hield die enge babypop stevig in haar armen geklemd. Wieke rilde.

 

‘Mama, ik heb een baby van papa gekregen!’ had Freya gegild. Wieke stond in de keuken te koken toen Edmund na drie weken toeren in Azië of Zuid-Amerika, ze wist niet waar precies, terugkwam. Voordat hij zijn vrouw begroette, liep hij naar de speelkamer, waar Freya de boel hoogstwaarschijnlijk al een tijdje aan het afbreken was. Het liep tegen het einde van de middag. Wieke had het maar zo gelaten. Ze durfde niet te gaan kijken, bang dat de aandacht van de peuter zich op haar zou richten. Daar had ze de puf niet meer voor.

‘O, ja? Een pop! Wat leuk voor je!’ riep ze terug. ‘Hoe heet-ie?’

‘Lastmens.’

‘Hoe? Lastpak?’

‘LASTMENS.’

‘Lastmens, vreemde naam.’

‘Kom nou kijken!’

Wieke schrok bij de aanblik van lastmens. Hij was griezelig echt. Met opgekrulde beentjes en gebalde vuistjes lag hij in Freya’s armen. Zijn oogjes tot spleetjes samengeknepen. Misschien verkochten ze gemummificeerde baby’s als poppen in de verre, duistere buitenlanden waarmee haar man zaken deed.

‘Handmade!’ zei Edmund blij. ‘Uniek.’

‘Hand-ge-maakt noemen wij dat,’ zei Wieke.

Het kind zat met pop en al bij haar vader op schoot. Hij kuste haar en maakte vlechtjes in haar blonde piekharen. Met zijn pianovingers. De speelkamer zag er intact uit constateerde Wieke. Freya had niets geruïneerd, maar gewoon lief gespeeld terwijl zij in de keuken de linzentaart aan het bereiden was. En soms even in een bladzijde van haar boek verdween.

‘Hi meid, jij ziet er ook geweldig uit,’ zei Edmund toen tegen haar, ‘zo te zien redden jullie het goed samen.’ Hij stuurde Wieke een luchtkus.

‘Heb je al gegeten?’ vroeg ze.

‘We laten gewoon wat komen,’ zei hij. ‘We doen niet moeilijk vandaag. Zeg, waar hebben de meisjes zin in? Suhsi? Crostini met carpaccio? Pata Negra Ham van Fred en Yolanda?’

‘De linzentaart staat in de oven,’ zei Wieke nors.

Edmund, bijna vijftig, blonde highlights, strak in het pak, met hagelwitte gympen eronder. In elk jaargetijde dezelfde gezonde kleur. Hij oogde fris. Energiek. Niet zoals iemand eruit hoorde te zien die zojuist de halve wereld af had gereisd. Niet zoals een normale man eruit zag. Haar vriendinnen hadden vroeger altijd geklaagd over de aflatende persoonlijke verzorging van hun mannen, het werden op den duur hangbuikzwijntjes, maar bij Edmund stak er nooit één haar uit oren of neusgaten. Als hij thuis was, bezocht hij trouw de sportschool. Zijn toilettas was groter dan die van haar. En in de badkamer namen zijn verzorgingsartikelen meer ruimte in beslag.

‘Kijk dan, mama! Kijk.’

‘Zou jij soms Lastmens willen heten?’

‘Nee,’ zei Freya.

‘Nou, waarom geef je je pop dan zo’n afschuwelijke naam?’

Freya’s gezicht betrok. Ze ging huilen. Wieke draaide zich om, schreed weg. Het leek uren te duren voor ze weer in de keuken aankwam. Bij haar futuristische kookeiland. Midden in de oceaan van rust. Op de achtergrond hoorde ze Edmunds geruststellende stem en Freya’s aanstellerig gesnik. ‘Rustig maar, liefje, rustig. Mama bedoelt het niet zo. Mama is wel lief.’

‘Mama is een trut,’ zei Wieke. ‘En papa ook,’ mompelde ze er achteraan. Ze beet zo hard in haar handpalm dat een afdruk van haar eigen gebit zichtbaar werd.

 

Verder lezen? Bestel hier uw boek

 



Wachtwoord herstellen



Wachtwoord kwijt

Log In

Registreren

Log In

Uitloggen

Log In

Inloggen

Log In